Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6431

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/10/704426 / HA ZA 25-635
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en beslaglegging in internationale bouwonderaanneming

Twee Nederlandse bedrijven, RGS Groep B.V. en [bedrijf 1] B.V., vorderen betaling van openstaande facturen en retentiebedragen van de Italiaanse aannemer Rizzani De Eccher S.p.A. vanwege verrichte werkzaamheden als onderaannemers. Rizzani betwist de vorderingen deels inhoudelijk en beroept zich op een Italiaanse insolventieprocedure (Concordato preventivo) met beschermende maatregelen die beslagleggingen zouden verbieden.

De rechtbank oordeelt dat zij internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De vorderingen van RGS c.s. worden grotendeels toegewezen, waaronder hoofdsommen, retentiebedragen, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Het meerwerk is erkend als overeengekomen, ondanks het ontbreken van een formele schriftelijke opdracht. Ook de huurvergoedingen voor bouwmaterieel worden toegewezen, inclusief perioden waarin het bouwterrein was afgesloten.

De vorderingen van Rizzani in reconventie tot opheffing van conservatoire beslagen en schadevergoeding worden afgewezen. De rechtbank stelt dat de Italiaanse beschermende maatregelen niet leiden tot opheffing van reeds gelegde beslagen, maar wel tot bevriezing van de executie. De proceskosten worden aan Rizzani opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad met de beperking dat geen executie mag plaatsvinden zolang de beschermende maatregelen gelden.

Uitkomst: Rechtbank veroordeelt Rizzani tot betaling van openstaande facturen, retentiebedragen, rente en incassokosten aan RGS c.s. en wijst reconventionele vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704426 / HA ZA 25-635
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RGS GROEP B.V.,
te Rijssen (Rijssen-Holten),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] (gemeente Rijssen-Holten),
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna: RGS en [bedrijf 1] ,
hierna samen te noemen: RGS c.s.,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETÀ PER AZIONI RIZZANI DE ECCHER S.P.A.,
te Udine, Italië,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rizzani,
advocaat: mr. J.W.H. Raadgever.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze procedure vorderen RGS c.s. samengevat betaling van openstaande facturen in verband met door hen verrichte werkzaamheden voor Rizzani. Rizzani betwist hiertoe gehouden te zijn. Zij beroept zich hiervoor allereerst op uitspraken van de Italiaanse rechtbank te Triëst op grond waarvan ten behoeve van haar een afkoelingsperiode (‘moratorium’) geldt en een verbod voor haar schuldeisers om ten laste van haar vermogen executie- of bezwarende maatregelen te treffen of voort te zetten. Los hiervan betwist zij de vorderingen van RGS c.s. ook op inhoudelijke gronden. In reconventie vordert Rizzani onder andere de opheffing van de door RGS c.s. ten laste van haar gelegde conservatoire beslagen. Zij beroept zich hiervoor ook op de uitspraken van de Italiaanse rechtbank te Triëst. De rechtbank wijst de vorderingen van RGS c.s. grotendeels toe en de vordering in reconventie van Rizzani af. Dit wordt in dit vonnis uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025, met producties 1 tot en met 30;
- de akte overlegging producties van RGS c.s., met producties 31 tot en met 33 van RGS c.s.;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de zittingsoproep van de rechtbank van 9 oktober 2025;
- de zittingsagenda van de rechtbank van 12 januari 2026 met daarin specifieke vragen aan partijen;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 34 tot en met 38, alsmede de op verzoek van de rechtbank ex artikel 22 Rv Pro van 5 februari 2026 door RGS c.s. overgelegde beëdigde Nederlandse vertaling van de als productie 37 in het geding gebrachte beschikking van 11 december 2025 van de rechtbank van Triëst, Italië;
- de akte vermeerdering en vermindering van eis van RGS c.s., met producties 39 tot en met 44E;
- de akte overlegging producties van RGS c.s., met producties 45 tot en met 52B;
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026;
- de spreekaantekeningen van RGS c.s.;
- de spreekaantekeningen van Rizzani;
- aan het slot van de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol van 4 maart 2026 voor nadere aktes van partijen (eerst door Rizzani en vervolgens door RGS c.s.);
- de akte houdende uitlating na mondelinge behandeling van Rizzani, met producties 11 tot en met 14;
- de akte uitlating van RGS c.s. van 25 maart 2026, met productie 53.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
RGS is een bedrijf dat zich richt op de sloop van bouwwerken, sanering en overig
afvalbeheer. [bedrijf 1] is een bedrijf dat zich voornamelijk richt op goederenvervoer en hijswerkzaamheden. RGS en [bedrijf 1] maken deel uit van een groep vennootschappen met dezelfde aandeelhouders. Rizzani is een in Italië gevestigd internationaal opererend bouwbedrijf dat actief is in de civiele- en infrastructurele bouwsector.
3.2.
Tussen RGS en Rizzani is op 23 december 2022 een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan RGS als onderaannemer van Rizzani bij het project ‘Post Monument’ te Rotterdam tegen betaling (sloop)werkzaamheden verricht (hierna: Overeenkomst 1). Dit project ziet op de herontwikkeling van het oude postkantoor in het centrum van Rotterdam. RGS wordt in Overeenkomst 1 aangeduid als de “Subcontractor” en Rizzani als de “Contractor”. Overeenkomst 1 is voorafgegaan door de op 6 juli 2022 gesloten aannemingsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , als opdrachtgevers, en Rizzani, als aannemer. [bedrijf 2] en [bedrijf 3] worden in die overeenkomst tezamen aangeduid als “the Employer”.
3.2.1.
Met betrekking tot betalingen inzake Overeenkomst 1 is kort samengevat de volgende werkwijze afgesproken. RGS stuurt maandelijks een overzicht van de te factureren bedragen op basis van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden. Rizzani bevestigt de stand van het werk met de afgifte aan RGS van een IPC (
Interim Payment Certificate)met het verzoek om een factuur te sturen. Zodra RGS de IPC heeft ontvangen, verzendt zij een factuur voor de betreffende werkzaamheden. Vervolgens is Rizzani verplicht om binnen 30 kalenderdagen na factuurdatum tot betaling over te gaan. Indien Rizzani bezwaren heeft tegen een verzoek om afgifte van een IPC, dient zij deze binnen een termijn van 28 dagen kenbaar te maken. Ook is afgesproken dat Rizzani op iedere factuur 15% mag achterhouden tot het moment waarop de desbetreffende werkzaamheden zijn opgeleverd. RGS en Rizzani noemen dit gedeelte van 15% de “retentiebedragen”.
