Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlating eiseres van 12 mei 2026, met bijlagen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 26 mei 2026 een verstekvonnis gewezen in een zaak tussen Intrum Nederland B.V. en een consument. De procedure betrof een doorlopend krediet verstrekt door Otto B.V. aan de consument. In een tussenvonnis van 7 april 2026 werd de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd omdat Otto B.V. niet had voldaan aan de verplichting tot het tijdig verstrekken van precontractuele informatie zoals vereist in artikel 7:60 lid 1 BW Pro.
Door de vernietiging van de overeenkomst ontstond een vordering uit onverschuldigde betaling. De consument moet het ontvangen kredietbedrag minus de reeds gedane terugbetalingen aan Intrum terugbetalen. Intrum stelde dat het totaal verstrekte krediet € 323,95 bedroeg en dat de consument € 190,- had terugbetaald, zodat nog een bedrag van € 133,95 openstaat.
De kantonrechter veroordeelde de consument tot betaling van dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening. De gevorderde toeslag van 12% rente bovenop de wettelijke rente werd afgewezen omdat deze was gebaseerd op de vernietigde kredietovereenkomst. Tevens werd de consument veroordeeld in de proceskosten van € 275,35. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Kredietovereenkomst vernietigd en consument veroordeeld tot terugbetaling van €133,95 met wettelijke rente en proceskosten.