ECLI:NL:RBROT:2026:614

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/10/704294/ HA RK 25-748
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelgeschil letselschade met hoofdelijke aansprakelijkheid en rol van regelend verzekeraar

In deze zaak betreft het een deelgeschil in het kader van letselschade, waarbij de verzoeker, [eiser], betrokken was bij twee ongevallen die mogelijk hebben geleid tot zijn huidige knieklachten. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 uitspraak gedaan. De verzoeker heeft in het verleden een knieoperatie ondergaan na het eerste ongeval in 2015, en na het tweede ongeval in 2018 heeft hij aanhoudende klachten ervaren. De rechtbank heeft geoordeeld dat zowel de aansprakelijkheidsverzekeraars van het eerste als het tweede ongeval hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die voortvloeit uit de knieklachten van de verzoeker, op basis van artikel 6:99 BW. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat Zurich als regelend verzekeraar moet optreden, omdat de afwikkeling van de schade door de discussie tussen de verzekeraars is vertraagd. De verzoeker heeft aanspraak gemaakt op een voorschot en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, waarvan een deel is toegewezen. De rechtbank heeft de kosten van het deelgeschil begroot op € 9.648,00, en beide verzekeraars zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704294 / HA RK 25-748
Beschikking van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te Moordrecht,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.F. Hartman te Amsterdam,
tegen

1.KRUISWIJK GROEP B.V.,

te Vlist,
hierna te noemen: Kruiswijk,
advocaat: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven te Amsterdam,
2.
HDI GLOBAL SE,
te Hannover (Duitsland), kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna te noemen: HDI,
advocaat: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven te Amsterdam,
3.
BOELE & VAN EESTEREN B.V.,
te Rijswijk,
hierna te noemen: Boele & Van Eesteren,
advocaat: mr. I. Ghazarian te ’s-Gravenhage,
4.
ZURICH INSURANCE EUROPE AG,
te ‘s-Gravenhage,
hierna te noemen: Zurich,
advocaat: mr. I. Ghazarian te ‘s-Gravenhage,
verwerende partijen,
Kruiswijk en HDI hierna samen te noemen: HDI c.s.,
Boele & Van Eesteren en Zurich hierna samen te noemen: Zurich c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 6 producties,
- het verweerschrift van HDI c.s. met 19 producties,
- het verweerschrift van Zurich c.s. met 9 producties,
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025,
- de spreekaantekeningen van [eiser] en van Zurich c.s.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
Op 3 december 2015 verdraaide [eiser] zijn knie toen hij een loopplank betrad die daarbij wegschoof (hierna: het eerste ongeval). Die loopplank lag voor zijn woning in verband met rioleringswerkzaamheden.
2.2.
Boele & Van Eesteren was de aannemer op dat project. Zurich is haar aansprakelijkheidsverzekeraar en heeft namens Boele & Van Eesteren de aansprakelijkheid voor het eerste ongeval erkend.
2.3.
In verband met aanhoudende klachten aan zijn linkerknie onderging [eiser] op 29 april 2016 een atroscopie. Daarbij is een kapselplooi tussen de gewrichtsvlakken van het mediale compartiment weggeshaved.
2.4.
Per 1 juli 2016 heeft [eiser] zijn reguliere werkzaamheden als steigerbouwer volledig hervat.
2.5.
Op 12 oktober 2017 deed de toenmalige schadebehandelaar van [eiser] aan Zurich c.s. een voorstel voor het regelen van de schade, maar [eiser] heeft dat voorstel weer ingetrokken. Een afwikkeling van die schade tegen finale kwijting is tot op heden niet tot stand gekomen.
2.6.
Op 9 januari 2018 heeft [eiser] zijn huisarts bezocht en heeft de huisarts in het huisartsenjournaal genoteerd, voor zover hier van belang:
“S/aanh klachten li knie, OK meer dan jaar geleden
O/pijn med gewrichtsspleet
E/ knie klachten li
P/ Afspraak ‘regulier’ gemaakt bij Orthopedie - Franciscus Gasthuis en Vlietland (...) Reden: Knie”
2.7.
Op 22 januari 2018 had [eiser] een arbeidsongeval. Daarbij is hij vanaf de bovenzijde van een trap die tegen een damwand was geplaatst naar voren gestapt en in een gat van 60-80 cm breed en 1,5 meter diep gevallen (verder: het tweede ongeval). Daarbij liep [eiser] een hematoom op zijn bovenbeen en gekneusde ribben op. Ook had [eiser] na het tweede ongeval klachten aan zijn linkerpols en -hand, zijn linkerknie, zijn schouder en zijn rug.
2.8.
De vorenbedoelde trap was door Kruiswijk geplaatst.
2.9.
HDI is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Kruiswijk en heeft namens Kruiswijk de aansprakelijkheid voor het tweede ongeval erkend. Vervolgens heeft HDI de schaderegeling overgenomen van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de formele werkgever van [eiser] (verder: ASR).
2.10.
Direct na het tweede ongeval is [eiser] naar de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum gebracht. Daar is die dag onder meer een röntgenfoto van zijn linkerknie gemaakt. Op die röntgenfoto is een verkalking (calcificatie) in de mediale band van de linkerknie te zien (een Pelllegrini-Stieda laesie). Die verkalking is op 9 november 2018 operatief verwijderd.
2.11.
[eiser] heeft na het tweede ongeval zijn werkzaamheden niet meer hervat.
2.12.
[eiser] en HDI c.s. hebben gezamenlijk expertises ingewonnen bij plastisch chirurg [naam 1] (hierna: [naam 1]) voor de hand- en polsklachten van [eiser] en bij orthopeed [naam 2] (hierna: [naam 2]) voor [eiser] knie-, schouder-, pols- en rugklachten.