3.3.
Tot en met de werkzaamheden betreffende de IPC met nummer 9 (IPC9) heeft RGS de betalingen, met uitzondering van de overeengekomen retentiebedragen, ontvangen.
Het verzoek van RGS om afgifte van IPC10 is op 25 oktober 2024 aangevraagd en op 15 november 2024 goedgekeurd, waarna RGS op 15 november 2024 een factuur ter hoogte van € 260.102,96 en een factuur voor de retentie van € 16.835,00 heeft verzonden aan Rizzani. Deze factuur is voor een bedrag van € 105.334,00 betaald. Sindsdien heeft Rizzani alle door RGS ter goedkeuring verzonden IPC’s niet meer afgegeven.
3.4.
Tussen [bedrijf 1] en Rizzani is op 15 december 2022 een overeenkomst tot stand gekomen betreffende grondwerkzaamheden op de Maasvlakte, op grond waarvan [bedrijf 1] als onderaannemer van Rizzani werkzaamheden verricht tegen betaling (hierna: Overeenkomst 2). Ook met betrekking tot betalingen inzake Overeenkomst 2 geldt een IPC-systeem, maar niet geheel hetzelfde IPC-systeem als met betrekking tot Overeenkomst 1.
3.5.
In de loop van de tijd zijn er steeds meer betalingsproblemen gerezen aan de kant van Rizzani.
3.6.
Op 9 april 2025 heeft een andere partij, Veerkracht Sloop B.V., na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van RGS onder Rizzani op alle vorderingen die RGS op Rizzani mocht hebben of uit een reeds bestaande rechtsverhouding mocht verkrijgen. De vordering van Veerkracht Sloop B.V. is door de voorzieningenrechter voorlopig begroot op € 410.500,00.
3.7.
Op 6 juni 2025 is door RGS en door [bedrijf 1] afzonderlijk verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van Rizzani. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 10 juni 2025 hiervoor verlof verleend en de vordering van RGS op Rizzani begroot op een bedrag van € 822.413,00 en de vordering van [bedrijf 1] op Rizzani begroot op een bedrag van € 498.803,41.
Namens RGS en namens [bedrijf 1] afzonderlijk is op 1 juli 2025 conservatoir derdenbeslag gelegd onder:
Neste Netherlands B.V.,
Technip Energies Italy S.p.A.,
BNP Paribas S.A.,
[bedrijf 4] B.V,
[bedrijf 2] , en
[bedrijf 3]
3.8.
Kort nadien heeft Rizzani aan RGS c.s. meegedeeld dat zij in Italië al vanaf 9 april 2025 tot 1 juli 2025 en na een aanvraag voor verlenging opnieuw vanaf 2 juli 2025 betrokken is in een procedure inzake de
Composizione Negoziata della Crisi d’lmpresa(hierna: de CNC-procedure).
3.9.
Rizzani is zich (aanvankelijk) op het standpunt gaan stellen dat er ten laste van haar vanwege de CNC-procedure in Italië geen beslagen (in Nederland) gelegd mogen worden en dat de reeds gelegde beslagen moeten worden opgeheven.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De op sommige punten vermeerderde dan wel verminderde eis van RGS c.s. luidt dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. Rizzani veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RGS te betalen:
a. een bedrag van € 699.800,07 als hoofdsom
b. een bedrag van € 99.415,68, dat betrekking heeft op de retentiebedragen
c. een bedrag van € 5.160,17 aan buitengerechtelijke kosten
d. de op deze bedragen betrekking hebbende wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling.
2. Rizzani veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [bedrijf 1] te betalen:
a. een bedrag van € 310.292,19 als hoofdsom
b. een bedrag van € 217.980,01, dat betrekking heeft op de retentiebedragen
c. een bedrag van € 4.271,51 aan buitengerechtelijke kosten
d. de op deze bedragen betrekking hebbende wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling.
3. Rizzani veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, waaronder de beslagkosten, voor zover deze noodzakelijk zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis tot de betaling.
4.2.
Rizzani voert verweer en concludeert tot:
1. niet-ontvankelijkheid van RGS c.s. in hun vorderingen dan wel ontzegging van die vorderingen aan hen;
2. een verbod voor RGS c.s., in geval van een veroordelend vonnis, om het vonnis op enigerlei wijze ten uitvoer te leggen gedurende de periode waarin het Moratorium op Rizzani – al dan niet door middel van hernieuwde verlenging – van toepassing is,
met veroordeling van RGS c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis, onder bepaling dat, indien deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag na het in dezen te wijzen vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
Rizzani vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. RGS c.s. veroordeelt om de derdenbeslagen gelegd onder Technip Energies
Italy S.p.A., [bedrijf 3] , [bedrijf 2] , BNP Paribas S.A., Neste
Netherlands B.V. en [bedrijf 4] B.V. zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen
zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis of binnen een in goede justitie te bepalen termijn opheft op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat een betreffend beslag niet door RGS c.s. is opgeheven;
2. voor recht verklaart dat het handhaven van de conservatoire beslagen onrechtmatig is en dat RGS c.s. aansprakelijk zijn voor de door Rizzani geleden en nog te lijden schade als gevolg van dat onrechtmatig in stand houden van de conservatoire beslagen en RGS c.s. veroordeelt tot betaling aan Rizzani van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
met veroordeling van RGS c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis, onder bepaling dat, indien deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag na het in dezen te wijzen vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
4.5.
RGS c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Rizzani in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van Rizzani, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat Rizzani buiten Nederland haar woonplaats heeft. De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.
5.2.
Bevoegdheidsverweren zijn in deze zaak niet gevoerd, zodat de rechtbank zowel in conventie als in reconventie (onder meer) op grond van een stilzwijgende forumkeuze internationaal bevoegd is (artikel 26 Brussel Pro I bis). Wat betreft de vorderingen in reconventie geldt dat de rechtbank ook internationaal bevoegd is op grond van artikel 8 sub Pro 3 Brussel I bis.
5.3.
