ECLI:NL:RBROT:2026:624

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/10/701994 HA / ZA 25-535
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige hinder door geluids- en stankoverlast tussen buren met betrekking tot het houden van honden

In deze zaak, die zich afspeelt tussen buren in Spijkenisse, is er een geschil ontstaan over geluids- en stankoverlast veroorzaakt door honden. De eisers in verzet, die elf honden houden, zijn in het ongelijk gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de honden van de eisers onrechtmatige hinder veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5:37 en 6:162 BW. De gedaagden, die in een appartement op de begane grond wonen, hebben de eisers gedagvaard omdat zij last ondervinden van de overlast. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eisers het aantal honden moeten terugbrengen tot maximaal drie, met een gefaseerde termijn om dit te realiseren. De rechtbank heeft ook een dwangsom opgelegd voor het geval de eisers niet aan deze beslissing voldoen. De uitspraak is gedaan op 21 januari 2026, na een procedure die begon met een kort geding en een verstekvonnis. De eisers zijn veroordeeld in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk zijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/701994 / HA ZA 25-535
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

2 [eiser 2],

beiden wonende te Spijkenisse,
eisers in het verzet,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. R. Delgado,
tegen

2 [gedaagde 2],

beiden wonende te Spijkenisse,
gedaagden in het verzet,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. A. Rhijnsburger.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de door [gedaagden] op 19 maart 2025 uitgebrachte dagvaarding,
- de akte houdende producties van [gedaagden], ontvangen op 2 april 2025;
- het door deze rechtbank tussen partijen gewezen verstekvonnis van 7 mei 2025 onder zaak- en rolnummer 696847 HA ZA 25-278 (hierna: het verstekvonnis);
- de verzetdagvaarding van 13 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
- de brief van de rechtbank van 15 juli 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- de e-mail van de rechtbank van 17 september 2025, waarbij een zittingsagenda is verstuurd,
- de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Deze zaak speelt tussen buren en gaat over geluids- en stankoverlast door honden. [gedaagden] stellen dat overlast wordt veroorzaakt door de honden van [eisers] en [eisers] zijn het daarmee niet eens. Het debat spitst zich toe op het al dan niet bestaan van onrechtmatige hinder door de honden van [eisers]
In deze procedure krijgen [gedaagden] gelijk.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagden] wonen in een op de begane grond gelegen appartement aan de [adres 1], sinds het jaar 2021. [eisers] wonen in het naastgelegen appartement aan de [adres 2], sinds 2014.
3.2.
[eisers] houden elf honden in hun woning. Zij fokten in het verleden daarmee en hielden toen nog meer honden.
3.3.
Naar aanleiding van geluids- en stankoverlast hebben [gedaagden] een kortgedingprocedure aangespannen. In die procedure vorderden zij dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eisers] veroordeelt om het aantal honden in hun woning terug te brengen tot maximaal drie, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij daaraan niet voldoen,
[eisers] verbiedt harde muziek af te spelen zoals bedoeld in het rapport van Geluidsconsult, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per overtreding.
3.4.
In het vonnis van 20 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam beslist dat een voorlopige voorziening noodzakelijk was. Dit vonnis luidt voor zover hier van belang:
‘’2.3 [gedaagden] hebben de onderneming Geluidsconsult b.v. ingeschakeld om de door hen ervaren geluidsoverlast vast te stellen door middel van een akoestisch onderzoek. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 6 tot en met 21 augustus 2024.
2.4
Op 24 september heeft Geluidsconsult aan de hand van de metingen een rapport uitgebracht. Geluidsconsult heeft in haar rapport geconcludeerd dat sprake is van ontoelaatbare geluidhinder die gekwalificeerd moet worden als Burenlawaaiklasse 3 A.’’
‘’…’’
‘’4.11 Wel is de overlast uit het verleden, en het grote aantal honden dat er nu nog is, voldoende reden voor de volgende maatregelen:
[eisers] mogen per direct niet meer dan 12 honden in en rondom de woning houden;
honden die de woning om welke reden dan ook definitief verlaten, mogen niet worden vervangen;
[eisers] mogen pas weer nieuwe honden nemen als het aantal honden zover is gedaald, dat [eisers] niet meer dan vijf honden in en rondom de woning hebben, inclusief de nieuwe honden.’’
‘’…’’
‘’5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt Van den Engel om honden te houden in en rondom de woning in afwijking van overweging 4.11 van dit vonnis;
bepaalt dat [eisers] vanaf vijf dagen na betekening van dit vonnis, een dwangsom verbeuren van € 100,- per dag dat de onder a opgenomen veroordeling niet wordt nageleefd, met een maximum dwangsom van € 10.000,-;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.’’
3.5.
Op 19 maart 2025 hebben [gedaagden] [eisers] gedagvaard, omdat zij nog steeds last hebben van geluids- en stankoverlast. Zij hebben – samengevat – gevorderd dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot het terugbrengen van het aantal honden in hun woning tot drie, op straffe van een dwangsom en met een proceskostenveroordeling. [eisers] zijn niet verschenen in die bodemprocedure en zijn daarom bij vonnis van 7 mei 2025 door deze rechtbank bij verstek veroordeeld. De vorderingen van [gedaagden] zijn daarbij toegewezen.
3.6.
Het verstekvonnis is op 16 mei 2025 betekend aan [eisers]

