ECLI:NL:RBROT:2026:6272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718599 / JE RK 26-764
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en afwijzing verzoek bijzondere curator in jeugdzorgzaak

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een 2-jarige minderjarige bij een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma en stiefopa van vaderszijde. De machtiging was eerder met spoed verleend na een incident waarbij de minderjarige niet op tijd werd opgehaald bij de kinderopvang en een melding van Veilig Thuis over een mogelijk huiselijk geweldincident bij de moeder.

De moeder verzocht zelfstandig om benoeming van een bijzondere curator, een orthopedagoog, om de belangen van de minderjarige te behartigen. De moeder voerde aan dat de spoedmachtiging onterecht was en dat de minderjarige het beste bij de ouders kon blijven, terwijl de vader benadrukte zijn bereidheid tot medewerking en een betere communicatie wenste.

De kinderrechter oordeelde dat de situatie rondom de moeder, waaronder psychische problemen en een incident met politiebetrokkenheid, de veiligheid en het welzijn van de minderjarige in gevaar bracht. Gezien de kwetsbaarheid van de situatie en het belang van de minderjarige werd de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator werd afgewezen omdat geen aanwijzingen waren dat de GI de belangen onvoldoende behartigde.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd en het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718599 / JE RK 26-764
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. K. Logtenberg, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het verweerschrift van de moeder, met het zelfstandige verzoek, en bijlagen van 1 mei 2026.
1.2.
Op 4 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma en stiefopa vaderszijde (vz).
2.3.
Bij beschikking van 16 juli 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 16 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 13 april 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI van 20 maart 2026 om een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlenen, aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 21 april 2026 heeft de kinderrechter met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma en stiefopa vz, verleend met ingang van 21 april 2026 tot 19 mei 2026.

3.De (aangehouden) verzoeken

Het aangehouden verzoek van de GI
3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma en stiefopa vz, (aansluitend) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het zelfstandige verzoek van de moeder
3.2.
In het verweerschrift van de moeder van 1 mei 2026 is het zelfstandige verzoek gedaan om een bijzondere curator te benoemen, te weten een orthopedagoog.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De GI heeft op
14 april 2026 een melding van Veilig Thuis ontvangen over een incident dat op 4 april 2026 bij de moeder heeft plaatsgevonden en waarbij de politie ter plaatse is gekomen. Verder ontving de GI op 20 april 2026 vanuit de kinderopvang het bericht dat [voornaam minderjarige] door de moeder zou worden opgehaald, maar dat de moeder dat niet had gedaan. Deze gebeurtenissen hebben ertoe geleid dat er een spoedverzoek is ingediend. De GI heeft voorafgaand aan het spoedverzoek weliswaar geen contact met de moeder opgenomen, maar zag daar ook geen aanleiding toe, omdat de moeder over een langere periode onbereikbaar voor de GI was. De GI heeft de moeder wel een e-mail gestuurd. Er is daarnaast sprake van een patroon waarin transparantie ontbreekt en er dingen niet worden besproken die wel van belang zijn. Zo is het incident op 4 april 2026 niet door de ouders gemeld tijdens de laatste zitting op 13 april 2026. De GI geeft aan dat er op korte termijn gestart kan worden met Coach-Point. Daarnaast is individuele hulpverlening voor de moeder nog altijd van belang. Over de verslaving van de vader zijn op dit moment geen zorgen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd. Pas op 21 april 2026 heeft de GI voor het eerst contact opgenomen met de moeder en dus nadat de GI het spoedverzoek had gedaan. Het klopt niet dat de moeder niet bereikbaar was op 20 april 2026. Zij is ook niet door de kinderopvang gebeld. Omdat de moeder bezig was met een verhuizing (naar de vader), zou de vader [voornaam minderjarige] ophalen van de kinderopvang. Dat heeft hij ook gedaan. Het had voor de hand gelegen dat de GI op dat cruciale moment contact had opgenomen met de moeder om navraag te doen, maar dat heeft de GI nagelaten. De zorgen die de GI op deze zitting benoemt, zijn geen zorgen die na de vorige zitting ineens zijn ontstaan. Hierop is al verweer gevoerd en tijdens de laatste zitting is het verzoek om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen, ook niet toegewezen. Over de melding van Veilig Thuis wordt naar voren gebracht dat de moeder niet psychotisch was. Wel heeft zij PTSS. De moeder is zelf naar de huisarts gegaan om hulp te vragen. Zij kan binnenkort starten bij de praktijkondersteuner. Door de (strakke) opstelling van de GI, wordt de moeder de ruimte ontnomen om de situatie te verbeteren. De moeder benadrukt dat de kinderopvang geen zorgen heeft over [voornaam minderjarige] zijn ontwikkeling. [voornaam minderjarige] houdt ontzettend veel van zijn ouders en is ook gewoon altijd bij zijn ouders geweest. Sinds de plaatsing bij de oma en stiefopa vz is hij ziek en gaat het slechter met hem. Dat raakt de moeder heel erg. Het is niet in het belang van [voornaam minderjarige] om uit huis te worden geplaatst. De moeder zou wel graag willen dat er hulpverlening komt voor het gezin. De hele gang van zaken omtrent het spoedverzoek maakt dat de spoedbeschikking nooit afgegeven had mogen worden. De moeder verzoekt niet alleen het resterende deel van het verzoek af te wijzen, maar ook om de beschikking van 21 april 2026 te vernietigen. [voornaam minderjarige] zijn thuis is bij zijn ouders en niet bij zijn oma en stiefopa vz, die hij niet heel goed kent. Een bijzondere curator kan de belangen van [voornaam minderjarige] naar voren brengen.
4.3.
Door de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader wil benadrukken dat hij [voornaam minderjarige] die dag wel heeft opgehaald bij de kinderopvang. Dat was slechts kort na sluitingstijd. Daarnaast uit de vader zijn frustratie over de moeizame relatie met de jeugdbeschermer. De vader zou heel graag zien dat er een goed gesprek mogelijk is in het belang van [voornaam minderjarige] en vanuit de situatie dat [voornaam minderjarige] bij zijn moeder is. De vader vertelt ook dat zijn behandeling bij Antes is gestopt, omdat dit niet te combineren was met zijn huidige baan. De vader heeft verder aangegeven nog altijd bereid te zijn om zijn medewerking te verlenen aan urinecontroles.