De vorderingen in conventie zijn contractueel van aard. Op de vorderingen in conventie van enerzijds RGS en [bedrijf 1] tegen anderzijds Rizzani is Nederlands recht van toepassing op grond van de rechtskeuze voor Nederlands recht in artikel 40.1 van Overeenkomst 1 respectievelijk Overeenkomst 2.
5.4.
De reconventionele vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Ook deze vorderingen worden beheerst door Nederlands recht, (onder meer) op grond van artikel 4 Rome Pro II. Partijen gaan daar overigens ook van uit.
voorts in conventie
Eisvermeerdering
5.5.
Rizzani heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Omdat deze eisvermeerdering geen strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal recht worden gedaan op de vermeerderde eis.
Vordering 1 – hoofdsom (€ 699.800,07) en retentiebedragen (€ 99.415,68)
(i)
inleiding
5.6.
Deze twee onderdelen (a en b) van vordering 1 bestaan uit bedragen die Rizzani onbetaald heeft gelaten. Productie 39B van RGS c.s. houdt een overzicht in van al deze nog openstaande (factuur)bedragen.
5.7.
Door middel van vordering 1 heeft RGS een hoofdsombedrag gevorderd van
€ 699.800,07 en een retentiebedrag van € 99.415,68. Het hoofdsombedrag van € 699.800,07 is de optelsom van de volgende bedragen die betrekking hebben op de hieronder weergegeven IPC’s, zo volgt uit de gegevens van het hierboven in r.o. 5.6 genoemde overzicht:
[IPC; rechtbank][Gevorderd bedrag; rechtbank]
Afgegeven IPC 10 € 154.758,89
Gevraagde IPC 11 € 163.354,00
Gevraagde IPC meerwerk € 283.619,70
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 45-51 € 13.007,36
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 02-13 € 35.173,08
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 14-18 € 10.430,95
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 19-23 € 10.430,95
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 24-26 € 6.258,57
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 27-30 € 7.738,73
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 34-40 € 4.943,33
Gevraagde IPC doorlopende verhuur week 41-03 € 10.084,51
€ 699.800,07.
(ii)
IPC 10
5.8.
Als gesteld door RGS c.s. en niet (gemotiveerd) betwist door Rizzani is het volgende komen vast te staan met betrekking tot IPC 10. RGS heeft Rizzani verzocht om de afgifte van IPC 10, ten bedrage van € 276.937,96. Rizzani heeft IPC 10 vervolgens onverkort afgegeven. Daarop heeft RGS de hierop betrekking hebbende factuur ten bedrage van € 276.937,96 verzonden naar Rizzani. Van dat bedrag maakt een retentiebedrag van
€ 16.835,00 deel uit. Van het resterende factuurbedrag van € 260.102,96 heeft Rizzani een bedrag van € 105.344,07 betaald en dus een bedrag van € 154.758,89 onbetaald gelaten.
5.9.
Rizzani is dan ook verplicht het openstaande factuurbedrag van € 154,758,89 betreffende IPC 10 aan RGS te betalen (zie ook 3.2.1). De verschuldigdheid van het van vordering 1 deel uitmakende retentiebedrag van € 99.415,68 zal hieronder in r.o. 5.33 nader worden beoordeeld.
(iii)
IPC 11
5.10.
Rizzani heeft niet (gemotiveerd) betwist dat RGS haar heeft verzocht om de afgifte van IPC 11, ten bedrage van € 163.354,00. Zij heeft evenmin betwist dat zij daartoe niet is overgegaan, ondanks dat zij daartoe wel gehouden was. Ook dit bedrag is Rizzani daarom verschuldigd aan RGS.
(iv)
IPC inzake meerwerk
5.11.
Ook wat betreft meerwerk heeft Rizzani geen gevolg gegeven aan het verzoek van RGS om een IPC, ten bedrage van € 283.619,70. Dit gevorderde meerwerk heeft betrekking op extra werkzaamheden voor het ontgraven van liftputten. Het bedrag van € 283.619,70 is de optelsom van vier deelbedragen: € 29.560,20, € 9.298,00, € 97.820,00 en € 146.941,50.
5.12.
Rizzani betwist echter dat zij enig bedrag aan meerwerk is verschuldigd.
5.13.
Voor de gehoudenheid van Rizzani tot betaling van het gevorderde bedrag van
€ 283.619,70 heeft RGS zowel een primaire, een subsidiaire als een meer subsidiaire grond aangevoerd. Primair is zij van mening dat – samengevat – sprake is geweest van een expliciet verstrekte (mondelinge) meerwerkopdracht. Subsidiair meent RGS dat – samengevat – sprake is geweest van een stilzwijgende instemming met het meerwerk. Meer subsidiair voert RGS - samengevat - aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de “meerwerkzaamheden” waren goedgekeurd door Rizzani als bedoeld in artikel 3:33 BW Pro in verbinding met artikel 3:35 BW Pro, mede in het licht van artikel 6:248 BW Pro.
5.14.
Rizzani betwist dat zij heeft ingestemd met het meerwerk. Voor het meerwerk heeft RGS namelijk geen voorafgaande schriftelijke toestemming verkregen van de opdrachtgever van Rizzani, terwijl een dergelijke voorafgaande goedkeuring contractueel wél verplicht is, aldus Rizzani. Zonder een schriftelijke meerwerkopdracht, een deugdelijke en controleerbare onderbouwing van de door RGS gestelde meerwerkposten én voorafgaande goedkeuring van de opdrachtgever kan RGS dit vermeende meerwerk niet in rekening brengen, aldus Rizzani. Daarom ontbreekt volgens Rizzani iedere contractuele grondslag voor facturering en is de betreffende vordering niet toewijsbaar.
5.15.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.16.
Rizzani heeft niet betwist dat het meerwerk waarvan RGS c.s. vergoeding vorderen is uitgevoerd, zodat dit is komen vast te staan. Ook de hoogte van het gevorderde meerwerkbedrag, € 283.619,70, is vast komen te staan. Zo hebben RGS c.s. dit bedrag nauwkeurig onderbouwd, terwijl Rizzani, daarentegen, haar betwisting van de hoogte van dit bedrag op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
5.17.
Het werkelijke geschilpunt is dus (alleen maar) of dit meerwerk is overeengekomen. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.
5.18.