4.Het geschil in het verzet

4.1.
Op 13 juni 2025 hebben [eisers] [gedaagden] in verzet gedagvaard. [eisers] vorderen in het verzet – samengevat – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis,
bij wijze van een provisionele voorziening de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het verstekvonnis opschort;
[gedaagden] niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen; en
[gedaagden] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[eisers] betwisten dat hun honden onrechtmatige hinder veroorzaken in de vorm van geluids- en stankoverlast. Daarnaast betwisten zij de objectiviteit en betrouwbaarheid van de bewijsstukken waarop [gedaagden] hun vorderingen baseren.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het verzet is ontvankelijk
5.1.
Het verzet is tijdig ingesteld en ontvankelijk ingevolge artikel 143 lid 2 Rv.
De honden van [eisers] veroorzaken onrechtmatige hinder
5.2.
In deze zaak gaat het om de vraag of de honden van [eisers] zodanige geluids- en stankoverlast veroorzaken dat sprake is van onrechtmatige hinder (artikel 5:37 en 6:162 BW).
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat hinder wordt ervaren niet zomaar leidt tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder. Enige hinder zullen buren immers van elkaar moeten accepteren. Met andere woorden: de subjectieve beleving van in dit geval [gedaagden] dat er sprake is van hinder, is niet voldoende. Wat de één ernstig en storend vindt, kan voor een ander onbeduidend en acceptabel zijn. Het is dan ook nodig om de hinder in voldoende mate objectief vast te stellen voordat getoetst kan worden of ook sprake is van onrechtmatige hinder.
5.4.
Of (objectieve) hinder vervolgens ook als onrechtmatig moet worden beschouwd, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. [1] Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de wederzijdse belangen van partijen. De mogelijkheid en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen (mede gelet op de daaraan verbonden kosten) kan daarbij een rol hebben. [2] Het is aan [gedaagden] als eisers om voldoende te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen dat sprake is van onrechtmatige hinder (artikel 150 Rv). Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs (artikel 149 lid 2 Rv).
5.5.
Ter zitting hebben [eisers] gesteld dat zij op dit moment elf honden houden in hun woning en dat die ook in de tuin komen. Terecht hebben [gedaagden] er op gewezen dat de woning van [eisers] ongeschikt is om zoveel honden te houden. Op grond van feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels kan er van worden uitgegaan dat het houden van elf honden, in een relatief klein appartement met tuin in een woonbuurt waar mensen dicht op elkaar wonen, zorgt voor flinke geluids- en stankoverlast en dus hinder bij de omwonenden. De ervaring leert namelijk dat elf honden bij elkaar veel geluid en stank veroorzaken in de vorm van blaffen, janken, vechten, plassen en poepen en dergelijke. Weliswaar moeten buren het een en ander van elkaar dulden, maar juist het grote aantal honden maakt in deze situatie dat de hinder die voor de omwonenden wordt veroorzaakt, naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangemerkt als onrechtmatig.
5.6.
Daarbij speelt een rol dat [gedaagden] inmiddels al jaren de overlast ervaren, zowel overdag als ’s nachts. Dat de hinder een lange geschiedenis heeft, hebben [eisers] tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. In het verleden hadden zij namelijk meer dan elf honden waarmee zij bedrijfsmatig fokten. [eisers] erkennen dat de honden toen voor veel overlast hebben gezorgd.
5.7.
