ECLI:NL:RBROT:2026:6415

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/2732
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 ParticipatiewetArt. 6 EVRMArt. 8:91 AwbArt. 8:94 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op afstemming bijstandsuitkering op grond van artikel 18 Participatiewet

Eiseres, woonachtig bij haar moeder, ontving een bijstandsuitkering volgens de norm voor een alleenstaande met één kostendelende medebewoner. Na haar huwelijk met haar partner, die niet over een geldige verblijfsvergunning beschikt, wijzigde Stroomopwaarts de uitkering naar de norm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner en één kostendelende medebewoner. Eiseres stelde dat de bijstand ten onrechte niet was afgestemd op grond van artikel 18, eerste lid, Participatiewet, omdat haar partner niet mag werken en zij medische klachten heeft.

De rechtbank oordeelt dat Stroomopwaarts terecht geen aanleiding zag voor afstemming van de bijstand, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zeer bijzondere situatie die een afwijking van de norm rechtvaardigt. De omstandigheden van de partner en de medische klachten van eiseres zijn onvoldoende onderbouwd om tot een individuele afstemming te leiden.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden met tien maanden. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-, waarvan €200,- voor rekening van Stroomopwaarts en €800,- voor rekening van de Staat der Nederlanden. Tevens worden proceskosten toegekend aan eiseres voor de verleende rechtsbijstand.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter N. Shahani op 4 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

Het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, Stroomopwaarts

(gemachtigde: mr. E. Calmera),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres over haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is van mening dat haar bijstandsuitkering ten onrechte niet is afgestemd op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Stroomopwaarts terecht geen aanleiding heeft gezien om de bijstandsuitkering af te stemmen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 29 juni 2023 heeft Stroomopwaarts een bijstandsuitkering aan eiseres toegekend naar de norm van gehuwden met één kostendeler.
2.1.
Stroomopwaarts heeft met het bestreden besluit van 28 februari 2024 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 22 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen griffierecht is betaald. Eiseres heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak en het verzet is op 12 september 2025 gegrond verklaard.
2.3.
Op 9 maart 2026 heeft eiseres een verzoek tot schadevergoeding ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is inwonend bij haar moeder en ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder met één kostendelende medebewoner.
3.1.
Op 17 mei 2023 meldt eiseres bij Stroomopwaarts dat zij op 16 mei 2023 is getrouwd met haar partner en dat haar partner ook staat ingeschreven op het uitkeringsadres. Stroomopwaarts heeft het recht op bijstand beëindigd met ingang van 16 mei 2023, omdat eiseres door het huwelijk geen zelfstandig subject meer is van bijstand.
3.2.
Op 20 juni 2023 heeft eiseres samen met haar partner een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor gehuwden. Stroomopwaarts heeft met het besluit van 29 juni 2023 een bijstandsuitkering toegekend aan eiseres met ingang van 16 juni 2023. De bijstandsuitkering is toegekend naar de bijstandsnorm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner en één kostendelende medebewoner (de moeder van eiseres).
3.3.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 heeft Stroomopwaarts het primaire besluit van 29 juni 2023 gehandhaafd. Stroomopwaarts stelt zich op het standpunt dat eiseres en haar partner niet duurzaam gescheiden leven en dat hij geen recht heeft op bijstand, omdat hij niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning. Verder heeft Stroomopwaarts geen aanleiding gezien voor afstemming van de bijstandsuitkering op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zeer bijzondere situatie.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert aan dat Stroomopwaarts ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de Pw. Doordat haar partner bij haar en haar moeder is gaan wonen, is zowel de huurtoeslag van haar moeder als de zorgtoeslag van eiseres stopgezet. Stroomopwaarts heeft nagelaten deugdelijk onderzoek te doen naar de financiële situatie van eiseres, waarbij rekening moet worden gehouden met een partner die vanwege zijn verblijfstatus niet mag werken en de medische klachten van eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Stroomopwaarts terecht geen aanleiding heeft gezien om de bijstandsuitkering van eiseres af te stemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke individuele afstemming zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Pw, in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand alleen plaats in zeer bijzondere situaties. [1] Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat Stroomopwaarts terecht geen aanleiding heeft gezien voor afstemming van de bijstandsuitkering van eiseres. Dat de niet-rechthebbende partner niet mag werken en dat eiseres last heeft van diverse medische klachten, zijn op zichzelf, zonder nadere onderbouwing, geen redenen voor afstemming. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat sprake was van een dusdanige schrijnende situatie dat eiseres financieel niet meer kon rondkomen. Dat sprake is van een zeer bijzondere situatie heeft eiseres dus niet aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres stelt, lag het niet op de weg van Stroomopwaarts om zelf nader onderzoek te doen. Dit is alleen het geval wanneer ongevraagd artikel 24 van Pro de Pw wordt toegepast zoals bij wijziging van de bijstandsuitkering. [2]
6.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn 6 EVRM
6. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [3] . Het is vaste rechtspraak dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. [4]
6.1.
De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door Stroomopwaarts, te weten op 14 juli 2023. Stroomopwaarts heeft op 28 februari 2024 een beslissing genomen op het bezwaar. Het beroepschrift is ingediend op 13 maart 2024. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn in totaal met tien maanden (afgerond naar boven) overschreden. De termijn in de bezwaarprocedure is met twee maanden overschreden en de behandeling van het beroep is met acht maanden overschreden.
6.2.
De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Omdat de redelijke termijn met tien maanden is overschreden, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,-. Hiervan komt een bedrag van € 200,- (2/10 x € 1000) voor rekening van Stroomopwaarts en een bedrag van € 800,- (8/10 x € 1000) voor rekening van de Staat der Nederlanden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijkt krijgt en het bestreden besluit van Stroomopwaarts in stand blijft. Eiseres krijgt daarom ook geen vergoeding van de gemaakte proceskosten ten aanzien van het ingestelde beroep.
8. Omdat het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen, bestaat wel recht op een proceskostenvergoeding voor die verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5). De vergoeding komt voor € 93,40 (2/10 x € 467) voor rekening van Stroomopwaarts en voor € 373,60 (8/10 x € 467) voor rekening van de Staat der Nederlanden.
9. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 september 2025 het verzet gegrond verklaard en besloten dat in de einduitspraak een beslissing wordt genomen over de proceskosten. De rechtbank stelt dit bedrag vast op een bedrag van € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van 934,- en wegingsfactor 1).
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van het griffierecht omdat het beroep ongegrond is en voor het indienen van een verzoek tot schadevergoeding geen griffierecht is verschuldigd. [5] Ook voor het doen van verzet is geen griffierecht verschuldigd, omdat artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt Stroomopwaarts tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade van € 200,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade van € 800,-;
  • veroordeelt Stroomopwaarts tot betaling van € 93,40 aan proceskosten van eiseres;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 373,60 aan proceskosten van eiseres;
  • veroordeelt Stroomopwaarts tot betaling van € 467,- aan proceskosten in verzet van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Artikel 8:91, eerste lid en artikel 8:94, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.