Rizzani heeft pas in haar spreekaantekeningen ter zitting voor het eerst een beroep gedaan op het ontbreken van haar - volgens Overeenkomst 1 vereiste - voorafgaande formele schriftelijke instemming met het meerwerk. Naar het oordeel van de rechtbank had Rizzani dit verweer al in haar conclusie van antwoord moeten en kunnen opnemen omdat zij uiteraard ook toen bekend was met de inhoud van Overeenkomst 1 en de daarin opgenomen bepalingen. Zij heeft ook geen verklaring gegeven waarom zij dit (formele) verweer pas voor het eerst op zitting heeft aangevoerd. De rechtbank vindt deze wijze van procesvoering in strijd met de goede procesorde en zal daarom geen acht slaan op dit onderdeel van het verweer, namelijk het ontbreken van voorafgaande schriftelijke overeenstemming met het meerwerk. De rechtbank is bovendien van oordeel dat Rizzani heeft ingestemd met het meerwerk en daarom gehouden is dat te vergoeden. De rechtbank licht dat toe.
5.19.
Op 30 mei 2024 heeft RGS een schriftelijke offerte uitgebracht voor
excavation and disposal of excavated sandvoor een bedrag van € 165.000,00 (ex btw). Nadien heeft RGS per e-mail van 6 augustus 2024 contact gehad over tegenvallers bij de werkzaamheden - die toen werden uitgevoerd. Zij bood zij Rizzani toen de keuze om i) kosten te voorkomen door de werkzaamheden uit te stellen, of ii) door te gaan, waarbij extra kosten werden belast. Per e-mail van dezelfde dag reageert Rizzani: ”
We cannot postpone any excavation in this special moment, we can’t come with any solution if we don’t know what we are facing during excavation, is better not to stop and face the issues during excavation and come with solutions”.Rizzani wilde dus dat RGS doorging met deze werkzaamheden. Ten aanzien van extra werk inzake
Mezzanini floorschrijft Rizzani in haar e-mail van 28 oktober 2024 in reactie op een e-mail van RGS: “
You have this information since 14/06/2024 (and repeated no earlier than 2 weeks ago), in addition 1 already confirmed you to proceed both verbally (more than one time) and by email on 18/10/2024 (see attached emails), why are you still asking confirmation? Please confirm that you can complete, as promised, the demolition of this area down to GF by the 6th of November”. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat Rizzani heeft ingestemd met het uitvoeren van het meerwerk. Deze instemmende handelwijze van Rizzani gedurende de uitvoering van de werkzaamheden wordt ook bevestigd in de schriftelijke verklaring van de projectleider van RGS van 29 januari 2026. Rizzani is het gevorderde meerwerk van € 283.619,70 dan ook verschuldigd.
(v)
IPC’s inzake verhuur
5.20.
RGS vordert ook betaling van acht gevraagde IPC’s betreffende “doorlopende verhuur”. Deze IPC’s zijn nader aangeduid in het hierboven in r.o. 5.6 genoemde overzicht. Het gaat hier om de doorlopende verhuur door RGS aan Rizzani van ‘rijplaten’ en ‘stempels’ voor het gebruik bij de bouwwerkzaamheden. De gevorderde huurbedragen hebben betrekking op de periode van week 45 van 2024 tot en met week 3 van 2026.
5.21.
Niet in geschil is dat deze verhuur door RGS aan Rizzani buiten Overeenkomst 1 valt en wordt geregeld door een andere – aparte – overeenkomst. Op zichzelf genomen wordt de omvang van de gevorderde acht huurbedragen niet betwist door Rizzani, maar wél dat zij degene is die deze bedragen verschuldigd is aan RGS.
5.22.
Het geschil over de verschuldigdheid van deze acht huurbedragen draait om het volgende. Op 18 augustus 2025 is de aannemingsovereenkomst tussen Rizzani en haar hierboven in 3.2 nader aangeduide opdrachtgever(s) – de “Employer” – tot een einde gekomen. Toen kon Rizzani het bouwterrein niet meer op, zo heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld. Rizzani heeft pas op 19 november 2025 haar overeenkomst met haar onderaannemer RGS, Overeenkomst 1, beëindigd. Ten tijde van de mondelinge behandeling had Rizzani de rijplaten en de stempels niet teruggegeven aan RGS.
5.23.
In de periode van week 45 van 2024 tot en met week 26 van 2025, toen de overeenkomst tussen Rizzani en haar opdrachtgever nog niet was geëindigd, had Rizzani nog gewoon de beschikking over de rijplaten en de stempels. Bij gebreke van enig nader onderbouwd verweer is Rizzani daarom de eerste vijf van de gevorderde acht huurbedragen verschuldigd, namelijk € 13.007,36, € 35.173,08, € 10.430,95, € 10.430,95 en € 6.258,57.
5.24.
De laatste drie gevorderde huurbedragen, € 7.738,73, € 4.943,33 en € 10.084,51, hebben (wél) betrekking op de periode dat het bouwterrein was afgesloten en Rizzani niet meer kon beschikken over de rijplaten en de stempels. Het gaat hier om de periode van week 27 (30 juli-6 augustus) van 2025 tot en met week 3 (12-18 januari) van 2026. Bij haar verweer voert Rizzani aan dat zij de rijplaten en de stempels niet meer kon gebruiken vanaf het moment dat het bouwterrein voor haar was afgesloten en dat zij die dus ook niet terug kon geven aan RGS (en er in haar optiek ook niet voor hoefde te betalen).
5.25.
De verhuur door RGS van de rijplaten en de stempels aan Rizzani wordt, als gezegd, niet beheerst door Overeenkomst 1 maar door een andere – aparte – overeenkomst tussen deze partijen. Gesteld noch gebleken is dat aan die overeenkomst al een einde is gekomen in de periode waar het hier om gaat, week 27 van 2025 tot en met week 3 van 2026. Ook de laatste drie gevorderde huurbedragen is Rizzani dus verschuldigd. Hieraan kan niet afdoen het bepaalde in artikel 2.3.1 van Overeenkomst 1 dat een beëindiging van het ‘Main Contract’, dat wil zeggen: de aannemingsovereenkomst tussen Rizzani en haar opdrachtgever(s), ook leidt tot een beëindiging van Overeenkomst 1 (‘this Agreement’). Immers, de verhuur van de rijplaten en de stempels wordt, als gezegd, niet beheerst door Overeenkomst 1 maar door een andere – aparte – overeenkomst.