2.13.
In het op 16 november 2022 uitgebrachte expertiserapport van [naam 2] staat, voor zover hier van belang:
“ […]
De rapportage vindt plaats ter beoordeling van de gevolgen op orthopedisch chirurgisch vakgebied van het ongeval dat betrokkene op 22.01.2018 overkwam.
[…]
ANAMNESE
[…]
Huidige klachten en beperkingen
[…]
Betrokkene heeft eerder een ongeval doorgemaakt in december 2015. […] Er liep een letselschadezaak tegen de aannemer. Men wilde de zaak afwikkelen en de betrokkene zou naar deze afspraak gaan toen het huidige ongeval van 22.01.2018 hem overkwam.
Voor het ongeval van 22.01.2018 was betrokkene weer volledig werkzaam en werkte hij ongeveer 60 uur per week in steigers en als beveiliger in de horeca. Betrokkene geeft aan dat hij volledig klachtenvrij was voor het ongeval van 22.01.2018.
[…]
RELEVANTE CORRESPONDENTIE
[…]
d.d. 18.03.2019: brief van J. Blokland, huisarts te Moordrecht gericht aan Moree Gelderblom Advocaten te Rotterdam.
Antwoord op verzoek tot informatie omtrent betrokkene.
[…]
09.01.2018: aanhoudende klachten linkerknie, OK meer dan een jaar geleden. Pijn mediale gewrichtsspleet.
23.01.2018: distorsie pols en knie links zonder ossale afwijkingen.
[…]
BEANTWOORDING VAN DE DOOR U GESTELDE VRAGEN
1. De situatie met ongeval
[…]
Diagnose
Vraag f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Antwoord:
Diagnose op orthopedisch chirurgisch vakgebied
Een mogelijk doorgemaakte laterale claviculafractuur linkerschouder met
geobjectiveerde bewegingsbeperking gerelateerd aan het ongeval van
22.01.2018.
Oud mediaal bandletsel uit december 2015 van de linkerknie waardoor
Pellegrini Stieda calcificatie is ontstaan, waarvoor een resectie plaatsvond waarna milde instabiliteit is ontstaan van de mediale band, niet gerelateerd aan het ongeval van 22.01.2018.
Beperkingen
Vraag g.
Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Antwoord: […]
Beperkingen bij de activiteiten die door mij aannemelijk worden geacht. Bij het beantwoorden van deze vraag baseer ik mij op het lichamelijk onderzoek zoals verricht bij betrokkene. Dit kan dus sterk verschillen met de klachten en beperkingen zoals ervaren door betrokkene:
Zitten: niet beperkt.
Staan: niet beperkt.
Lopen: licht beperkt door de milde instabiliteit van de linkerknie.
Traplopen: matig beperkt door de milde bewegingsbeperking en instabiliteit van de linkerknie.
Klimmen en klauteren: ernstig beperkt door een combinatie van schouder, pols en knie beperkingen.
Knielen, kruipen en hurken: matig beperkt door de milde bewegingsbeperking in de linkerknie.
Gebogen werken: niet beperkt.
Bukken en torderen: niet beperkt.
Het gebruik van de nek: niet beperkt.
Reiken: ernstig beperkt door de bewegingsbeperking in de schouder.
Handen boven schouderhoogte werken: volledig beperkt door de bewegingsbeperking in de schouder.
Tillen: matig beperkt door een combinatie van pols en schouder beperkingen.
Duwen en trekken: matig beperkt door een combinatie van pols, schouder en knie beperkingen.
Dragen: matig beperkt door een combinatie van pols, schouder en knie beperkingen.
[…]
2. De situatie zonder ongeval
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
Vraag a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
Antwoord: Voor het ongeval bestonden er bij betrokkene klachten en afwijkingen op orthopedisch chirurgisch vakgebied die betrokkene thans nog steeds heeft.
Vraag b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Antwoord: […]
Het doorgemaakte letsel is
deelsterug te voeren op het ongeval d.d. 22.01.2018.
[…]
Wat betreft de linker knie zijn er twee duidelijk gedocumenteerde letsels.
Het letsel uit december 2015 is goed gedocumenteerd, er was destijds duidelijke pijn aan de mediale zijde van de linkerknie. De traumafoto’s van de linkerknie op 22.01.2018 laten een Pellegrini Stieda laesie zien. Dit is een calcificatie die ontstaan in de aanhechting van de mediale band als reactie op een trauma. Deze afwijking heeft dus tijd nodig om te ontstaan en is daarmee typerend voor een eerder doorgemaakt letsel.
Het trauma van 22.01.20118 heeft wel nieuwe pijnklachten veroorzaakt aan de mediale zijde van de linkerknie. Dit kan goed berusten op een nieuw letsel van de mediale band. Uit de documentatie komt naar voren dat dit niet heeft geleid tot instabiliteit van de knie. Er is besloten om de calcificatie operatief te verwijderen. Hiermee is er dus een deel van de aanhechting van de mediale band losgemaakt anders kan deze calcificatie, die zich in de band bevindt, niet worden verwijderd.
Uit de correspondentie komt naar voren dat er voor deze operatie geen instabiliteit was van de mediale band. De thans gevonden milde instabiliteit van de mediale band kan worden verklaard door het losmaken van de band bij het verwijderen van de calcificatie. De causaliteit met het eerste ongeval van december 2015 is duidelijk. Na dat letsel is de calcificatie in de mediale band ontstaan. Dat er nu een operatie heeft plaatsgevonden aan de calcificatie moet dit aan dit letsel uit 2015 gerelateerd worden.
