De zaak betreft een beroep tegen de verlenging van een huisverbod opgelegd door de burgemeester van Rotterdam aan verzoeker. Het huisverbod werd verlengd omdat de situatie onveranderd was en de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de achterblijfster.
Verzoeker stelde dat het gevaar niet meer bestond en dat het ontbreken van een partnergesprek en veiligheidsafspraken niet aan hem kon worden tegengeworpen, mede omdat de achterblijfster niet wilde meewerken. De voorzieningenrechter oordeelde dat het huisverbod als afkoelingsperiode geldt en dat achterblijfster niet verplicht is mee te werken aan een partnergesprek om het gevaar te verminderen.
De rechtbank concludeerde dat het gevaar ten tijde van de verlenging nog bestond en dat de burgemeester bevoegd was het huisverbod te verlengen. Ook werd geoordeeld dat de belangenafweging van de burgemeester redelijk was, mede gezien de medewerking van Veilig Thuis aan een oplossing voor het woon-werkverkeer van verzoeker.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling werden afgewezen.