ECLI:NL:RBROT:2026:637

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9057 en ROT 25/9058
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank in inzageverzoek en voorlopige voorziening

In deze zaak heeft verzoekster op 4 september 2025 een aanvraag ingediend voor inzage in haar dossier bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college heeft op 7 november 2025 een deel van het dossier aan verzoekster overhandigd. Verzoekster was echter niet tevreden met de afhandeling van haar inzageverzoek en heeft beroep ingesteld, waarbij zij tevens een voorlopige voorziening heeft gevraagd. De mondelinge behandeling vond plaats op 8 januari 2026, waarbij zowel verzoekster als de gemachtigde van het college aanwezig waren.

De voorzieningenrechter heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat er geen schriftelijke beslissing is genomen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Het college heeft betoogd dat het verzoek van verzoekster niet kan worden gezien als een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, en dat de beslissing op het inzageverzoek geen besluit is in de zin van de Awb. De voorzieningenrechter heeft deze stelling onderschreven en geconcludeerd dat het feitelijk ter beschikking stellen van het dossier niet gelijkgesteld kan worden met een schriftelijke beslissing.

Als gevolg van de onbevoegdheid van de rechtbank, is ook de voorzieningenrechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening. De uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, in aanwezigheid van griffier mr. W.D.F. Oskam, en is openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheden voor hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/9057 en ROT 25/9058
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).

Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft op 4 september 2025 een aanvraag ingediend om inzage in haar dossier. Het college heeft op 7 november 2025 een kopie van (een deel van) het dossier van verzoekster aan haar overhandigd. Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling

2. Omdat nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal in deze uitspraak ook op het beroep worden beslist. [1]
3. Verzoekster is het niet eens met de manier waarop het college haar inzageverzoek heeft afgehandeld.
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is. Het verzoek van verzoekster van 4 september 2025 om inzage in haar dossier kan namelijk niet worden gezien als een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming en dus ook niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De beslissing op het verzoek om inzage is volgens het college ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Er is namelijk geen schriftelijke beslissing genomen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb staat beroep slechts open tegen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het feitelijk ter beschikking stellen van (een deel van) het dossier kan niet met een schriftelijke beslissing in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden gelijkgesteld.
6. De rechtbank is dus onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Als gevolg daarvan is de voorzieningenrechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.