ECLI:NL:RBROT:2026:6371

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717555 / JE RK 26-638
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling minderjarige wegens huiselijk geweld en conflicten ouders

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een bijna 1-jarige minderjarige vanwege zorgen over fysiek en verbaal geweld tussen de ouders. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar wonen gescheiden en hebben een conflict dat de veiligheid en ontwikkeling van het kind bedreigt.

Tijdens de zitting met gesloten deuren werden standpunten van de Raad, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, de moeder en de vader besproken. De Raad en GI benadrukten de noodzaak van intensieve hulpverlening en casemanagement. De moeder erkende de conflictsituatie maar wees op het gedrag van de vader als oorzaak en wilde aanvullend onderzoek. De vader erkende het conflict en werkte mee, maar wilde geen aanvullend onderzoek.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan vanwege de ernstige zorgen over het welzijn en de veiligheid van het kind, mede gelet op politie- en Veilig Thuis-meldingen, huisverboden en een aanhouding van de vader. De ondertoezichtstelling wordt ingesteld voor negen maanden en is direct uitvoerbaar, met het oog op het inzetten van passende hulpverlening en het veilig regelen van omgang.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor negen maanden en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717555 / JE RK 26-638
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.H. Weermijer-Patist, kantoorhoudende te Den Haag,
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [vader] ,
advocaat mr. C.E. Koopmans, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 april 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief met bijlagen van de (advocaat van de) vader van 14 april 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de e-mail van de Raad van 21 april 2026;
  • de brief van de (advocaat van de) moeder van 1 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het verweerschrift met bijlagen van de (advocaat van de) moeder van 18 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Arabische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van A.S. Choukti, tolk in de Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. [minderjarige] is al kort na zijn geboorte blootgesteld aan zowel fysiek als verbaal geweld tussen de ouders, waardoor de politie meermaals betrokken is geweest. De Raad is bezorgd dat het verbale en fysieke geweld een impact heeft gemaakt op het mentale en fysieke welzijn van [minderjarige] . De ouders hebben geen vertrouwen in elkaar en hebben een andere lezing over het geweld en de huisverboden die aan de vader zijn opgelegd. Vanwege hun onderlinge conflict lukt het de ouders niet om gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderrol en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Zo lopen verschillende praktische zaken, zoals het regelen van kinderopvang en een paspoort, vertraging op. De hulpverlening komt tevens niet van de grond. De Raad ziet een patroon waar de vader op meerdere momenten dwingend en sturend is en het hem nauwelijks lukt om naar zijn eigen aandeel te kijken bij de instandhouding van de situatie. De moeder is angstig vanwege de dreigende houding van de vader. [minderjarige] ziet zijn vader nu alleen op begeleide omgangsmomenten. Het omgangshuis herkent de zorgen die de Raad heeft. Het is belangrijk dat [minderjarige] een band kan opbouwen met zijn vader. Er is een jeugdbeschermer nodig die regie voert over de in te zetten hulpverlening. Daarnaast dient te worden onderzocht welke rol de vader kan spelen in het leven van [minderjarige] en hoe omgang tussen hem en [minderjarige] kan worden gerealiseerd op een manier waar de moeder zich ook prettig bij voelt.

4.De standpunten

4.1.
De GI sluit zich tijdens de mondelinge behandeling aan bij het standpunt van de Raad. Het lukt de ouders onvoldoende om zelf regie te voeren en hulpverlening van de grond te krijgen. Het is belangrijk dat er passende hulpverlening wordt ingezet. Daarbij kan gedacht worden aan Parallel Solo Ouderschap (PSO) en een emotieregulatie-traject voor de vader. De GI kan daarnaast helpen met het veilig realiseren en uitbreiden van de omgang. Er is een vaste jeugdbeschermer beschikbaar.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Hoewel de moeder erkent dat er sprake is van een ernstige conflictsituatie met de vader, stelt zij dat de oorzaak hiervan uitsluitend gelegen is in het gedrag, de agressie en de onwil van de vader. De moeder doet er alles aan om [minderjarige] zijn veiligheid te waarborgen en hem voldoende stabiliteit te geven. De moeder is vanaf het begin van de relatie het slachtoffer van het structurele geweld van de vader. Zij ervaart verder dat de vader gezagsbeslissingen frustreert waardoor het lastig is om de hulpverlening voor [minderjarige] (zoals traumabehandeling) daadwerkelijk van de grond te krijgen. De moeder ziet echter geen meerwaarde in een gezagsbeperkende maatregel. Het is allemaal onbegonnen werk als er bij de problematische ouder (in dit geval de vader) geen inzicht is of komt. Voor zover het voorgaande niet voldoende is voor een afwijzing van het verzoek van de Raad, wil de moeder dat er (eerst) aanvullend onderzoek wordt gedaan naar de partnerdynamiek via de MASIC-methode. De moeder stelt dat de dynamiek tussen haar en de vader wordt gekenmerkt door dwingende controle en intieme terreur. Op basis van een dergelijk onderzoek kan blijken in hoeverre hulpverlening enig effect gaat krijgen. Daarbij kan ook worden bezien of omgang mogelijk is, dan wel op welke manier de omgang vorm moet krijgen.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Er is sprake van een conflictsituatie tussen de ouders. De vader stelt dat dit enkel gaat om verbaal geweld. Sinds hij de woning heeft verlaten, zijn er geen incidenten meer geweest. De vader werkt mee in het vrijwillige kader, maar acht een ondertoezichtstelling wel van belang. Er dient een onafhankelijke partij de regie te voeren over de omgang en deze uit te breiden. Een aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht nu het duidelijk is wat er voor [minderjarige] moet worden geregeld. De reden dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de hulpverlening voor [minderjarige] , is omdat hij onvoldoende informatie heeft ontvangen over wat de behandelingen inhouden. Daarnaast geeft hij geen toestemming voor het afgeven van een paspoort, omdat hij ervoor vreest dat de moeder met [minderjarige] het land zal verlaten. Tot slot heeft de vader zich via de huisarts aangemeld bij Parnassia om aan de slag te gaan met zijn emotieregulatie.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er forse zorgen bestaan om het welzijn, de veiligheid en de ontwikkeling van de bijna 1-jarige [minderjarige] . Uit de vele politiemeldingen en de informatie van Veilig Thuis blijkt dat er grote zorgen zijn over mogelijk huiselijk geweld en de veiligheid van [minderjarige] . Meerdere meldingen zijn ook gerelateerd aan vaders oudste zoon (uit een eerdere relatie). In het omgangshuis is gezien dat de vader tijdens de begeleide omgangsmomenten met [minderjarige] weinig begrip toont en agressief kan overkomen. Aan de vader zijn twee huisverboden opgelegd. Ook is de vader aangehouden op verdenking van mishandeling. Hoewel de vader ontkent dat sprake is geweest van fysiek geweld, acht de kinderrechter de situatie zeer zorgelijk en kwetsbaar. Het lukt de ouders niet om samen de nodige stappen te zetten in het belang van [minderjarige] . De ondertoezichtstelling is nodig om de komende periode passende hulpverlening in te zetten. Ook kunnen er verdere afspraken worden gemaakt over de omgang. De betrokkenheid van de GI is hierbij nodig, nu het binnen het vrijwillige kader onvoldoende is gelukt om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat er hierbij sprake dient te zijn van intensief en stevig casemanagement en toezicht, waarbij er oog moet zijn voor de signalen van intieme terreur. Een aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht nu dit binnen de ondertoezichtstelling nader kan worden onderzocht.
5.3.
De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van negen maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 18 mei 2026 tot 18 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.