Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Rechtbank Rotterdam
Eiser is eigenaar van een kantoorpand uit 1908 met drie verdiepingen, verhuurd aan verschillende bedrijven. De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak als één geheel afgebakend en aangemerkt als niet-woning, waarop aanslagen onroerendezaakbelasting zijn opgelegd.
Eiser betoogt dat iedere verdieping als afzonderlijk WOZ-object moet worden beschouwd omdat deze aan verschillende bedrijven wordt verhuurd. De rechtbank oordeelt dat het afsluitbare gedeelte van de kantoorruimtes niet over alle noodzakelijke voorzieningen beschikt, omdat de toiletvoorzieningen zich in het niet-afsluitbare gemeenschappelijke trappenhuis bevinden. Hierdoor is de onroerende zaak juist als één geheel afgebakend.
Daarnaast stelt eiser dat de aanslag voor gebruikers onterecht is opgelegd, omdat hij slechts eigenaar is en niet gebruiker. De rechtbank stelt dat eiser als eigenaar die de verdiepingen verhuurt, als gebruiker wordt aangemerkt en de aanslag terecht is opgelegd.
Ten slotte betwist eiser het belastingtarief voor niet-woningen vanwege een vermeend onevenredig verschil met voorgaande jaren en naastgelegen panden. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd tegen het tarief voor niet-woningen en dat geen sprake is van willekeur of onredelijkheid.
Eiser is het eens met de WOZ-waarde, waardoor de rechtbank de bezwaren tegen de waarderingsmethoden niet behandelt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering en aanslag onroerendezaakbelasting wordt ongegrond verklaard.