ECLI:NL:RBROT:2026:647

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
10/248801-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak zware mishandeling, veroordeling poging tot zware mishandeling met gevangenisstraf en schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zijn achterneef met een mes heeft gestoken. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor deze zware aanklacht. De verdachte heeft op 22 september 2025 in Rotterdam zijn achterneef gestoken in de arm en het bovenbeen, wat leidde tot verwondingen die gehecht moesten worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte wel degelijk een poging tot zware mishandeling heeft gepleegd, maar sprak hem vrij van de zware mishandeling zelf, omdat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden gekwalificeerd. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 120 dagen en kende een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij, die bestond uit materiële en immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij werd gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank oordeelde dat de verdachte € 226,00 voor materiële schade en € 1.000,00 voor immateriële schade moest vergoeden. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit en de impact op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar hield ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/248801-25
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Datum zitting: 06 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1981 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] ( [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.W.B. van Twist
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A] (Slachtofferhulp Nederland)
Kern van het vonnis
De verdachte heeft [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) meerdere malen gestoken. Op de zitting stond niet ter discussie dat de verdachte dat heeft gedaan omdat hij het steken heeft bekend. Centraal stond de vraag of de verdachte met een mes of een stuk glas heeft gestoken en hoe het door het slachtoffer opgelopen letsel valt te kwalificeren. De rechtbank vindt dat de verdachte een poging heeft gedaan om het slachtoffer met een mes zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en legt uit waarom.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door het slachtoffer in de heup en de arm te steken met een mes. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 22 september 2025 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- met een mes, in elk geval een scherp/puntig voorwerp, zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] te maken en/of
- die [slachtoffer] met een/dat mes, in elk geval een/dat scherp/puntig voorwerp, in een heup/bovenbeen en/of een arm te snijden en /of te steken;
subsidiairhij op of omstreeks 22 september 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een mes, in elk geval een scherp/puntig voorwerp, zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of
- die [slachtoffer] met een/dat mes, in elk geval een/dat scherp/puntig voorwerp, in een heup/bovenbeen en/of een arm heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primaire en het subsidiaire feit. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer in de bovenarm en het bovenbeen heeft gestoken met een mes. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik heb op 22 september 2026 in Rotterdam mijn achterneef [slachtoffer] gestoken in zijn jas. Ik heb hem in zijn arm geraakt.
2.
Proces-verbaal van de politie [3] Op 22 september 2025 werden wij gestuurd naar de Taselaarstraat in Rotterdam. Ter plaatse aangekomen zagen wij een man staan in het grasveldje in het park bij de Taselaarstraat.
Wij zagen dat deze man een bebloede linkerarm had en een doek om zijn linker bovenarm hield. Deze man gaf zich later op te zijn als:
=== [slachtoffer] , [voornamen slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 12-1980 === (...)
Wij zagen dat er een steekwond bevond van ongeveer 1,5 centimeter bij 1 centimeter. Hierop plaatste ik een tourniquet bij [slachtoffer] op zijn linker bovenarm. Ik zag dat zijn linkerarm geheel bebloed was.
Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat hij door een vlindermes was gestoken.
3.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Ik wil aangifte doen tegen [roepnaam verdachte] . Ik weet zijn echte naam niet. Hij is mijn achterneef. Op 22 september 2025 […] kwam hij uit de Taselaarstraat in Rotterdam. […] Ik zag dat hij een grijs vlindermes uit zijn rechterjaszak pakte. Ik zag dat hij het mes openklapte. Het snijgedeelte was ongeveer 10 centimeter lang. Hij kwam terug lopen naar mij. Ik zag dat hij met zijn mes voor zich bezig was. Hij liep met de punt van het mes naar mij toe. Hij zwaaide met zijn mes. Ik ontweek het door naar achter te leunen en toen trapte ik in de richting van het mes. Toen ben ik denk ik geraakt op mijn linker bovenbeen. Hij stak weer met zijn mes in mijn richting en toen kwam hij tegen mijn arm aan. Ik probeerde hem af te weren. Ik schrok en ik voelde meteen iets warms stromen. […] Ik deed mijn jas uit en toen zag je mijn arm en het bloed stromen.
4.
Deskundigenverslag [4] S Letselvertaling op basis van medische informatie Ikazia ziekenhuis betreffende consult spoedeisende hulp op 22-09-2025.
O Ter plaatse van de linker bovenarm een steekwond, lengte niet nader bekeken, wond qua diepte reikend tot en met onderhuids vetweefsel. Ter plaatse van het linker bovenbeen een snijwond.
E De wond van de bovenarm werd gehecht, zowel onderhuids weefsel als de huid.
De wond van het bovenbeen werd gehecht, enkel de huid.
Betrokkene kreeg een drukverband om de bovenarm en antibiotica ter preventie van een
wondinfectie. Betrokkene werd ter controle opgenomen, en werd in goede conditie ontslagen op 23-09-2025. Hechtingen moesten verwijderd worden na 10 dagen.
P Bij ongecompliceerd beloop 1 à 2 weken.
2.3.2.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever in zijn arm heeft gestoken. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden met welk voorwerp de verdachte dit heeft gedaan en hoe zijn handelen gekwalificeerd moet worden.
