Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6412

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/4826
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wet Inburgering 2013Art. 2.8 Besluit inburgering 2013Art. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag ontheffing inburgeringsplicht op medische of psychische gronden

Eiseres heeft op 30 december 2023 een aanvraag ingediend voor ontheffing van haar inburgeringsplicht wegens psychische klachten. De staatssecretaris heeft deze aanvraag op 21 februari 2025 afgewezen en het bezwaar van eiseres op 18 juni 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 behandeld.

Een verzekeringsarts van Argonaut heeft op 9 september 2024 vastgesteld dat eiseres beperkingen ondervindt door psychische klachten, maar dat verbetering binnen 12 tot 18 maanden verwacht wordt. De arts acht eiseres in staat om binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te halen, mogelijk met een tijdelijke ontheffing tot 18 maanden.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht het advies van Argonaut heeft gevolgd en dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd om dit advies te betwisten. De brief van de psycholoog ondersteunt niet dat eiseres blijvend niet kan voldoen aan de inburgeringsplicht.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard, blijft het bestreden besluit in stand en krijgt eiseres geen ontheffing, griffierechtteruggave of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor ontheffing van de inburgeringsplicht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4826

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
De staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de staatssecretaris om eiseres op medische of psychische gronden ontheffing te verlenen van haar inburgeringsplicht. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag om ontheffing te verlenen terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 december 2023 een aanvraag ingediend om ontheffing van haar inburgeringsplicht op medische of psychische gronden te krijgen. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 21 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Naar aanleiding van de door eiseres ingediende aanvraag is zij op 9 september 2024 door een verzekeringsarts werkzaam bij Argonaut gezien en onderzocht. Op basis van dat onderzoek en op grond van de medische informatie die eiseres heeft ingebracht, acht de verzekeringsarts het plausibel dat eiseres door haar psychische klachten beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren ondervindt. De verzekeringsarts verwacht dat de klachten binnen een termijn van 12 tot 18 maanden kunnen verbeteren. De prognose is daarmee vooralsnog gunstig door behandeling. Daarom acht de verzekeringsarts eiseres in staat om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te halen. Wel kan een tijdelijke ontheffing tot 18 maanden worden overwogen gezien de ernst van de actuele medische problematiek en de lopende behandelingen.
3.1.
De staatssecretaris heeft vervolgens op grond van het advies van de verzekeringsarts geweigerd om eiseres ontheffing te verlenen van haar inburgeringsplicht. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en heeft hij de weigering gehandhaafd. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat hij niet twijfelt aan het advies van Argonaut en dat er geen sprake is van een medische eindsituatie.

Beoordeling door de rechtbank

4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De staatssecretaris ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht, onder meer als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht te voldoen. [1] De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht of aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan. [2]
4.2.
Het advies van Argonaut is een deskundigenadvies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] moet een bestuursorgaan indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt zich er op grond van artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit (naar wijze van totstandkoming) zorgvuldig en (naar inhoud) inzichtelijk en concludent is. De betrokkene kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een deskundigenadvies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundigenadvies aan de orde stellen, dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud ervan.
Mocht de staatssecretaris zijn besluit op het rapport van Argonaut baseren?
5. Eiseres voert aan dat haar psychische klachten dusdanig ernstig zijn dat zij niet in staat kan worden geacht om binnen een termijn van vijf jaar aan haar inburgeringsverplichting te voldoen. Er is geen sprake van een situatie waarin wordt verwacht dat haar medische situatie met behandeling zal verbeteren.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waardoor de rechtbank twijfelt aan de inhoud van het medisch advies van Argonaut dat de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. De enkele niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat haar medische situatie niet zal verbeteren is in dat kader onvoldoende. De brief van de psycholoog die door eiseres in bezwaar is overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. Daaruit blijkt niet dat de klachten van eiseres zodanig zijn dat zij niet in staat kan worden geacht om binnen vijf jaar aan haar inburgeringsplicht te voldoen. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is.
5.2.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich op het advies van Argonaut heeft mogen baseren en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van haar inburgeringsplicht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen ontheffing van haar inburgeringsplicht krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 6 Wet Pro Inburgering 2013
1. Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien:
a. de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
b. hij op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet mogelijk is aan de inburgeringsplicht te voldoen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden voorzien in:
a. verdere ontheffing van de inburgeringsplicht, en
b. nadere regels omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 2.8 Besluit inburgering 2013
1.Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
2. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
3. Indien Onze Minister, op grond van het advies, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden het betreft.
4. De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht kan worden voldaan.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent het advies, bedoeld in het eerste lid.

Voetnoten

1.Artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2013.
2.Artikel 2.8., vierde lid, van het Besluit inburgering 2013.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516.