(vi)
het verweer van Rizzani dat zij recht heeft op een bedrag van € 250.000,00 vanwege beschadiging van onderdelen van het monument (en dat zij daarom mag verrekenen)
5.26.
Volgens Rizzani heeft RGS ongeoorloofd gebouwonderdelen met monumentale waarde gesloopt en heeft de opdrachtgever van Rizzani, de ‘Employer’, om die reden een bedrag van € 250.000,00 van haar, Rizzani, ingehouden. Overeenkomst 1 kent een ‘back to back’-clausule. Nu de opdrachtgever genoemd bedrag van € 250.000,00 heeft ingehouden van Rizzani, heeft Rizzani dus recht om dat bedrag in te houden van RGS, aldus Rizzani.
5.27.
Door RGS c.s. is vervolgens betwist dat de opdrachtgever van Rizzani een bedrag heeft ingehouden van Rizzani wegens deze ongeoorloofde sloop. Rizzani heeft die betwisting vervolgens niet meer weersproken. Dat had zij kunnen doen door de inhouding door de ‘Employer’ met stukken te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten.
5.28.
De stellingen van Rizzani zijn dus niet komen vast te staan, zodat haar (verrekenings)verweer faalt.
(vii)
het verweer van Rizzani betreffende het door Veerkracht gelegde beslag
5.29.
Rizzani beroept zich verder op het door Veerkracht ten laste van RGS gelegde conservatoire derdenbeslag op vorderingen jegens Rizzani. Het zou gaan om een vordering waarvoor beslag is gelegd ter hoogte van € 412.209,28. Op grond van artikel 475h Rv zou Rizzani dus niet meer (bevrijdend) kunnen betalen aan RGS.
5.30.
Met partijen is op de zitting besproken dat dit beslag gelegd was op 9 april 2025 en opgeheven is op 4 november 2025. De opheffing is Rizzani (pas) meegedeeld op 20 januari 2026. Rizzani wist dus in ieder geval op 20 januari 2026 dat het beslag geen belemmering meer was om te betalen. Vanaf 21 januari 2026 had Rizzani dus gewoon kunnen betalen aan RGS.
5.31.
Daarmee faalt ook dit verweer van Rizzani.
5.32.
Rizzani is echter geen rente verschuldigd gedurende de periode dat het beslag heeft gelegen, omdat zij toen niet in verzuim verkeerde.
(viii)
door RGS gevorderde retentiebedrag(en) van in totaal € 99.415,68
5.33.
Deze gevorderde retentiebedragen zijn niet betwist. De omvang staat dus vast. Het werk is klaar. Onbetwist is dat er door Rizzani geen beschadigingen zijn gemeld en dat die retentiebedragen daarom betaalbaar zijn. Voor het eerst in haar op de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen wordt door Rizzani in dit verband verwezen naar artikel 25 van Pro Overeenkomst 1. Dit artikel luidt als volgt:

25.RETENTION

25.1
The Contractor shall also withhold, from each payment of the Consideration according to
Clause 20 above, an amount equal to 5% of such payment (the “Retention”). Such
amount shall be released in favor of the Subcontractor within 10 (ten) Business Days from the expiration of the Detects Liability Period, provided that no disputes arose in relation to the due performance of the Subcontract Works or of any obligations under this Agreement. The Retention shall not accrue interests.
5.34.
De rechtbank ziet in dit artikel geen reden voor afwijzing van de gevorderde retentiebedragen. Anders dan Rizzani van mening is, heeft de onderhavige zaak immers geen betrekking op de vraag of RGS haar werkzaamheden al dan niet conform Overeenkomst 1 heeft uitgevoerd. Rizzani is dus ook het gevorderde retentiebedrag van € 99.415,68 verschuldigd.
(ix)
het verrekeningsverweer van Rizzani ter hoogte van € 188.378,59
5.35.
Volgens Rizzani heeft zij door toedoen van de door RGS uitgevoerde werkzaamheden kosten moeten maken en dient RGS die kosten te vergoeden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 188,378,59. Aldus wordt door Rizzani gesteld in randnummer 4.4 van de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie.
5.36.
RGS c.s. hebben dit vervolgens ter zitting in hun voorgedragen spreekaantekeningen uitdrukkelijk betwist. Rizzani heeft daarop niet inhoudelijk gereageerd.
5.37.
Met RGS c.s. is de rechtbank van oordeel dat Rizzani heeft nagelaten deze vordering (nader) te onderbouwen, ondanks dat zij daartoe op grond van artikel 150 Rv Pro was gehouden.
5.38.
Ook dit verrekeningsverweer van Rizzani faalt derhalve.
(x)
tussenconclusie
5.39.
Uit het bovenstaande volgt dat het door RGS gevorderde hoofdsombedrag van € 699.800,77 en het retentiebedrag van € 99.415,68 volledig zullen worden toegewezen.
(xi)
verschuldigde rente
5.40.
Hier is sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat RGS met recht de wettelijke handelsrente vordert vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling.
5.41.
De toegewezen bedragen zijn vanaf de volgende dagen verschuldigd, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.32 is bepaald:
Mbt IPC10 (€ 154.758,89): 15/12/2024 (zie rnr. 3.10 dagvaarding)
Mbt IPC11 (€ 163.354,00) 21/01/2025 “
Mbt meerwerk (€ 283.619,70) 07/03/2025 “
Mbt huur week 45-51 (€ 13.007,36) 31/05/2025 “
Mbt huur week 02-13 (€ 35.173,08) 01/07/2025 “
Mbt huur week 14-18 (€ 10.430,95) 02/07/2025 “
Mbt huur week 19-23 (€ 10.430,95) 06/08/2025 “
Mbt huur week 24-26 (€ 6.258,57) 27/08/2025 “
Mbt huur week 27-30 (€ 7.738,73) 21/10/2025 (zie rnr. 1.3 akte vermeerd.)
Mbt huur week 34-40 (€ 4.943,33) 07/12/2025 “
Mbt huur week 41-03 (€ 10.084,51) 19/03/2026 “
Mbt het retentiebedrag 15/12/2024 (zie prod. 6B RGS c.s.).
(xii)
uitvoerbaarheid
5.42.
Wat betreft de uitvoerbaarheid verwijst de rechtbank naar r.o. 5.63-5.65 hieronder.
Vordering 2 – hoofdsom (€ 310.292,19) en retentiebedragen (€ 217.980,01)
(i)
inleiding
5.43.
