ECLI:NL:RBROT:2026:6378

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717744 / JE RK 26-663
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging uithuisplaatsing bij gezaghebbende ouder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de gezaghebbende vader voor zes maanden. De minderjarige is opgegroeid in een onveilige en verwaarlozende omgeving met huiselijk geweld tussen ouders en andere partners, wat heeft geleid tot zorgen over zijn ontwikkeling en gehechtheidsrelaties.

De minderjarige verblijft sinds juli 2025 bij de vader, samen met diens ouders en een oom. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) benadrukken de noodzaak van toezicht en passende hulpverlening, mede vanwege het ontbreken van zicht op de opvoedsituatie bij de vader. De moeder erkent de hulpbehoefte en werkt mee aan opvoedondersteuning, maar acht een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk.

De kinderrechter concludeert dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en stelt de minderjarige onder toezicht van de GI voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de minderjarige al met toestemming van beide ouders bij de vader verblijft. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is op 18 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de gezaghebbende vader wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Locatie Rotterdam
Zaaknummer: C/10/717744 / JE RK 26-663
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.F.H. Tamboenan, kantoorhoudende te Rotterdam,
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI gevestigd in Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 april 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder, [persoon A] .
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende vader te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [minderjarige] is opgegroeid in een structureel onveilige, instabiele en verwaarlozende opvoedomgeving. In het verleden is hij blootgesteld aan huiselijk geweld tussen zijn ouders en later tussen de moeder en andere partners. Deze ervaringen hebben geleid tot zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de ouders. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van beide ouders en hun vermogen om voldoende aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . [minderjarige] is zeer beschermend naar zijn moeder en heeft een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. Het is van belang dat hij voldoende ruimte en veiligheid ervaart om zijn identiteit te ontwikkelen. Sinds juli 2025 verblijft [minderjarige] bij de vader. Hij woont daar samen met de vader, de opa en de oma vaderszijde (vz) en een oom in het huis van de opa en de oma (vz). De ouders overleggen goed met elkaar over het contact en de omgang. Op dit moment is bij de moeder Gezin Totaal betrokken via IHub. De moeder werkt hier positief aan mee maar deze opvoedondersteuning richt zich (nog) niet op [minderjarige] . De vader staat open voor hulpverlening, maar het is tot op heden niet gelukt om passende hulpverlening te starten. De betrokkenheid van de GI is nodig zodat regie kan worden gevoerd op de inzet van hulpverlening en om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende vader is daarnaast nodig om zo zijn huidige verblijf te formaliseren en te continueren. Er dient daarbij zicht te komen op de opvoedsituatie bij de vader en duidelijkheid over het opgroeiperspectief van [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De GI sluit zich tijdens de mondelinge behandeling aan bij het standpunt van de Raad. De zorgen die worden benoemd, maakt de betrokkenheid van de GI noodzakelijk. Het is daarbij belangrijk dat de vader hulp krijgt bij het vinden van een eigen woning, zodat [minderjarige] een eigen kamer kan krijgen. Dat heeft hij nu niet in het huis van de opa en de oma (vz). Er is ook nauwelijks toezicht op de opvoedsituatie bij de vader en de opa en oma (vz). Dat moet er wel komen. Binnen de organisatie van de GI wordt vanwege de beperkte beschikbare capaciteit sinds enkele weken gewerkt met het handelingsperspectief. Dit houdt in dat er eerst een overleg plaatsvindt tussen een jeugdbeschermer en de gedragswetenschapper, waarbij wordt beoordeeld op welke wijze de maatregelen kunnen worden uitgevoerd en welke prioriteit aan het gezin wordt toegekend. Dit kan ertoe leiden dat er niet direct een jeugdbeschermer beschikbaar is.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Zij erkent dat zij hulp nodig heeft en is erg tevreden met de opvoedondersteuning van Gezin Totaal. Deze hulpverlening is ook gericht op [minderjarige] . De moeder staat open voor andere hulpverlening als goed wordt gemotiveerd wat deze bijdraagt. Een machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet noodzakelijk geacht nu er duidelijke afspraken zijn over de omgang en dit in het vrijwillige kader kan worden gecontinueerd.
4.3.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De vader ziet dat [minderjarige] zich rustiger voelt sinds hij is ingetrokken bij de vader. Ook verloopt zijn schoolgang positiever. De vader is bereid mee te werken aan alles wat nodig is in het belang van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de 11-jarige [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid in een structureel onveilige, instabiele en verwaarlozende opvoedomgeving. [minderjarige] heeft in zijn leven veel onveiligheid meegemaakt als gevolg van huiselijk geweld tussen de vader en de moeder en nadien tussen de moeder en andere (ex)partners. Verder zijn er zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. Ook zijn er zorgen om zijn identiteitsontwikkeling. [minderjarige] is continu alert op zijn omgeving en heeft behoefte aan controle. Hij ervaart veel boosheid en kan opstandig gedrag laten zien, waarbij hij zich moeilijk laat aansturen door de moeder. Uit de informatie van de school komt daarnaast naar voren dat er veel sprake is van verzuim. Hij wordt met regelmaat ziekgemeld, waardoor hij veel moet missen. [minderjarige] is in juli 2025 bij zijn vader geplaatst vanwege grote zorgen in de opvoedomgeving bij moeder. Hoewel het positief is dat de moeder instemt met deze plaatsing, is er nauwelijks zicht op de opvoedsituatie bij de vader. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat het belangrijk is dat hier meer zicht op komt en dat de komende periode passende hulpverlening wordt ingezet. Het is positief dat Gezin Totaal betrokken is bij de moeder, maar de betrokkenheid van de GI is nodig, nu binnen het vrijwillige kader het onvoldoende is gelukt om de zorgen om [minderjarige] weg te nemen.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende vader is niet nodig nu [minderjarige] al met toestemming van beide ouders daar verblijft. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende vader afwijzen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het verzoek voor het overig verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.