Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6215

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718163 / KG ZA 26-362
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 RvArt. 430 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke opheffing executoriale derdenbeslagen na vernietiging verstekvonnis

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van conservatoire en executoriale beslagen die door W.V. Work B.V. zijn gelegd wegens een geldvordering. De beslagen zijn gelegd naar aanleiding van een verstekvonnis dat later in verzet is vernietigd, waarbij de vorderingen van W.V. Work zijn afgewezen.

De voorzieningenrechter maakt onderscheid tussen conservatoire beslagen en executoriale beslagen. Conservatoire beslagen blijven gehandhaafd omdat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is en W.V. Work een zwaarwegend belang heeft bij het zekerstellen van haar verhaalsmogelijkheden. Eiser heeft onvoldoende concreet belang bij opheffing van deze beslagen gesteld.

Executoriale beslagen zijn gelegd op basis van het vernietigde verstekvonnis, waardoor de grondslag voor deze beslagen ontbreekt en het handhaven ervan onrechtmatig is. De rechter onderscheidt executoriale beslagen op onroerende zaken, die blijven bestaan, en derdenbeslagen onder een huurder en het UWV, die worden opgeheven vanwege het zwaarwegend belang van eiser bij opheffing.

Vorderingen tot terugbetaling van reeds geïncasseerde bedragen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat partijen elk hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Executoriale derdenbeslagen worden opgeheven, conservatoire en executoriale beslagen op onroerende zaken blijven gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718163 / KG ZA 26-362
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. S.A. Awan,
tegen
W.V. WORK B.V.,
wonend te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J. Meuleman.
Partijen worden hierna [eiser] en W.V. Work genoemd.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen bestaat een geschil over een geldsom die [eiser] al dan niet aan W.V. Work verschuldigd is. W.V. Work heeft ten laste van [eiser] conservatoire en executoriale beslagen doen leggen. [eiser] wil dat deze beslagen worden opgeheven. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen voor een beperkt deel toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 mei 2026, met bijlagen 1 t/m 8;
- producties 1 t/m 11 van W.V. Work;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026;
- de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van beide advocaten.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
De heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en mevrouw [persoon B] (hierna: [persoon B] ) zijn echtgenoten. [persoon A] is de Ultimate Beneficial Owner (hierna: UBO) van W.V.Work.
3.2.
Bij schriftelijke overeenkomst van 19 november 2021 (hierna: Geldlening l) heeft [persoon A] € 500,000,00 tegen een rentepercentage van 3% per jaar geleend aan [eiser] voor de aankoop van het appartementsrecht [adres 1] te Rotterdam. De hoofdsom diende uiterlijk op 20 mei 2022 te worden terugbetaald. Op het appartementsrecht is een eerste recht van hypotheek ten behoeve van [persoon A] gevestigd. [eiser] heeft de hoofdsom niet tijdig terugbetaald.
3.3.
Bij schriftelijke overeenkomst van 21 januari 2022 (hierna: Geldlening 2) heeft [persoon B] € 600,000,00 tegen een rentepercentage van 3% per jaar geleend aan [eiser] voor de aankoop van het appartementsrecht [adres 2] te Rotterdam. De hoofdsom diende uiterlijk op l juli 2022 te worden terugbetaald. Op het appartementsrecht is een eerste recht van hypotheek ten behoeve van [persoon B] gevestigd. [eiser] heeft de hoofdsom niet tijdig terugbetaald.
3.4.
NIBC Direct Hypotheken B.V. (hierna: de bank) heeft op 12 juli 2022 een hypothecaire geldlening van € 930.000,00 verstrekt aan [eiser] . [eiser] heeft daarmee Geldlening l volledig terugbetaald en van Geldlening 2 een bedrag van € 35.363,00 terugbetaald.
3.5.
[persoon A] en [persoon B] hebben hun eerste recht van hypotheek op voornoemde
appartementsrechten uit Geldlening l en Geldlening 2 laten doorhalen ten behoeve van de bank.
3.6.
Bij schriftelijke overeenkomst van 29 juni 2022 hebben [persoon A] en [persoon B] het nog niet terugbetaalde bedrag van € 564.637,00 tegen een rentepercentage van 3,5% per jaar geleend aan [eiser] (hierna: Geldlening 3). De hoofdsom van € 564,637,00 dient volgens deze overeenkomst uiterlijk 72 maanden na ondertekening van deze overeenkomst te worden terugbetaald.
3.7.
Een akte van cessie van 3l december 2023, met [persoon B] , [persoon A] en W.V. Work als partijen, vermeldt onder meer dat de resterende hoofdsom van Geldlening 2 aan W.V. Work wordt gecedeerd. [persoon A] en [persoon B] hebben hiervan mededeling aan [eiser] gedaan.
3.8.
W.V. Work heeft conservatoire beslag doen leggen op verschillende onroerende zaken van [eiser] .