Door middel van vordering 2 vordert [bedrijf 1] , na eisvermeerdering op bepaalde punten en eisvermindering op bepaalde andere punten, een hoofdsom van € 310.292,19 en een retentiebedrag van € 217.980,01.
(ii)
de hoofdsom ad € 310.292,19
5.44.
De samenstelling van het hoofdsombedrag van € 310.292,19 volgt uit het door RGS c.s. als productie 39A in het geding gebrachte overzicht. Volgens RGS c.s. bestaat dit bedrag uit drie gedeeltes.
5.44.1.
Het eerste gedeelte heeft betrekking op € 265.712,99 en is de optelsom van de volgende bedragen:
-een IPC-totaalbedrag van € 5.454,81
-een bedrag van € 7.797,00
-een bedrag van € 167.540,00
-een bedrag van € 37.000,00
-een bedrag van € 47.921,18.
5.44.2.
Het tweede gedeelte ziet op een bedrag van € 21.082,00.
5.44.3.
Het derde gedeelte ziet op een bedrag van € 23.497,20.
5.45.
Tegen het gevorderde en nader onderbouwde IPC-totaalbedrag van € 5.454,81 (= € 354,32 + € 812,25 + € 1.177,87 + € 1.344,12 + € 1,766,25) is door Rizzani geen verweer gevoerd. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag is dus komen vast te staan, zodat het zal worden toegewezen.
5.46.
Het bedrag van € 7.797,00 wordt door [bedrijf 1] gevorderd als vergoeding voor werkzaamheden die partijen aanmerken als de ‘
Earth Works’. [bedrijf 1] vordert deze vergoeding primair als oorspronkelijk overeengekomen vergoeding en subsidiair als meerwerk. Nadat Rizzani hier tegenin had gebracht (i) dat zij dit bedrag niet verschuldigd is omdat een
lump sumwas overeengekomen, waarvan dit bedrag geen deel uitmaakt, én (ii) dat [bedrijf 1] heeft nagelaten om een specifieke meerwerkopdracht te vragen, is dit alles op de zitting door RGS c.s. gemotiveerd weersproken. Zo is door RGS c.s. op de zitting aangevoerd dat er geen afzonderlijke schriftelijke meerwerkopdracht van Rizzani vereist was en dat het tussen partijen niet gebruikelijk was om voor iedere aanvullende werkzaamheid formeel een meerwerkopdracht te verstrekken. Door Rizzani is dit op zitting vervolgens niet meer betwist. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag is dus komen vast te staan, zodat het zal worden toegewezen.
5.47.
Het gevorderde bedrag van € 167.540,00 heeft betrekking op de verhuur van bouwapparatuur, ook aangeduid als ‘
Equipment used for Measured Work’. [bedrijf 1] stelt dat Rizzani dit bedrag verschuldigd is, maar heeft dit niet concreet onderbouwd na de betwisting door Rizzani. Rizzani heeft immers, onder verwijzing naar stukken, aangevoerd dat zij voor deze post (slechts) € 44.008,40 verschuldigd is. De enkele verwijzing door [bedrijf 1] naar producties zonder dat deze van enige inhoudelijke toelichting worden voorzien, is daarvoor onvoldoende. Het is niet aan de rechtbank om in die producties op te zoek te gaan naar de onderbouwing voor de stelling van [bedrijf 1] en de weerlegging van de betwisting door Rizzani dat (slechts) € 44.008,40 verschuldigd is. Van [bedrijf 1] had meer verwacht mogen worden van haar (nadere) stelplicht op dit punt. De rechtbank stelt vast dat partijen het in ieder geval er over eens zijn dat een bedrag van € 44.008,40 toewijsbaar is. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
5.48.
De gevorderde bedragen van € 37.000,00 en € 47.921,18 hebben betrekking op de verhuur van – zakelijk weergegeven – bepaalde materialen. Rizzani stelt dat [bedrijf 1] geen recht heeft op betaling in het geval van slecht weer omdat zij toen geen gebruik heeft kunnen maken van het gehuurde. Partijen waren betaling op grond van uurtarieven overeengekomen, aldus Rizzani, terwijl [bedrijf 1] met dagtarieven heeft gerekend. Rizzani heeft dus ten onrechte moeten betalen voor uren waarin zij geen gebruik heeft kunnen maken van de materialen. Door RGS c.s. is dit vervolgens gemotiveerd betwist op de zitting. Dat geen huur verschuldigd zou zijn ingeval dat het weer aan gebruik van het gehuurde in de weg zou staan, is niet overeengekomen en ook niet logisch, aldus [bedrijf 1] . Hierop is door Rizzani niet meer gemotiveerd gereageerd, bijvoorbeeld door te onderbouwen waarom dit wel is overeengekomen of anderszins redelijk is. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag staat daarom vast en zal worden toegewezen.
5.49.
Het gevorderde bedrag van € 21.082,00 heeft betrekking op de vergoeding van het gebruik door Rizzani van een extra ‘Bobcat’(-bouwmachine). Niet in geschil is dat door Technip, opdrachtgever van Rizzani, om deze extra ‘Bobcat’(-bouwmachine) is verzocht. In reactie op de summiere betwisting door Rizzani bij conclusie van antwoord is door RGS c.s. op de zitting uitgebreid gemotiveerd uiteengezet waarom Rizzani dit bedrag verschuldigd is. Zo is door RGS c.s. nader onderbouwd dat en waarom deze extra aanvraag niet wordt bestreken door Overeenkomst 2 en dat het om een losstaande opdracht gaat. Hierna heeft Rizzani dit niet gemotiveerd weten te weerleggen. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag is dus komen vast te staan, zodat het zal worden toegewezen.
5.50.
Rizzani betwist dat zij het gevorderde bedrag van € 23.497,20 verschuldigd is omdat zij ter hoogte van dit bedrag schade zou hebben geleden als gevolg van een contractbreuk van [bedrijf 1] op 25 en 26 februari 2025, toen [bedrijf 1] bepaalde machines stopzette. Nog daargelaten dat Rizzani niet heeft betwist dat [bedrijf 1] mocht overgaan tot opschorting van haar werkzaamheden omdat betaling door Rizzani uitbleef, heeft Rizzani op geen enkele wijze aangetoond dat zij schade heeft geleden als gevolg van deze opschorting en dus eventueel mag verrekenen. De verschuldigdheid door Rizzani van dit bedrag is dus komen vast te staan, zodat het zal worden toegewezen.
