Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6306

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
8837523 CV EXPL 20-38261
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kredietovereenkomst wegens ontbreken precontractuele informatie en terugbetaling onverschuldigd krediet

De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 26 mei 2026 een verstekvonnis gewezen in een zaak tussen Intrum Nederland B.V. en een consument. De procedure betrof een doorlopend krediet verstrekt door Otto B.V. aan de consument. In een tussenvonnis van 7 april 2026 werd de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd omdat Otto B.V. niet had voldaan aan de verplichting tot het tijdig verstrekken van precontractuele informatie zoals vereist in artikel 7:60 lid 1 BW Pro.

Door de vernietiging van de overeenkomst ontstond een vordering uit onverschuldigde betaling. De consument moet het ontvangen kredietbedrag minus de reeds gedane terugbetalingen aan Intrum terugbetalen. Intrum stelde dat het totaal verstrekte krediet € 323,95 bedroeg en dat de consument € 190,- had terugbetaald, zodat nog een bedrag van € 133,95 openstaat.

De kantonrechter veroordeelde de consument tot betaling van dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening. De gevorderde toeslag van 12% rente bovenop de wettelijke rente werd afgewezen omdat deze was gebaseerd op de vernietigde kredietovereenkomst. Tevens werd de consument veroordeeld in de proceskosten van € 275,35. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Kredietovereenkomst vernietigd en consument veroordeeld tot terugbetaling van €133,95 met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 8837523 CV EXPL 20-38261
datum uitspraak: 26 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Intrum Nederland B.V.,
te Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders J. Schutte en M. Musen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 7 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte uitlating eiseres van 12 mei 2026, met bijlagen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Deze procedure gaat over een kredietovereenkomst op basis waarvan Otto B.V. aan [gedaagde] een doorlopend krediet heeft verstrekt. In het tussenvonnis van 7 april 2026 heeft de kantonrechter (ambtshalve) de kredietovereenkomst vernietigd, omdat Otto niet heeft voldaan aan de verplichting zoals opgenomen in artikel 7:60 lid 1 BW Pro (het tijdig verstrekken van precontractuele informatie). [gedaagde] moet wel het kredietbedrag dat zij van Otto heeft ontvangen terugbetalen, omdat dat bedrag (vanwege de vernietiging) door Otto onverschuldigd aan [gedaagde] is betaald. Intrum is in de gelegenheid gesteld om opgave te doen van het verstrekte kredietbedrag en de door [gedaagde] gedane (terug)betalingen. Dat heeft zij in haar akte van 12 mei 2026 gedaan.
[gedaagde] moet een hoofdsom van €133,95 betalen
2.2.
Uit de akte van Intrum volgt dat Otto een kredietbedrag van in totaal € 323,95 aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat zij in totaal € 190,- heeft (terug)betaald. Daarom moet [gedaagde] nog € 133,95 aan Intrum betalen. Zij wordt hiertoe veroordeeld.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
2.3.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend. Pas door de vernietiging van de overeenkomst is de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaan, zodat de rente niet eerder dan de datum van het tussenvonnis kan worden toegewezen. [gedaagde] is op dit moment echter nog niet in verzuim. De kantonrechter geeft haar nog een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen. [1]
2.4.
De gevorderde toeslag van 12% per jaar over de wettelijke rente wordt afgewezen, omdat die toeslag is gebaseerd op de kredietovereenkomst en die is vernietigd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] saan Intrum moet betalen op € 86,85 aan dagvaardingskosten, € 124,- aan griffierecht, € 43,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 21,50,- aan nakosten. Dat is in totaal € 275,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Intrum dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend aan Intrum te betalen € 133,95 en als [gedaagde] dit niet doet moet zij over dit bedrag de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro betalen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Intrum worden begroot op € 275,35;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5408