3.9.
Bij verstekvonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam [eiser] op vordering van W.V. Work veroordeeld tot betaling van € 614,318,61, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 3% per jaar over € 564.637,00.
3.10.
Op grond van het verstekvonnis heeft W.V. Work executoriaal derdenbeslag doen leggen onder een huurder van [eiser] en onder het UWV op de UWV-uitkering van [eiser] .
3.11.
[eiser] is in verzet gegaan tegen het verstekvonnis, waarna op 18 februari 2026 (in het vonnis in verzet) het verstekvonnis is vernietigd en de vorderingen van W.V. Work alsnog zijn afgewezen.
3.12.
Tegen het vonnis in verzet is W.V. Work in hoger beroep gegaan. Die procedure loopt thans nog.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – het volgende:
opheffing van het door W.V. Work op onroerende zaken gelegde executoriale beslag, zoals nader omschreven in de dagvaarding;
opheffing van het door W.V. Work op onroerende zaken gelegde conservatoire beslag, zoals nader omschreven in de dagvaarding;
opheffing van het door W.V. Work onder een huurder van [eiser] gelegde executoriale beslag;
opheffing van het door W.V. Work onder het UWV gelegde executoriale beslag;
veroordeling van W.V. Work tot het doen van opgave van de op grond van de gelegde derdenbeslagen al geïncasseerde bedragen;
veroordeling van W.V. Work tot terugbetaling van deze al geïncasseerde bedragen;
veroordeling van W.V. Work in de proceskosten.
4.2.
W.V. Work voert verweer. W.V. Work concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] wil met deze procedure bereiken dat de door toedoen van W.V. Work gelegde beslagen worden opgeheven en dat ook overigens de gevolgen van het (vernietigde) verstekvonnis worden teruggedraaid. Centraal in het betoog van [eiser] staat het vonnis van 18 februari 2026, waarbij het eerdere verstekvonnis is vernietigd en de vorderingen van W.V. Work alsnog zijn afgewezen. Voor het ten uitvoer leggen van dat verstekvonnis heeft in de visie van [eiser] dus nooit een rechtsgrond bestaan. Als gevolg daarvan moeten de naar aanleiding van het verstekvonnis gelegde executoriale beslagen worden opgeheven en moeten de bedragen die W.V. Work door middel van die beslagen al heeft geïncasseerd worden terugbetaald, aldus [eiser] . Ook eerder al gelegde conservatoire beslagen moeten volgens [eiser] worden opgeheven. Uit het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 18 februari 2026 volgt immers dat W.V. Work geen vordering op hem heeft.
5.2.
W.V. Work is het hier niet mee eens. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat [eiser] de vordering van W.V. Work met zoveel woorden heeft erkend. Bovendien is W.V. Work tijdig van het vonnis van 18 februari 2026 in hoger beroep gegaan. Hangende dat hoger beroep dienen de beslagen te blijven liggen, omdat de belangen van [eiser] bij het zekerstellen van verhaalsmogelijkheden zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] bij opheffing van die beslagen.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen slechts toewijsbaar zijn voor zover het betreft de in opdracht van W.V. Work gelegde derdenbeslagen. Dit oordeel motiveert de voorzieningenrechter als volgt.
Conservatoire beslagen: belangenafweging valt uit in het voordeel van W.V. Work
5.4.
De enkele afwijzing van de vordering (bij vonnis van 18 februari 2026) tot zekerheid waarvan conservatoire beslagen zijn gelegd impliceert niet dat die beslagen moeten worden opgeheven. Het vonnis is immers nog niet in kracht van gewijsde gegaan, want de procedure in hoger beroep loopt nog. In een dergelijk geval dienen de belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking genomen moet worden dat een conservatoir beslag er naar zijn aard toe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk is in het geval de vordering wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger in geval van afwijzing van de vordering aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.
5.5.
W.V. Work heeft voorafgaande aan het verstekvonnis verschillende conservatoire beslagen doen leggen op onroerende zaken die eigendom zijn van [eiser] . [eiser] heeft niet (concreet) onderbouwd welk belang hij heeft bij opheffing van deze beslagen. Hij stelt in algemene zin dat de beslagen hem belemmeren in zijn beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van die panden, maar hij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard dat hij niet van plan is de panden te verkopen. Aan het belang bij het hebben van de mogelijkheid om de panden te vervreemden komt daarom weinig gewicht toe. Hiertegenover staat het belang van W.V. Work bij behoud van haar verhaalsmogelijkheden. Dit belang weegt naar zijn aard zwaar. Hieraan doet niet af dat haar vordering op [eiser] in eerste aanleg is afgewezen. Nog afgezien van de inhoudelijke bezwaren die W.V. Work tegen dat vonnis heeft, is in dat kader van belang dat W.V. Work gemotiveerd heeft betoogd dat [eiser] hoe dan ook een aanzienlijke schuld heeft, namelijk ter grootte van de vordering die resteert van de oorspronkelijk door [persoon A] en [persoon B] uitgeleende bedragen. Dat die vordering mogelijkerwijs pas in 2028 opeisbaar wordt en dat W.V. Work wellicht (nog) niet door middel van cessie de rechthebbende op die vordering is geworden doet aan dit alles niet af.