Concluderend is er een mogelijk doorgemaakte laterale claviculafractuur
linkerschouder met geobjectiveerde bewegingsbeperking gerelateerd aan het ongeval van 22.01.2018.
Oud mediaal bandletsel uit december 2015 van de linkerknie waardoor
Pellegrini Stieda calcificatie is ontstaan, waarvoor een resectie plaatsvond, waarna milde instabiliteit is ontstaan van de mediale band, niet gerelateerd aan het ongeval van 22.01.2018.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
Vraag c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
Antwoord: Er zijn geen aanwijzingen dat er soortgelijke klachten en afwijkingen zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen.
Vraag d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Antwoord: Door het ongeval van 22.01.2018 heeft betrokkene opnieuw klachten gekregen van zijn linkerknie. Dit heeft geleid tot een operatie aan een calcificatie in de mediale bandaanhechting, die is ontstaan na het ongeval van 2015. Zonder het nieuwe ongeval was er waarschijnlijk geen aandacht ontstaan voor deze calcificatie.
[…]”
2.14.
Op 15 juli 2024 stuurde de advocaat van [eiser] een e-mail aan de advocaat van HDI c.s. en het door Zurich ingeschakelde schaderegelingsbureau. Hierin schreef zij, voor zover hier van belang:
“[…]
Door beide verzekeraars is erkend dat zij schadevergoedingsplichtig zijn. In beide zaken is echter nog geen regeling bereikt, omdat het causaal verband problematisch wordt gevonden, in het bijzonder ten aanzien van de knieklachten.
[…]
Voor de vordering van cliënt is van belang of hij de ongevallen weggedacht deze invaliderende knieklachten ook zou hebben gehad. Het antwoord is: nee. Zonder het ongeval in 2015 geen calcificatie, zonder het ongeval in 2018 geen last gekregen van deze calcificatie en geen operatie die tot instabiliteit heeft geleid met […] beperkingen tot gevolg, waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden. Cliënt heeft dus recht op volledige schadevergoeding, waarbij het hem niet uitmaakt wie die betaalt. […]”
2.15.
HDI en Zurich hebben hierna gecorrespondeerd over het oppakken van de zaak als regelend verzekeraar, maar hebben geen van beiden die taak op zich genomen.
2.16.
In een e-mail aan de advocaat van Zurich c.s. van 28 maart 2025 reageerde de advocaat van HDI c.s. op het voorstel van de medisch adviseur van Zurich c.s. om een afrondende orthopedische expertise te verrichten met het tegenvoorstel om [naam 2] aanvullende vragen te stellen zodat niet een geheel nieuwe expertise behoeft plaats te vinden. In reactie hierop deelde de advocaat van Zurich c.s. mee geen aanleiding te zien voor een nieuwe expertise of het stellen van aanvullende vragen aan [naam 2].
2.17.
Zurich c.s. hebben voor de schade die [eiser] als gevolg van het eerste ongeval lijdt tot op heden in totaal € 11.500,00 aan [eiser] betaald.
2.18.
HDI c.s. hebben voor de schade die [eiser] als gevolg van het tweede ongeval lijdt tot op heden in totaal € 191.018,00 aan [eiser] betaald.

3.Het verzoek en de verweren

3.1.
[eiser] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
I. Primair
voor recht te verklaren:
 dat HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (nader vast te stellen) door [eiser] geleden en nog te lijden volledige schade als gevolg van het eerste ongeval en het tweede ongeval;
 dat HDI dan wel Zurich als regelend verzekeraar de volledige schade van [eiser] dient te vergoeden;
Subsidiair:
voor recht te verklaren dat HDI c.s. en Zurich c.s. ieder gehouden zijn 50% van de (nader vast te stellen) door [eiser] geleden en nog te lijden volledige schade als gevolg van het eerste ongeval en het tweede ongeval te vergoeden, dan wel ieder een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage dat in totaal 100% bedraagt;
II. HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk dan wel in een door de rechtbank te bepalen verhouding te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 100.000,00;
III. HDI c.s. te veroordelen tot het betalen van openstaande buitengerechtelijke kosten van € 7.462,45;
IV. Zurich c.s. te veroordelen tot het betalen van openstaande buitengerechtelijke kosten van € 1.450,19;
V. de kosten van het deelgeschil te begroten op € 11.313,50, inclusief btw en griffierecht, en HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan.
3.2.
HDI c.s. en Zurich c.s. verzetten zich tegen toewijzing van de verzoeken voor zover die hun aangaan.

4.De beoordeling

Het verzoek sub II is niet geschikt voor behandeling in een deelgeschil; de overige verzoeken zijn dat wel
4.1.
[eiser] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. Dit artikel geeft een persoon de mogelijkheid om, indien die persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdenschade.
4.2.
In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). Daarbij moet de rechtbank ook beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.
4.3.
HDI c.s. en Zurich c.s. hebben betoogd dat de verzochte beslissingen op die grond moeten worden afgewezen omdat de aan de orde zijnde vragen bewijslevering vergen.
4.4.
De rechtbank wijst het verzoek om [eiser] een aanvullend voorschot van
€ 100.000,00 toe te kennen af omdat op dit moment een beslissing daarover, gelet op de daarmee gemoeide tijd en kosten, onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. [eiser] heeft namelijk geen feiten gesteld waaruit volgt dat op het punt van de bevoorschotting op zijn schade sprake is van een impasse waardoor de onderhandelingen tussen partijen zijn gestokt. Daarbij komt dat de belangrijkste schadepost van [eiser] zijn verlies aan verdienvermogen is en dat hij bij de begroting daarvan als uitgangspunt hanteert dat hij sinds het tweede ongeval volledig arbeidsongeschikt is. Op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank echter geen uitspraak doen over de mate waarin de door de beide ongevallen veroorzaakte klachten hem beperken in zijn mogelijkheden om loonvormende arbeid te verrichten. Daarvoor is eerst een onderzoek door verzekeringsarts en/of arbeidsdeskundige nodig. Partijen zijn het daar ook over eens en vanwege de daarmee gemoeide tijd, geld en moeite is voor die onderzoeken in dit deelgeschil geen plaats.