5.De beoordeling

T.a.v. de machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige]
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De 2-jarige [voornaam minderjarige] is bij beschikking van 21 april 2026 uit huis geplaatst naar aanleiding van een spoedverzoek van de GI. Dit verzoek is kort na de zitting van 13 april 2026 gedaan. De aanleiding was een incident waarbij [voornaam minderjarige] niet op tijd is opgehaald bij de kinderopvang door (één van) de ouders. Daarnaast ontving de GI een dag na de zitting van 13 april 2026 een rapportage van Veilig Thuis over een incident dat op 4 april 2026 bij de moeder thuis heeft plaatsgevonden. De kinderrechter vindt de inhoud van deze rapportage verontrustend, mede in het licht van de zorgen die er al waren over onder meer de mentale en fysieke toestand van de moeder. De kinderrechter begrijpt uit de rapportage van Veilig Thuis dat de politie op 4 april 2026 omstreeks 22.40 uur naar het huis van de moeder is gegaan naar aanleiding van een melding dat er mogelijk huiselijk geweld plaatsvond in de woning van de moeder. Ook zou er hard gegil, het gooien van spullen en geschreeuw van [voornaam minderjarige] te horen zijn. Uit de rapportage leidt de kinderrechter verder af dat de moeder hevig geëmotioneerd was en zij tegen de politie geschreeuwd heeft dat ze in een psychose zat. De vader heeft aan de politie verteld dat de moeder die avond had gedronken, de moeder aan PTSS leed en zij daarom zo reageerde. De kinderrechter begrijpt uit de rapportage dat het voor de politie niet mogelijk was om op dat moment met de moeder in gesprek te gaan.
5.3.
Ook zonder de oorzaak van de hevige emoties van de moeder aan te kunnen wijzen, constateert de kinderrechter een uiterst zorgelijke situatie voor [voornaam minderjarige] die tijdens dit voorval thuis was en het incident daardoor, zo laat op de avond, heeft meegekregen. Er zijn al langere tijd zorgen over de psychische problemen van de moeder en de mate waarin de moeder beschikbaar is voor [voornaam minderjarige] . Naar het oordeel van de kinderrechter onderstreept het incident op 4 april 2026 deze zorgen. Daarbij komt dat de moeder uit haar eigen woning is gezet vanwege een huurachterstand waardoor zij zeer recent en noodgedwongen bij de vader is gaan wonen, terwijl er tussen de ouders in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld en de vader tijdelijk een huisverbod en contactverbod opgelegd heeft gekregen. Daarnaast geldt dat zowel de vader als de moeder te maken hebben (gehad) met verslavingsproblemen. Hoewel de ouders aangeven dat deze problemen niet meer spelen en zij daarin positieve stappen hebben gezet, acht de kinderrechter de situatie in zijn totaliteit bezien te kwetsbaar om [voornaam minderjarige] op dit moment weer thuis te plaatsen. [voornaam minderjarige] kan gelukkig bij zijn oma en stiefopa vz terecht, waar het nu (blijkens de informatie van de GI ter zitting) goed met hem gaat. In de komende periode zal worden gestart met hulpverlening van Coach-Point en daarnaast zal de moeder gaan starten met individuele hulpverlening. De kinderrechter hoopt dat het met deze hulpverlening op termijn weer veilig is voor [voornaam minderjarige] om terug te worden geplaatst.
5.4.
De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
T.a.v. het zelfstandige verzoek van de moeder
5.6.
De kinderrechter ziet op dit moment geen aanleiding om een bijzondere curator voor [voornaam minderjarige] te benoemen. Dat de GI de belangen van [voornaam minderjarige] onvoldoende zou behartigen, is, als dit al een grond zou zijn om tot benoeming van een bijzondere curator over te gaan, niet gebleken.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent aansluitend op de spoedmachtiging een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma en stiefopa vz, met ingang van 19 mei 2026 tot 16 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
6.3.
wijst het zelfstandige verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.