ECLI:NL:RBROT:2026:6215
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke opheffing executoriale derdenbeslagen na vernietiging verstekvonnis
In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van conservatoire en executoriale beslagen die door W.V. Work B.V. zijn gelegd wegens een geldvordering. De beslagen zijn gelegd naar aanleiding van een verstekvonnis dat later in verzet is vernietigd, waarbij de vorderingen van W.V. Work zijn afgewezen.
De voorzieningenrechter maakt onderscheid tussen conservatoire beslagen en executoriale beslagen. Conservatoire beslagen blijven gehandhaafd omdat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is en W.V. Work een zwaarwegend belang heeft bij het zekerstellen van haar verhaalsmogelijkheden. Eiser heeft onvoldoende concreet belang bij opheffing van deze beslagen gesteld.
Executoriale beslagen zijn gelegd op basis van het vernietigde verstekvonnis, waardoor de grondslag voor deze beslagen ontbreekt en het handhaven ervan onrechtmatig is. De rechter onderscheidt executoriale beslagen op onroerende zaken, die blijven bestaan, en derdenbeslagen onder een huurder en het UWV, die worden opgeheven vanwege het zwaarwegend belang van eiser bij opheffing.
Vorderingen tot terugbetaling van reeds geïncasseerde bedragen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat partijen elk hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Executoriale derdenbeslagen worden opgeheven, conservatoire en executoriale beslagen op onroerende zaken blijven gehandhaafd.