In 2003 stak de verdachte een man dood met een mes. De verdachte stelde dat hij handelde uit zelfverdediging omdat het slachtoffer hem eerst in de nek stak en daarna probeerde te wurgen. De rechtbank achtte dit scenario aannemelijk en honoreerde het beroep op noodweer.
De officier van justitie had de verdachte beschuldigd van moord of doodslag, maar de rechtbank sprak de verdachte vrij van moord en verklaarde doodslag bewezen. De verdachte had voorwaardelijk opzet op het doden van het slachtoffer, maar het beroep op noodweer maakte hem niet strafbaar.
De rechtbank baseerde zich op consistentie in de verklaringen van de verdachte, getuigenverklaringen over zijn toestand na het incident, en forensisch bewijs zoals bloedsporen. De aanval van het slachtoffer werd als een voortdurende aanval gezien, waarop de verdachte in redelijke mate reageerde.
De rechtbank oordeelde dat het geweld proportioneel was en dat de verdachte geen andere redelijke keuze had dan zich te verdedigen. Daarom werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.