De rechtbank Rotterdam heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van bezit van kinderpornografische afbeeldingen en het beschikken over heimelijk gemaakte seksuele video’s. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het bezit van de kinderpornografische afbeeldingen omdat niet bewezen kon worden dat deze gedurende de ten laste gelegde periode in zijn bezit waren.
Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte heimelijk video’s had gemaakt in zijn eigen badkamer, waarop onder andere zijn eigen minderjarige kinderen naakt te zien waren. Dit vormde een ernstige inbreuk op hun privacy en integriteit. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 150 uur, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn.
De verdachte had geen eerdere veroordelingen en had vrijwillig een behandeling afgerond. De rechtbank legde geen voorwaardelijke gevangenisstraf op gezien de reeds gevolgde behandeling. Daarnaast werd besloten tot teruggave van de meeste in beslag genomen gegevensdragers, behalve één waarvan de verdachte afstand had gedaan.
De straf is gebaseerd op artikelen 9, 22c, 22d en 139h van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak benadrukt de ernst van het heimelijk filmen van naakte personen, zeker wanneer het eigen kinderen betreft, en de impact daarvan op het slachtoffer.