5.6.
Een en ander moet leiden tot het oordeel dat geen grond bestaat voor opheffing van de conservatoire beslagen. De vordering onder ii. wordt daarom afgewezen.
Executoriale beslagen: belangenafweging brengt mee dat deze deels worden opgeheven
5.7.
Na het verstekvonnis heeft W.V. Work ook enkele executoriale beslagen doen leggen. Daartoe was W.V. Work op zichzelf bevoegd, omdat het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (artikel 233 in Pro verbinding met artikel 430 Rv Pro). Als gevolg van de vernietiging van het verstekvonnis geldt echter dat de grondslag voor deze executoriale maatregelen geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Daarmee is gegeven dat W.V. Work onrechtmatig heeft gehandeld door die maatregelen toch te nemen. [1] Het handhaven van de beslagen in weerwil van de vernietiging van het verstekvonnis is daarmee op zichzelf ook onrechtmatig.
5.8.
Ook hier geldt dat een belangenafweging moet plaatsvinden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding (hier: opheffing van de beslagen) bestaat immers alleen reden als aannemelijk is dat de vordering in een bodemzaak zal worden toegewezen en de belangen van de eisende partij bij het treffen van een voorziening zwaarder wegen dan die van de gedaagde partij. Op dit punt ziet de voorzieningenrechter aanleiding om onderscheid te maken tussen de executoriale beslagen op onroerende zaken van [eiser] en de executoriale derdenbeslagen.
5.9.
Voor de executoriale beslagen op de onroerende zaken geldt hetzelfde als overwogen in 5.5. Kort gezegd komt dit erop neer dat [eiser] zijn belang bij opheffing onvoldoende concreet heeft gemaakt, terwijl W.V. Work haar belang bij handhaving van de beslagen juist wel heeft onderbouwd. Op dit punt komt de vordering (onder i.) dus niet voor toewijzing in aanmerking.
5.10.
Wat betreft de derdenbeslagen geldt het volgende. W.V. Work heeft beslag doen leggen onder een huurder van [eiser] op de door deze verschuldigde huurpenningen en onder het UWV op de aan [eiser] verschuldigde uitkering. [eiser] heeft betoogd dat hij de huurpenningen en de uitkering nodig heeft voor zijn levensonderhoud. W.V. Work heeft dit niet betwist en, gelet op de aard van de beslagen vorderingen, ligt dat ook zonder meer voor de hand. Hieruit vloeit logischerwijs voort dat [eiser] een zwaarwegend belang heeft bij opheffing van deze beslagen. W.V. Work heeft hiertegenover onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bijzonder belang heeft bij het handhaven van juist deze beslagen, zeker gelet op het handhaven van beslagen op onroerende zaken.
5.11.
Een en ander brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de derdenbeslagen moeten worden opgeheven. De vorderingen onder iii. en iv. zijn daarom toewijsbaar.
De vorderingen inzake al geïncasseerde bedragen zijn niet toewijsbaar
5.12.
Onder v. vordert [eiser] veroordeling van W.V. Work tot het verstrekken van een overzicht van de bedragen die op grond van de derdenbeslagen al zijn geïncasseerd. W.V. Work heeft hierop gereageerd door productie 11 over te leggen. Dat betreft volgens haar het door [eiser] bedoelde overzicht. Hierop heeft [eiser] niet gereageerd. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat W.V. Work met die productie inderdaad de informatie heeft verstrekt die [eiser] wilde hebben, zodat hij geen belang heeft bij zijn vordering.
5.13.
Met vordering onder vi. wil [eiser] bereiken dat W.V. Work die geïncasseerde bedragen terugbetaalt. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat uit het betoog van [eiser] niet kan worden afgeleid dat is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Volgens vaste rechtspraak geldt voor toewijzing van een geldvordering in kort geding dat die vordering in voldoende mate vaststaat en dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in kort geding, terwijl verder rekening gehouden moet worden met het restitutierisico. [eiser] heeft op deze punten onvoldoende gesteld. Daarop stuit de vordering af.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.14.
Omdat beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd. Partijen dragen dus hun eigen kosten.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
heft op de executoriale beslagen voor zover gelegd (i) onder de huurder van [eiser] (Petrom Industrial Services B.V.) op de door deze aan [eiser] verschuldigde huurpenningen en (ii) onder het UWV op de aan [eiser] verschuldigde uitkering;
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608.