4.5.
Ten aanzien van de overige verzoeken van [eiser] volgt de rechtbank het voormelde betoog van HDI c.s. en Zurich c.s. niet. Duidelijk is dat er een impasse bestaat als het gaat om de aansprakelijkheid van HDI c.s. en/of Zurich c.s. voor de schade die [eiser] door zijn huidige knieklachten lijdt en de vraag of één van hen als regelend verzekeraar dient op te treden. Verder is vergoeding van openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand van belang voor de continuïteit van de rechtsbijstand aan [eiser] en is duidelijk dat er tussen [eiser] en ieder van de verzekeraars een meningsverschil bestaat als het gaat om het recht van [eiser] daarop. Een beslissing op deze geschilpunten kan een bijdrage leveren aan het vlottrekken van de onderhandelingen over de schade die [eiser] door de beide ongevallen lijdt, welke onderhandelingen uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een of meer vaststellingsovereenkomsten.
4.6.
De rechtbank zal daarom de onder 3.1. sub I, III, IV en V vermelde verzoeken hierna inhoudelijk bespreken.
HDI c.s. en Zurich c.s. zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt door de huidige klachten aan zijn linkerknie
4.7.
[eiser] baseert de hoofdelijke aansprakelijkheid van HDI c.s. en Zurich c.s. op art. 6:99 BW. Hij stelt dat zijn schade zowel het geval kan zijn van het eerste als van het tweede ongeval en dat ten minste één van deze ongevallen die schade heeft veroorzaakt.
4.8.
HDI c.s. spreken tegen dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 6:99 BW. Zij menen dat de knieklachten van [eiser] uitsluitend een gevolg zijn van het eerste ongeval, omdat hij zich ook aan de verkalking in zijn knie zou hebben laten opereren als het tweede ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. HDI c.s. voeren daartoe aan dat:
  • [eiser] volgens het huisartsenjournaal op 9 januari 2018 naar een orthopeed is verwezen wegens aanhoudende klachten aan zijn linkerknie;
  • de verkalking in die knie ook zou zijn ontdekt als het tweede ongeval niet had plaatsgevonden en het geplande bezoek aan de orthopeed was doorgegaan;
  • de aanhoudende knieklachten van [eiser] niet spontaan zouden zijn verdwenen.
HDI c.s. bieden aan dat te bewijzen door het inwinnen van een aanvullend deskundigenbericht van [naam 2] door middel van het stellen van aanvullende vragen.
4.9.
Zurich c.s. spreken ook tegen dat art. 6:99 BW van toepassing is en doen voor zover nodig een beroep op de tenzij-bepaling van dat artikel. Zurich c.s. menen dat de schade die voortvloeit uit het eerste ongeval duidelijk is te onderscheiden van de schade die het gevolg is van het tweede ongeval. In hun visie heeft het eerste ongeval geleid tot tijdelijke knieklachten en arbeidsongeschiktheid, waarna [eiser] volledig is hersteld en tot het tweede ongeval klachtenvrij is gebleven. Ook betwisten Zurich c.s. dat de verkalking in de linkerknie het gevolg is van het eerste ongeval. Verder is volgens Zurich c.s. niet voldaan aan het vereiste dat het eerste ongeval de volledige schade, zoals die na het tweede ongeval is ontstaan, heeft kunnen veroorzaken.
4.10.
De rechtbank oordeelt dat art. 6:99 BW van toepassing is op het gedeelte van de schade die voortvloeit uit de huidige knieklachten van [eiser]. HDI c.s. en Zurich c.s. zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor die schade, nu zij (op dit moment) niet hebben aangetoond dat de huidige knieklachten niet zijn veroorzaakt door het ongeval waarvoor zij aansprakelijk zijn. De rechtbank licht dit toe als volgt.
4.11.
In beginsel moet een benadeelde die schade lijdt door een gebeurtenis waarvoor hij een ander aansprakelijk houdt feiten stellen waaruit volgt dat zijn schade het gevolg is van die gebeurtenis en moet hij die feiten bewijzen indien de ander deze met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel art. 150 Rv.) Dit ligt anders in het geval dat de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen, maar niet vaststaat door welke zij is veroorzaakt. Voor dat geval bepaalt art. 6:99 BW namelijk dat ieder van de potentiële veroorzakers van de schade aansprakelijk is, tenzij hij bewijst dat deze niet door zijn daad is veroorzaakt.
4.12.
Voor de toepassing van art. 6:99 BW is vereist dat vast staat dat de aangesprokenen ieder aansprakelijk zijn voor een gebeurtenis die de gehele schade van de benadeelde kan hebben veroorzaakt en dat de schade het gevolg is van tenminste één van die gebeurtenissen. De gebruikte term ‘de gehele schade’ betekent echter niet dat art. 6:99 BW niet toepasselijk is in een geval dat een gedeelte van de schade een gevolg kan zijn van verschillende gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, terwijl vaststaat dat dat gedeelte door elk van die gebeurtenissen kan zijn ontstaan. Dit gedeelte van de schade is dan hetgeen waarop de regel van art. 6:99 BW ziet en genoemde personen zijn dan ook voor het geheel van dat gedeelte aansprakelijk. Zij zijn niet, althans niet op grond van art. 6:99 BW, aansprakelijk voor het resterende deel van de schade dat niet het gevolg kan zijn van beide gebeurtenissen.