(iii)
door [bedrijf 1] gevorderde retentiebedrag(en) van (in totaal) € 217.980,01
5.51.
Het werk is al veel langer dan dertig dagen geleden opgeleverd en er zijn geen beschadigingen door Rizzani gemeld. De retentiebedragen zijn daarom betaalbaar en zullen worden toegewezen.
(iv)
tussenconclusie
5.52.
Uit het bovenstaande volgt dat het door [bedrijf 1] gevorderde hoofdsombedrag van € 186.760,59 en het retentiebedrag van € 217.980,01 volledig zullen worden toegewezen.
(v)
verschuldigde rente
5.53.
Ook hier is sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat [bedrijf 1] met recht de wettelijke handelsrente vordert vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling.
5.54.
De toegewezen bedragen zijn vanaf de volgende dagen verschuldigd:
Mbt € 7.797,00: 14/05/2025 (zie rnr. 3.11 dagvaarding)
Mbt € 44.008,40: 14/05/2025 “
Mbt € 37.000,00 14/05/2025 “
Mbt € 47.921,18 14/05/2025 “
Mbt € 354,32 03/07/2025 (zie rnr. 1.4 spreekaant. RGS c.s.)
Mbt € 812,25 27/07/2025 “
Mbt € 1.177,87 14/09/2025 “
Mbt € 1.344,12 26/10/2025 “
Mbt € 1,766,25 20/11/2025 “
Mbt € 21.082,00 20/05/2025 (dit is datum relevante bijeenkomst)
Mbt € 23.497,20 25/02/2025 (eerste datum contractbeuk)
Mbt het retentiebedrag 12/06/2025 (zie prod. 26 RGS c.s.)
(vi)
uitvoerbaarheid
5.55.
Wat betreft de uitvoerbaarheid verwijst de rechtbank naar r.o. 5.63-5.65 hieronder.
Buitengerechtelijke incassokosten – € 5.160,17 (mbt vord. 1) en € 4.271,51 (mbt vord. 2)
5.56.
De rechtbank volgt Rizzani niet in haar standpunt dat RGS c.s. hun vorderingen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten niet voldoende hebben gemotiveerd. Dat hebben zij wél gedaan, om te beginnen in randnummer 3.8 van de dagvaarding.
5.57.
De door RGS en [bedrijf 1] gevorderde hoofdsommen betreffen uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom en het verzuim is ingetreden na 1 juli 2012. De buitengerechtelijke kosten worden daarom berekend aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit BIK). De rechtbank stelt vast dat RGS c.s. voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Wat betreft de vorderingen van RGS bedragen de toewijsbare buitengerechtelijke kosten conform de bij het Besluit BIK behorende staffel € 8.767,00 (€ 875,00 + 1% x € 789.215,75 (€ 799.215,75 minus € 10.000,00)). Het aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag van € 5.160,17 zal dan ook worden toegewezen.
Wat betreft de vordering van [bedrijf 1] bedragen de toewijsbare buitengerechtelijke kosten conform de bij het Besluit BIK behorende staffel € 4.822,41 (€ 875,00 + 1% x € 394.740,60 (€ 404.740,60 minus € 10.000,00)). Het aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag van € 4.271,51 zal dan ook worden toegewezen.
5.58.
Buitengerechtelijke incassokosten kwalificeren als schadevergoeding en daarover is geen wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd. De rechtbank zal wel de – in die vordering besloten liggende – wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling. Nu eerder dan de dagvaarding geen aanspraak is gemaakt op betaling van deze kosten, geldt als dag van verschuldigdheid de datum van dagvaarding, te weten 15 juli 2025.
5.59.
Wat betreft de uitvoerbaarheid verwijst de rechtbank naar r.o. 5.63-5.65 hieronder.
De Italiaanse CNC-procedure en de Italiaanse Concordato preventivo-procedure
5.60.
De CNC-procedure is inmiddels geëindigd en ook de in dat kader gegeven beschermende maatregelen. Daar zijn partijen het over eens. De CNC-procedure speelt in conventie daarom geen rol meer.
5.61.
Rizzani heeft na de zitting in de onderhavige zaak, meer concreet: bij de hierboven in 2.1 genoemde akte houdende uitlating na mondelinge behandeling, een beschikking van 12 februari 2026 overgelegd van de Italiaanse rechter met bijbehorende beschermende maatregelen, waaronder een verbod op het voortzetten van conservatoire maatregelen. Dit betreft de
Concordato preventivo-procedure – zoals genoemd in bijlage A van de EU Insolventieverordening ((EU) 2015/848). Het bepaalde in genoemde beschikking leidt tot automatische erkenning ervan in Nederland (ook van de beschermende maatregelen).
5.62.
RGS c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen de overlegging door Rizzani van deze Italiaanse beschikking van 12 februari 2026. De rechtbank gaat daar echter niet in mee. Daartoe overweegt zij als volgt. Tijdens de zitting in de onderhavige zaak, op 10 februari 2026, is er van de zijde van Rizzani op gewezen dat er na beëindiging van de CNC-procedure inmiddels om toelating tot een herstructureringsprocedure in Italië was verzocht (namelijk op 5 februari 2026) én dat een beslissing in die procedure op zeer korte termijn te verwachten was. In verband hiermee is de zaak na afloop van de zitting verwezen naar de rol van 4 maart 2026 voor uitlating over het verdere verloop van de onderhavige zaak (zie ook het procesverloop). Daarop is bovengenoemde akte houdende uitlating van Rizzani gevolgd. In die akte wordt tevens melding gemaakt door Rizzani dat partijen geen regeling hebben kunnen treffen. Rizzani heeft bij haar akte ook een vertaling van de beschikking in overgelegd. Verder gaat Rizzani in haar akte ook in op de gevolgen die die Italiaanse beschikking volgens haar heeft voor het verdere verloop van de onderhavige zaak. Na deze akte van Rizzani hebben RGS c.s. nog inhoudelijk gereageerd op de Italiaanse beschikking. De rechtbank ziet dus geen reden om de Italiaanse beschikking buiten beschouwing te laten. RGS c.s. hebben daarop ook in voldoende mate kunnen reageren.
5.63.
