Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Th. Veling, rechter in een civiele kortgedingzaak tussen Stichting Woonstad Rotterdam en verzoeker. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter vanwege een brief van 11 november 2025 waarin een datumbepaling werd gedaan zonder wederhoor.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend. De feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd, waren op 11 november 2025 al bekend bij verzoeker, maar het verzoek werd pas op 24 november 2025 mondeling gedaan, wat de termijn ruimschoots overschreed. Verzoeker gaf geen verschoonbare reden voor de vertraging.
De kamer wees erop dat een wrakingsverzoek gedurende de gehele procedure kan worden ingediend zolang de einduitspraak nog niet is gedaan, en dat het niet alleen op zitting kan worden ingediend. De conclusie was dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.