4.13.
Omdat hij zich op de toepasselijkheid van art. 6:99 BW beroept moet [eiser] feiten stellen waaruit volgt dat aan de onder 4.12 vermelde vereisten wordt voldaan en die feiten bewijzen indien HDI c.s. en/of Zurich c.s. ze met goede argumenten tegenspreekt.
4.14.
Vast staat dat [eiser] door het eerste ongeval uitsluitend klachten aan zijn linkerknie kreeg. Daarmee is gegeven dat Zurich c.s. niet aansprakelijk zijn voor de schade die voortvloeit uit klachten aan andere gewrichten en lichaamsdelen die [eiser] na het tweede ongeval had, zoals zijn linkerpols en -hand, ribben, schouder en rug.
4.15.
Voor wat betreft de schade die voortvloeit uit de huidige knieklachten van [eiser] is wel voldaan aan de eisen voor toepassing van art. 6:99 BW. De rechtbank baseert dit op het volgende.
4.16.
Niet ter discussie staat dat [eiser] blijvende klachten aan de linkerknie heeft in de vorm van een milde instabiliteit en dat die instabiliteit het gevolg is van de operatieve verwijdering van de verkalking in de mediale band van de linkerknie.
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de verkalking in de mediale band van de linkerknie het gevolg is van het eerste ongeval. Tussen HDI c.s. en [eiser] staat dat niet ter discussie en het vindt steun in het orthopedisch expertiserapport van [naam 2]. Zurich c.s. zijn niet betrokken bij de totstandkoming van dat rapport en daarom niet aan de zienswijze van [naam 2] gebonden. Dit neemt niet weg dat de zienswijze van [naam 2] ook ten opzichte van hen bewijs oplevert als zij die niet met goede argumenten tegenspreken. Zurich c.s. hebben dat onvoldoende gedaan. Zij hebben weliswaar aangevoerd dat de verkalking ook kan zijn veroorzaakt door diverse botbreuken die [eiser] in zijn jeugd opliep of een val op zijn linkerbeen circa 20 jaar voor het ongeval, maar hebben dat onvoldoende gemotiveerd. Zurich c.s. hebben namelijk niet weersproken dat de botbreuken van [eiser] slechts een arm, een enkel en zijn neus betroffen. In het licht van deze feiten lag het op de weg van Zurich c.s. om te onderbouwen dat de gestelde eerdere incidenten niettemin als alternatieve oorzaken van verkalking dienen te worden aangemerkt, maar dat hebben Zurich c.s. nagelaten.
4.18.
Vast staat dat de verkalking vanwege pijnklachten operatief is verwijderd. Onduidelijk is of die pijnklachten door het eerste ongeval of het tweede ongeval zijn veroorzaakt. Het tweede ongeval kan nieuwe pijnklachten aan de linkerknie hebben veroorzaakt, zoals [naam 2] tot uitgangspunt heeft genomen. Het kan echter zijn dat [eiser] ook aanhoudende pijnklachten aan zijn linkerknie zou hebben gehad indien het tweede ongeval zich niet zou hebben voorgedaan. Vast staat namelijk dat de huisarts [eiser] op 9 januari 2018 [eiser] heeft doorverwezen naar een orthopeed en in verband daarmee in het huisartsenjournaal
“S/aanh klachten li knie, OK meer dan jaar geleden O/pijn med gewrichtsspleet” heeft genoteerd.
4.19.
HDI c.s. zijn in beginsel aan de zienswijze van [naam 2] gebonden. Dat neemt niet weg dat zij met instemming van [eiser] aanvullende vragen aan [naam 2] kunnen stellen. Begrijpelijk is dat HDI c.s. in het licht van de voormelde notitie van de huisarts en het antwoord van [naam 2] op de vraag 2d daaraan behoefte hebben. [eiser] ziet dat kennelijk ook zo, aangezien hij bereid is om daaraan mee te werken.
4.20.
Zurich c.s. spreken tegen dat [eiser] zonder het tweede ongeval aanhoudende pijnklachten aan zijn linkerknie zou hebben gekregen. Zij beroepen zich daarbij op de stelling van [eiser] dat hij voor het tweede ongeval klachtenvrij was en dat de huisarts genoemde notitie slechts heeft gemaakt omdat [eiser] een second opinion wilde in verband met de afwikkeling van de schade door het eerste ongeval tegen finale kwijting. Ook voeren zij aan dat [naam 2] heeft bevestigd dat er geen aanwijzingen zijn dat er door het eerste ongeval soortgelijke klachten of afwijkingen zouden zijn geweest of hadden kunnen ontstaan. Daarmee doelen Zurich c.s. kennelijk op het antwoord van [naam 2] op vraag 2c. Zij gaan er daarbij echter aan voorbij dat [naam 2] ter toelichting op dat antwoord in zijn antwoord op vraag 2d heeft geschreven dat zonder het tweede ongeval er waarschijnlijk geen aandacht was ontstaan voor de verkalking. Gezien in het licht van het feit dat [eiser] kort voor het tweede ongeval door zijn huisarts is doorverwezen naar een orthopeed roept dit vragen op. Zoals hiervoor is overwogen, is het begrijpelijk dat HDI c.s. met instemming van [eiser] in dat verband nadere vragen aan [naam 2] wil stellen. Aan het rapport van [naam 2] kan daarom op dit punt vooralsnog niet het bewijs worden ontleend dat het eerste ongeval de huidige knieklachten niet heeft veroorzaakt.