De rechtbank houdt ook rekening met het vermogensrechtelijk belang van [gedaagden]. Als zij hun woning willen verkopen, moeten zij op basis van hun mededelingsplicht de (potentiële) koper informeren over feiten en omstandigheden die voor de koper belangrijk kunnen zijn (artikel 7:17 BW). In dit geval is het denkbaar dat [gedaagden] moeten melden dat de buren elf honden houden, waardoor de woning mogelijk minder gemakkelijk en/of voor een lagere prijs kan worden verkocht.
5.8.
Dat [eisers] langer dan [gedaagden] wonen op hun adres, dat zij stellen dat andere buren geen hinder ervaren en dat er mogelijk ook nog andere overlast veroorzakende factoren aanwezig zijn, betekent onder deze omstandigheden niet dat [gedaagden] de hinder moeten dulden.
5.9.
Anders dan [eisers] aanvoeren, is er in dit geval geen nader bewijs nodig om aan te tonen dat hun honden onrechtmatige hinder veroorzaken; zie onder 5.4. De beschikbare bewijsstukken hebben een ondersteunende rol. Tijdens de mondelinge behandeling zijn een aantal bewijsstukken en de betrouwbaarheid daarvan aan bod gekomen. Hoewel bepaalde onderdelen van het rapport van Geluidsconsult en de getuigenverklaringen aan de zijde van [gedaagden] mogelijk niet compleet zijn en/of vragen oproepen, ondersteunen deze bewijsstukken wel in enige mate de onrechtmatigheid van de hinder die wordt veroorzaakt door [eisers]
[eisers] mogen maximaal drie honden houden
5.10.
[eisers] moeten er voor zorgen dat de onrechtmatige hinder stopt. Gelet op het grote aantal honden en de lange periode dat de hinder zich voordoet zonder dat mogelijke maatregelen die hinder afdoende hebben weggenomen, blijft nu redelijkerwijs alleen over het flink verminderen van het aantal honden. De vordering van [gedaagden] om het aantal honden terug te brengen tot maximaal drie is daarom in deze situatie toewijsbaar. Nu [gedaagden] in hun dagvaarding hebben gesteld dat zij ook geluids- en stankoverlast in de tuin ervaren, zoals ook op de zitting aan de orde gekomen, dient de vordering om niet meer dan drie honden ‘in de woning’ te houden zo te worden gelezen dat deze ook betrekking heeft op de tuin. De rechtbank zal de vordering op die manier toewijzen.
De rechtbank geeft [eisers] een ruimere termijn
5.11.
De rechtbank realiseert zich dat de toewijzing van de vordering van [gedaagden] grote gevolgen heeft, zeker omdat [eisers] grote dierenliefhebbers zijn. De rechtbank oordeelt daarom dat [eisers] een ruimere termijn moeten krijgen om te voldoen aan de veroordeling om maximaal drie honden te houden. De door [gedaagden] gevorderde termijn van een week acht de rechtbank in dit geval onredelijk kort.
5.12.
[eisers] moeten uiterlijk op 1 juni 2026 maximaal drie honden houden. Zij mogen het hondenaantal geleidelijk afbouwen. Daarbij gelden de volgende termijnen:
  • op 1 maart 2026 mogen [eisers] maximaal negen honden houden;
  • op 1 april 2026 mogen [eisers] maximaal zeven honden houden;
  • op 1 mei 2026 mogen [eisers] maximaal vijf honden houden;
  • op 1 juni 2026 mogen [eisers] maximaal drie honden houden.
5.13.
Het voorgaande houdt in dat [eisers] vanaf februari 2026 maandelijks minstens twee honden moeten verwijderen uit hun woning.
De verhouding van het kortgedingvonnis en het verstekvonnis tot dit vonnis
5.14.
De rechtbank merkt het volgende op over de verhouding tussen aan de ene kant het eerder gewezen kortgedingvonnis van 20 december 2024 en het verstekvonnis van 7 mei 2025 en aan de andere kant dit vonnis. Dit is onder andere relevant voor de dwangsommen die zijn opgelegd in de voornoemde vonnissen.
5.15.