De
Concordato preventivoleidt er niet toe dat de ten tijde daarvan al gelegde conservatoire beslagen ten laste van Rizzani moeten worden opgeheven (zie hierna in reconventie). Een plicht tot opheffing van die beslagen volgt niet uit de Italiaanse wetgeving en past evenmin bij de aard van de beschermende maatregelen, het doel ervan en het doel van de EU Insolventieverordening ((EU) 2015/848). De afgekondigde beschermingsmaatregelen betekenen wél een bevriezing van de toestand op dat moment – als gevolg waarvan de al gelegde conservatoire beslagen niet mogen niet worden voortgezet. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat zolang de betreffende beschermingsmaatregelen van kracht zijn, dit vonnis niet ten uitvoer mag worden gelegd en de conservatoire beslagen dus niet mogen worden uitgewonnen in het kader van een executie. Als gevolg van de bevriezing wordt het vermogen van Rizzani niet aangetast. Daarmee wordt het doel van de beschermingsmaatregelen gediend zonder dat RGS c.s. hun zekerheid in de vorm van het conservatoire beslag kwijt zijn. Het is immers op voorhand niet duidelijk of de beschermingsmaatregelen worden verlengd.
5.64.
Dit betekent dat de vorderingen van RGS c.s., voor zover zij worden toegewezen, ook uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard. Hierbij geldt als gezegd de beperking dat het vonnis niet ten uitvoer gelegd mag worden en er dus geen verhaal mag worden genomen ten laste van het vermogen van Rizzani zolang de beschermingsmaatregelen, zoals die nu [1] gelden op grond van de beschikking van 12 februari 2026, van kracht zijn. Dit betekent ook dat, als de beschermingsmaatregelen eindigen, bijvoorbeeld omdat zij niet verlengd worden, er een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van Rizzani ligt ten gunste van RGS c.s., waarmee RGS c.s. de executie vervolgens ter hand kunnen nemen.
5.65.
De CNC-procedure (Italië) heeft, zoals overwogen, geen invloed op de toewijzing van de vorderingen van RGS c.s. noch op de uitvoerbaarheid en uitvoerbaar bij voorraad- verklaring.
Proceskosten
5.66.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rizzani in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van RGS c.s. worden tot aan deze uitspraak bepaald op:
dagvaardingskosten € 122,35
beslagkosten € 4.834,66 (= 3.599,16 + 207,34 + 1.028,16)
griffierecht € 9.474,00
salaris advocaat € 18.524,00 (vier punten in liquidatietarief VIII)
nakosten € 296,00 (conv en reconv) (+ verhoging vermeld in dictum)
totaal € 33.251,01.
5.67.
Met betrekking tot de over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.
voorts in reconventie
Het door Rizzani gevorderde
5.68.
Onder verwijzing naar hetgeen hierboven in r.o. 5.63 is geoordeeld in conventie, zal de rechtbank de door Rizzani gevorderde opheffing van de gelegde beslagen, de verklaring voor recht dat het handhaven van de beslagen onrechtmatig is, alsmede de verwijzing naar de schadestaat – afwijzen. Voor zover Rizzani vindt dat RGS c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld omdat zij de conservatoire beslagen in weerwil van de eerdere (en inmiddels geëindigde) CNC-procedure (destijds) hebben gehandhaafd, geldt dat de rechtbank van oordeel is dat op grond van die procedure evenmin een verplichting voor RGS c.s. heeft bestaan tot opheffing van de conservatoire beslagen. Verwezen wordt naar hetgeen hierover onder 5.63 is overwogen ten aanzien van de
Concordato preventivo. Dit staat overigens nog los van de vraag of de CNC-procedure, althans de daaruit volgende beschikkingen, in Nederland gelding hebben gehad nu die procedure niet wordt genoemd in Bijlage A van de Insolventieverordening ((EU) 2015/848).
5.69.
Gezien het oordeel in conventie bestaat er evenmin anderszins grond om de conservatoire beslagen ten laste van Rizzani op te heffen. Van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van RGC c.s. is niet gebleken (vgl. artikel 705 lid 2 Rv Pro).
5.70.
De overige verweren die RGS c.s. in reconventie in dit verband hebben gevoerd, behoeven daarom geen bespreking meer.
Proceskosten
5.71.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rizzani in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van RGS c.s. worden tot aan deze uitspraak bepaald op:
salaris advocaat € 979,50 (1,5 punt in liquidatietarief II)
totaal € 979,50.
5.72.
Wat betreft de uitvoerbaarheid van de proceskostenveroordeling verwijst de rechtbank naar r.o. 5.64 hiervoor.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt Rizzani tot betaling aan RGS van de volgende bedragen tegen behoorlijk bewijs van kwijting:
▪€ 699.800,07 (‘hoofdsom’)
▪€ 99.415,68 (‘retentiebedrag’)
▪de op deze bedragen betrekking hebbende wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling als vermeld in r.o. 5.41
▪€ 5.160,17 (buitengerechtelijke incassokosten)
▪de op dit bedrag betrekking hebbende wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 15 juli 2025 tot de dag van betaling;
6.2.
veroordeelt Rizzani tot betaling aan [bedrijf 1] van de volgende bedragen tegen behoorlijk bewijs van kwijting:
▪€ 186.760,59 (‘hoofdsom’)
▪€ 217.980,01 (‘retentiebedrag’)
▪de op deze bedragen betrekking hebbende wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling als vermeld in r.o. 5.54
▪€ 4.271,51 (buitengerechtelijke incassokosten)
▪ de op dit bedrag betrekking hebbende wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 15 juli 2025 tot de dag van betaling;
6.3.
veroordeelt Rizzani in de proceskosten van RGS c.s. van € 33.251,01, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.4.
veroordeelt Rizzani tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten na veertien dagen na dit vonnis tot het tijdstip van algehele betaling;
6.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, met de beperking als vermeld in r.o. 5.64;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen af;
6.8.
veroordeelt Rizzani in de proceskosten van RGS c.s. van € 979,50;
6.9.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, met de beperking als vermeld in r.o. 5.64.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts, mr. B.A. Cnossen en mr. S.V. Hardonk en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
901/3455/2334/3407

Voetnoten

1.De beschermende maatregelen gelden tot 11 juni 2026 (daar zijn partijen het wel over eens), maar zij kunnen mogelijk (zo begrijpt de rechtbank) worden verlengd.