4.21.
Uit dit alles volgt dat in dit deelgeschil moet worden geoordeeld dat de huidige knieklachten van [eiser] het gevolg van het tweede ongeval, maar ook het gevolg van het eerste ongeval kunnen zijn en dat die klachten tenminste het gevolg zijn van één van beide ongevallen. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor toepassing van artikel 6:99 BW.
4.22.
Dit betekent dat HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van de huidige knieklachten van [eiser]. In de onderlinge verhouding tussen HDI c.s. en Zurich c.s. moet worden vastgesteld in hoeverre zij in de schadevergoeding dienen bij te dragen. In dat verband zal nadere bewijslevering kunnen plaatsvinden. Aan [eiser] kunnen HDI c.s. en Zurich c.s. evenwel niet tegenwerpen dat zij (mogelijkerwijs) niet voor de volledige schade hoeven op te komen. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
Zurich moet optreden als regelend verzekeraar
4.23.
[eiser] baseert zijn verzoek om HDI of Zurich aan te wijzen als regelend verzekeraar die zijn volledige schade moet vergoeden op bedrijfsregeling 7 van het Verbond van Verzekeraars (verder: de bedrijfsregeling). Hij stelt dat hij belang bij die aanwijzing heeft omdat daarmee wordt voorkomen dat hij van het kastje naar de muur wordt gestuurd.
4.24.
HDI verzet zich tegen het verzoek om haar als regelend verzekeraar aan te wijzen. Zij meent dat naar analogie van artikel 5 lid 2 van de bedrijfsregeling Zurich met die taak moet worden belast omdat Zurich de verzekeraar is van het eerste ongeval. Daarvoor bestaat volgens HDI te meer reden omdat uit de houding van Zurich volgt dat zij niet bereid is om te participeren voor het deel waarvoor zij en haar verzekerde aansprakelijk zijn indien HDI ook schade vergoedt die het gevolg is van het eerste ongeval.
4.25.
Zurich verzet zich tegen het verzoek om haar als regelend verzekeraar aan te wijzen. Zij meent dat de bedrijfsregeling niet van toepassing is omdat er geen sprake is van aansprakelijkheid voor dezelfde schade. Daarnaast voert zij aan dat HDI al feitelijk als regelend verzekeraar is opgetreden. Verder zou het aanwijzen van Zurich als regelend verzekeraar leiden tot een onredelijke en onbegrijpelijke situatie, waarbij zij aansprakelijk wordt gehouden voor letsel en schade waarvoor zij in het geheel niet verantwoordelijk is.
4.26.
De rechtbank wijst Zurich aan als regelend verzekeraar die de volledige schade van [eiser] moet vergoeden en licht dit toe als volgt.
4.27.
In artikel 5 van de bedrijfsregeling staat, voor zover hier van belang:
“1. Niet verwijzen
Indien een schuldloze door twee of meer verkeersongevallen letsel heeft opgelopen en op voorhand niet direct is vast te stellen welk letsel is toe te rekenen aan de te onderscheiden ongevallen, is het de betrokken W.A. verzekeraars niet toegestaan voor de regeling van (een deel) van de schade naar elkaar te verwijzen.
2. Actieve schaderegeling
Zodra één van de betrokken verzekeraars kennis krijgt van voornoemde meervoudige veroorzaking, ontstaat de verplichting voor deze om in overleg met de andere verzekeraar(s) te treden teneinde overeenstemming te verkrijgen over het feit wie als regelend verzekeraar zal optreden. Als dit overleg niet binnen een maand na het eerste contact tussen de betrokken verzekeraars heeft geleid tot een overeenstemming, zal de verzekeraar van de veroorzaker van het eerste ongeval optreden als regelend verzekeraar.
[…]”
4.28.
Niet ter discussie staat dat HDI en Zurich gebonden zijn aan de bedrijfsregeling en dat art. 5 van deze regeling analoog kan worden toegepast bij andere ongevallen dan verkeersongevallen.
4.29.
Vast staat dat [eiser] bij beide ongevallen letsel heeft opgelopen en dat op dit moment niet direct kan worden vastgesteld aan welk van de beide ongevallen het letsel aan de linkerknie is toe te rekenen. Art. 5 van de bedrijfsregeling is daarom (analoog) van toepassing op het eerste en tweede ongeval.
4.30.
De afwikkeling van de schade stagneert door de discussie tussen HDI en Zurich over de vraag aan welk ongeval de huidige klachten aan de linkerknie van [eiser] moeten worden toegerekend. Aldus gaat die discussie ten koste van [eiser]. Art. 5 van de bedrijfsregeling heeft tot doel om een dergelijke situatie te voorkomen. Dit rechtvaardigt dat HDI of Zurich als regelend verzekeraar voor de vergoeding van de volledige schade van [eiser] gaat zorgen.
4.31.
Contact tussen HDI en Zurich heeft niet geleid tot overeenstemming over de vraag wie van hen als regelend verzekeraar zal optreden. Lid 2 van art. 5 van de bedrijfsregeling bepaalt dat in zo’n geval de verzekeraar van de veroorzaker van het eerste ongeval als regelend verzekeraar zal optreden. In dit geval is dat Zurich.
4.32.
