In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld over een boete van €2.500,- die aan een slachthuis is opgelegd wegens het aantreffen van baansmeer op hammen die waren goedgekeurd voor humane consumptie. De overtreding betrof het niet beschermen van levensmiddelen tegen verontreiniging zoals voorgeschreven in Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004.
De toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit constateerde op 30 april 2024 tijdens een inspectie dat meerdere hammen zichtbaar waren bezoedeld met een donker gekleurde, korrelige substantie, herkend als baansmeer. Deze hammen waren voorzien van het gezondheidskeurmerk en werden geladen voor distributie. De boete werd opgelegd omdat deze verontreiniging een risico voor de volksgezondheid vormt en in strijd is met de hygiënevoorschriften.
De eiseres voerde aan dat de boete disproportioneel was en dat de verontreiniging beperkt was tot de opperhuid en bij verdere verwerking zou worden verwijderd. Ook wees zij op het ontbreken van een medewerker tijdens de controle. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde dat de boete passend en geboden is, mede gelet op het feit dat levensmiddelen in alle stadia beschermd moeten worden tegen verontreiniging. Het beroep werd ongegrond verklaard.