Voorwerp waarmee gestoken is
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gestoken met een stuk glas dat hij tijdens de worsteling op de grond heeft gevonden. De rechtbank hecht op dit punt meer geloof aan de verklaring van de aangever dan aan de verklaring van de verdachte. De aangever heeft namelijk onmiddellijk na het incident ter plaatse aan de politie verklaard dat de verdachte hem met een vlindermes had gestoken. Ook in zijn aangifte heeft hij hier gedetailleerd en uitvoerig over verklaard. De verdachte daarentegen heeft tot aan de terechtzitting, ruim drie maanden, gezwegen en pas toen voor het eerst verklaard over een stuk glas dat hij tijdens de worsteling zou hebben gevonden waarmee hij zou hebben gestoken. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken.
Poging zware mishandeling
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vaststaat dat de verdachte met een mes in de arm en in het bovenbeen van de aangever heeft gestoken. Uit de FARR-verklaring blijkt dat de verwondingen in zowel de bovenarm als in het bovenbeen zijn gehecht. Blijkens het dossier heeft de aangever hier littekens aan overgehouden. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat de verdachte de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, gelet op de aard van het letsel. Een litteken is niet zonder meer aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De littekens van de aangever op zijn arm en heup zijn wel ontsierend, maar – anders dan bijvoorbeeld in het gezicht – niet onmiddellijk zichtbaar. Naar redelijke verwachting zijn ze ook niet wezenlijk van invloed op het dagelijks functioneren van de aangever. Gelet op wat daarover in de FARR-verklaring is opgenomen en bij gebreke van aanknopingspunten voor het tegendeel zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er geen uitzicht op (volledig) herstel is. Daarom valt het litteken niet als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Wel kan het handelen van de verdachte worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. De kans dat bij het steken zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest. Het is een feit van algemene bekendheid – en ook verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest – dat het tijdens een worsteling steken met een mes in de arm kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Er bestond namelijk een aanmerkelijke kans dat een slagader zou worden geraakt en dat pezen of spieren geraakt zouden worden met als gevolg blijvend functieverlies. Daarnaast was de kans aanwezig dat door het ongecontroleerd steken tijdens de schermutseling een ander (vitaal) lichaamsdeel in het borstgebied geraakt zou worden. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.
2.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 22 september 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een mes zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt en
- die [slachtoffer] met dat mes in een bovenbeen en een arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Poging tot zware mishandeling
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Er kan worden bewezen dat de verdachte schuldig is aan eenvoudige mishandeling, waarbij van belang is dat de verdachte zich heeft verdedigd. Dit dient te worden verdisconteerd in de strafmaat. Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden is een passende reactie.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer, zijn achterneef, met een mes in de arm en in het bovenbeen te steken. De verdachte en het slachtoffer zouden een conflict hebben over geld omdat het slachtoffer de verdachte geld schuldig zou zijn. Als de verdachte zou zijn geslagen door het slachtoffer, dan mocht hij zich verdedigen maar niet met een mes zoals hij heeft gedaan. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan letsel opgelopen. Dat het letsel niet veel ernstiger is geweest, is niet aan de verdachte te danken. Door dit handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast ontstaat een gevoel van onveiligheid in de omgeving en in de maatschappij door dit soort misdrijven.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 december 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist omdat zij tot het oordeel komt dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot het toebrengen daarvan. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 120 dagen. Dat betekent per saldo dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij uiteindelijk € 286,00 als vergoeding voor materiële schade en € 6.325,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor zover dit ziet op het eigen risico over 2025 (te weten € 226,00). Ook kan een bedrag worden toegewezen voor de schoenen en de broek, waarbij aan de rechtbank is verzocht om de hoogte van het bedrag te schatten. Ten aanzien van de immateriële schade kan het gehele bedrag worden toegewezen. Verzocht wordt het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 226,00 voor materiële schade (eigen risico 2025). Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist voor zover die ziet op het eigen risico. Dit komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering ten aanzien van het eigen risico wordt daarom toegewezen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de schoenen en de broek heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 226,00 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.000,00. Bij de vaststelling is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook is acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, een hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding in het bijzonder acht geslagen op de categorieën ‘misvorming van het gezicht’ (par. 9.2) en ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ (hoofdstuk 10). Gelet op de ernst van de littekens op de bovenarm en het bovenbeen en gezien het feit dat deze zich op een plek bevinden die over het algemeen bedekt of in ieder geval niet direct zichtbaar zijn, zal de schade op basis van de tot op dit moment gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij de bedragen voor geringe littekenvorming in het gezicht die, naar de rechtbank opvalt, lager zijn dan de bedragen voor minder ernstige littekenvorming aan andere delen van het lichaam. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard, dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 120 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van vandaag;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van €
1.226,00, bestaande uit € 226,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat
€ 1.226,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en D.M. Douwes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 januari 2026.
Mrs. Hameete, Douwes en Van Twist zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met nummer [dossiernummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 6 januari 2026.
3.pagina 4 en 5 van het proces-verbaal.
4.Rapport van de FARR van 7 oktober 2026 betreffende [slachtoffer] .