Het feit dat het tweede ongeval heeft geleid tot meer letsels dan het eerste ongeval, brengt niet mee dat de toepassing van die tussen verzekeraars geldende regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetzelfde geldt voor het feit dat HDI de regeling van de schade die het gevolg is van het tweede ongeval ter hand heeft genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de behoefte aan een regelend verzekeraar samenhangt met de discussie tussen Zurich en HDI over de vraag aan welk ongeval de huidige knieklachten van [eiser] moeten worden toegerekend. Op voorstellen om langs andere weg uit die discussie te komen, zoals het stellen van aanvullende vragen aan deskundige [naam 2] of een afrondende expertise door een andere deskundige, heeft Zurich afwijzend gereageerd. Verder kan Zurich niet aan HDI tegenwerpen dat HDI tot 15 juli 2024 zelfstandig de afwikkeling van de schade die het gevolg is van het tweede ongeval ter hand heeft genomen. Zurich spreekt namelijk niet tegen dat HDI pas door het rapport van [naam 2] bekend raakte met het eerste ongeval en pas op 15 juli 2024 vernam dat Zurich de daarbij betrokken aansprakelijkheidsverzekeraar was. Dit terwijl Zurich wist van het tweede ongeval en zij ervan op de hoogte was dat de afwikkeling van de schade van het eerste ongeval stillag in afwachting van de afwikkeling van het tweede ongeval.
4.33.
Op grond van dit alles wijst de rechtbank Zurich als regelend verzekeraar aan.
HDI c.s. moeten € 4.994,05 van de openstaande buitengerechtelijke kosten vergoeden
4.34.
[eiser] stelt dat HDI c.s. in gebreke blijven met de vergoeding van zijn kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand en dat de achterstand € 7.462,45 bedraagt. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van dat bedrag.
4.35.
De rechtbank oordeelt dat HDI c.s. € 4.994,05 van de openstaande buitengerechtelijke kosten moet vergoeden en licht dit toe als volgt.
4.36.
Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die een slachtoffer van een ongeval maakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat in de gegeven omstandigheden het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.
4.37.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de omvang van de door de advocaat van [eiser] verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was. HDI c.s. menen dat dit niet het geval is omdat de advocaat van [eiser] meer werkzaamheden dan nodig zou hebben verricht doordat [eiser] tegenover HDI c.s. heeft verzwegen dat zijn eerdere knieklachten het gevolg waren van een ongeval waarvoor een andere verzekeraar aansprakelijk was en dat afwikkeling van die schade nog liep. Ook zou [eiser] onwaarheden hebben verteld en zijn advocaat daardoor meer werkzaamheden hebben verricht dan nodig.
4.38.
Het laatste verwijt volgt de rechtbank niet. De vermeende onwaarheden die [eiser] zou hebben verteld betreffen mededelingen aan de bedrijfsarts en artsen die hem behandelden. Wat daar ook van zij, zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat dit invloed heeft gehad op de omvang van de werkzaamheden van de advocaat van [eiser] en die toelichting hebben HDI c.s. niet gegeven.
4.39.
Het eerste verwijt is naar het oordeel van de rechtbank gegrond. Vast staat dat de afwikkeling van de door het eerste ongeval geleden schade stillag in verband met de afwikkeling van de schade door het tweede ongeval. Voor [eiser] moest daarom duidelijk zijn dat het eerste ongeval van belang kon zijn voor de afwikkeling van de schade die het gevolg is van het tweede ongeval. Dit betekent dat het op zijn weg lag om tegenover HDI (en ASR) openheid van zaken over het eerste ongeval te geven. [eiser] stelt weliswaar dat ASR wel ervan op de hoogte was dat zijn eerdere knieklachten het gevolg waren van een ongeval waarvoor een andere verzekeraar aansprakelijk is, maar hij heeft dat niet onderbouwd. In het bezoekverslag van de door ASR ingeschakelde schaderegelaar is slechts vermeld dat [eiser] eerder knieklachten had. Dat die het gevolg waren van een ongeval valt daarin niet te lezen en het is onwaarschijnlijk dat een schaderegelaar nalaat een dergelijke aan hem gedane mededeling te vermelden. Feiten waaruit volgt dat ASR op andere wijze op de hoogte was van het eerste ongeval en dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat ASR dat met HDI had gedeeld, heeft [eiser] niet gesteld.
4.40.
Uitgangspunt is daarom dat HDI c.s., zoals zij stellen, tot aan het verschijnen van het rapport van [naam 2] onbekend waren met het eerste ongeval en tot 15 juli 2024 onbekend waren met de betrokkenheid van Zurich c.s. Aannemelijk is dat dit van invloed is geweest op de omvang van de werkzaamheden van de advocaat van [eiser], omdat die onbekendheid mede heeft geleid tot de huidige impasse in de schadeafwikkeling en meer correspondentie tussen [eiser] en HDI c.s. Het gaat echter te ver om die impasse volledig aan de voormelde onbekendheid van HDI c.s. toe te rekenen. De impasse houdt namelijk ook verband met het antwoord op vraag 2d in het rapport van [naam 2] en HDI c.s. stellen zelf dat dit antwoord en de doorverwijzing van [eiser] naar een orthopeed op 9 januari 2018 voor haar toenmalige medisch adviseur aanleiding hadden moeten zijn om al in de conceptfase nadere uitleg van [naam 2] te vragen. Dat die medisch adviseur dat niet heeft gedaan, is voor rekening en risico van HDI c.s.
4.41.
HDI c.s. hebben niet weersproken dat de advocaat van [eiser] vanaf januari 2022 tot aan haar werkzaamheden in het kader van dit deelgeschil een uurtarief van € 255,00 exclusief btw (€ 308,55 inclusief btw) hanteerde en dat dit uurtarief redelijk is.
4.42.
HDI c.s. hebben niet aangevoerd dat de openstaande kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand om andere reden dan hiervoor vermeld niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Dat er geen urenspecificaties bij het verzoekschrift waren gevoegd laat onverlet dat HDI c.s. in staat moeten worden geacht om die redenen aan te voeren indien deze zich voordoen. Zij hebben namelijk niet tegengesproken dat bij de ontvangen nota’s van de advocaat van [eiser] urenspecificaties waren gevoegd.