De beslissing in het kortgedingvonnis gold in dit geval tot het moment dat het verstekvonnis is gewezen, dat wil zeggen van 20 december 2024 tot 7 mei 2025. Vanaf 7 mei 2025 gold de beslissing van het verstekvonnis tot het moment van dit eindvonnis, dat wil zeggen 21 januari 2026. Vanaf heden moeten partijen zich houden aan de beslissing van dit vonnis.
Dwangsommen en uitvoerbaarheid bij voorraad
5.16.
De rechtbank wijst de gevorderde dwangsom toe, maar matigt deze naar € 100,00 en verbindt daar een maximum aan van € 8.000,00. [eisers] verbeuren een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat zij de onder 5.12 genoemde termijnen overschrijden.
5.17.
De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat [gedaagden] daar belang bij hebben en [eisers] daar geen (afzonderlijk) verweer tegen hebben gevoerd.
5.18.
Zoals gevorderd wordt de veroordeling voor zover het gaat om de vermindering van het aantal honden hoofdelijk uitgesproken.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
5.19.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagden] procederen op basis van een toevoeging, waardoor er een verlaagd tarief geldt voor het griffierecht. De proceskosten van [gedaagden] worden, met inbegrip van de kosten van de verstekprocedure, begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.496,00
[eisers] hebben geen belang meer bij de provisionele vordering
5.20.
[eisers] hebben in de verzetdagvaarding de rechtbank verzocht door middel van een provisionele voorziening de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het verstekvonnis op te schorten. Op grond van artikel 223 Rv kan in iedere stand van een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, mits de vordering samenhangt met de hoofdvordering. Daarbij geldt het algemene vereiste dat een partij belang heeft bij de gevorderde voorziening.
5.21.
Een provisionele vordering is een incidentele vordering. Volgens artikel 2.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken moet een incident op een duidelijk kenbare wijze in de titel van het processtuk vermeld worden.
5.22.
[eisers] hebben de provisionele vordering vooraf niet aangekondigd in een B-formulier of in de kop van de verzetdagvaarding. Hierdoor is de provisionele vordering pas tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gekomen. De advocaat van [eisers] heeft aangegeven dat zij geen belang meer hebben bij een beslissing op deze incidentele vordering. Om die reden wijst de rechtbank de vordering af. Aan het incident worden geen afzonderlijke proceskosten toegerekend.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vordering van [eisers] af;
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten en begroot deze op nihil;
in de hoofdzaak
6.3.
verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het verstekvonnis, met dien verstande dat de beslissing op de vordering het aantal honden terug te brengen als volgt komt te luiden: veroordeelt [eisers] hoofdelijk het aantal honden dat verblijft in hun woning en tuin uiterlijk op 1 juni 2026 terug te brengen naar drie, waarbij het hondenaantal in de maanden februari, maart, april en mei 2026 maandelijks wordt teruggebracht met twee honden, waarvoor de termijnen gelden zoals onder 5.12 overwogen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat niet aan de veroordeling binnen de voornoemde termijnen wordt voldaan, met een maximum van € 8.000,00;
6.4.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten (van de verstekprocedure en de verzetprocedure samen) van € 1.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] ook de extra nakosten van € 92,00 en de betekeningskosten betalen;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
3961/2083/1694

Voetnoten

1.HR 15 februari 1991,
2.HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823.