4.43.
Alles overziende begroot de rechtbank het aantal uur dat is gemoeid met de werkzaamheden van de advocaat van [eiser] die niet nodig waren geweest indien HDI c.s. van meet af aan over het eerste ongeval en de betrokkenheid van Zurich c.s. zouden zijn geïnformeerd op 8 uur. Dit betekent dat van het openstaande bedrag van € 7.462,45 slechts
€ 4.994,05 voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets en dat de verzochte vergoeding van openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand tot het laatste bedrag wordt toegewezen.
Zurich c.s. moeten € 1.450,19 aan openstaande buitengerechtelijke kosten vergoeden
4.44.
[eiser] stelt dat Zurich c.s. in gebreke blijven met de vergoeding van een nota voor kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van 1 november 2024 die € 1.450,19 bedraagt. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van dat bedrag.
4.45.
Zurich c.s. spreken tegen dat [eiser] daar recht op heeft. Zij voeren daartoe aan dat de kosten niet zijn onderbouwd met een urenspecificatie, dat de kosten disproportioneel zijn ten opzichte van de daadwerkelijk aannemelijk gemaakte schade en dat de kosten niet voor hun rekening zijn omdat ze betrekking hebben op de periode na het tweede ongeval.
4.46.
De rechtbank oordeelt dat Zurich c.s. het openstaande bedrag van € 1.450,19 moeten vergoeden en licht dit toe als volgt.
4.47.
Het onder 4.36 vermelde uitgangspunt geldt ook hier.
4.48.
De omstandigheid dat de in rekening gebrachte werkzaamheden betrekking hebben op de periode na het tweede ongeval staat er niet aan in de weg dat de kosten daarvan voor rekening van Zurich c.s. kunnen zijn. Bepalend is slechts of ze zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade die het gevolg is van het eerste ongeval. Zurich c.s. hebben niet tegengesproken dat dit het geval was.
4.49.
Als niet gemotiveerd weersproken staat tussen partijen vast dat de door de advocaat van [eiser] in rekening gebrachte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren. Dat er geen urenspecificatie bij het verzoekschrift is gevoegd, leidt niet tot een ander oordeel.
Zurich c.s. hebben namelijk niet tegengesproken dat zij de nota van de advocaat van [eiser] met een urenspecificatie hebben ontvangen. Zij moeten daarom in staat worden geacht in rekening gebrachte werkzaamheden die redelijkerwijs niet nodig waren te benoemen.
4.50.
Zurich c.s. hebben ook niet tegengesproken dat de advocaat van [eiser] vanaf januari 2022 tot aan haar werkzaamheden in het kader van dit deelgeschil een uurtarief van € 255,00 exclusief btw (€ 308,55 inclusief btw) hanteerde en dat dit uurtarief redelijk is.
4.51.
Dit alles leidt tot het oordeel dat Zurich c.s. het openstaande bedrag van € 1.450,19 moeten vergoeden.
Kosten deelgeschil
4.52.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.
4.53.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Uit die maatstaf volgt ook dat indien een deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4.54.
Anders dan HDI c.s. hebben betoogd doet de situatie dat het deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld zich niet voor. Dit volgt uit de toewijzing van een deel van de verzoeken.
4.55.
[eiser] maakt aanspraak op € 11.313,50 inclusief btw en inclusief € 320,00 aan griffierecht. Deze aanspraak is gebaseerd op een tijdsbesteding van in totaal 34 uur tegen een uurtarief van € 275,00 exclusief btw (€ 332,75 inclusief btw).
4.56.
HDI c.s. en Zurich c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij aangevoerd dat 34 uur bovenmatig is. Volgens HDI c.s. is een aantal van 24,5 uren redelijk en volgens Zurich c.s. is slechts 14 uur redelijk.
4.57.
De rechtbank oordeelt dat gelet op de snelheid en efficiëntie die op basis van dat uurtarief en de specialisatie van de advocaat van [eiser] mag worden verwacht de opgegeven tijdsbesteding bovenmatig is. De rechtbank matigt deze daarom als volgt:
  • 12 uur voor het opstellen van het verzoekschrift;
  • 7 uur voor het bestuderen van de verweerschriften en de voorbereiding van de zitting;
  • 5 uur voor het bijwonen van de zitting;
  • 4 uur voor correspondentie e.d. en overleg met de cliënt.
Dit leidt tot een begroting van de bestede tijd op 28 uur.
4.58.
Het door [eiser] betaalde griffierecht bedraagt geen € 320,00 maar € 331,00.
4.59.
Op grond van dit alles begroot de rechtbank de redelijke kosten van het deelgeschil op € 9.648,00 (28 × € 332,75 = € 9.317 + € 331,00) inclusief btw.
4.60.
HDI c.s. en Zurich c.s. zullen overeenkomstig het verzoek van [eiser] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil. Zij hebben namelijk aansprakelijkheid voor het hun aangaande ongeval erkend en zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt door de klachten aan zijn linkerknie.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] lijdt door de huidige klachten aan zijn linkerknie;
5.2.
verklaart voor recht dat Zurich als regelend verzekeraar de volledige schade dient te vergoeden die [eiser] lijdt door het eerste en het tweede ongeval;
5.3.
veroordeelt HDI c.s. tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten tot het bedrag van € 4.994,05;
5.4.
veroordeelt Zurich c.s. tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten van € 1.450,19;
5.5.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.648,00 inclusief btw en veroordeelt HDI c.s. en Zurich c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan, in die zin dat als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen;
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
2515/2537