Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6520

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
C/10/650063 / FA RK 22-9214
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling omgangsrecht minderjarige met nadruk op veiligheid en hulpverlening

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de regeling van het omgangsrecht tussen de ouders van een minderjarige geboren in 2022. De procedure kende een complex verloop met eerdere tussenbeschikkingen, een vernietiging door het hof van een wijziging in het ouderlijk gezag en een wrakingsverzoek. De minderjarige staat sinds maart 2025 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).

De rechtbank constateerde dat de omgang tussen de man en de minderjarige momenteel beperkt is tot iedere maandag enkele uren, met spanningen en onrust tijdens overdrachten. De vrouw uitte zorgen over het welzijn van de minderjarige bij de man, waaronder beschuldigingen die de man ontkent. De GI rapporteerde dat de emotionele veiligheid van de minderjarige onder druk staat door conflicten tussen ouders en dat de opvoedingscapaciteiten onvoldoende aansluiten bij haar behoeften.

De rechtbank besloot de omgangsregeling uit te breiden naar iedere maandag van 09.00 tot 17.00 uur met overdracht bij McDonald’s in Dordrecht, waarbij communicatie tussen ouders beperkt moet blijven om onrust te voorkomen. Verdere uitbreiding, inclusief overnachtingen, wordt onder regie van de GI nagestreefd binnen twaalf maanden, mits de opvoedsituatie bij de man voldoende is. De betrokkenheid van Coach-Point als hulpverlener is essentieel, maar het traject kan pas starten bij aanstelling van een vaste jeugdbeschermer, wat de rechtbank zorgelijk vindt.

De rechtbank benadrukte het belang van het welzijn van de minderjarige en het beëindigen van de langdurige procedure, waarbij de focus op hulpverlening en rust moet liggen. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank stelt een omgangsregeling vast waarbij de minderjarige iedere maandag van 09.00 tot 17.00 uur bij de man verblijft met overdracht bij McDonald’s Dordrecht en onder regie van de jeugdbeschermer binnen twaalf maanden uitbreiding naar overnachting wordt nagestreefd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/650063 / FA RK 22-9214
Beschikking van 29 mei 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. T. Erdal te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W. de Deugd te Dordrecht.
de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de (tussen)beschikking van 24 april 2025;
  • de berichten van de vrouw (met bijlagen) van 19 november 2025, 26 maart 2026 en 30 maart 2026;
  • de berichten van de man van (met bijlagen) 31 december 2025, 27 maart 2026 en 30 maart 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen van 31 maart 2026.
1.2.
De rechtbank heeft de overgelegde video-opnames van de zijde van de man niet kunnen bekijken, omdat zij de bestanden niet kon openen.
1.3.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, regio Zuid-Holland Zuid (hierna: de GI) heeft na afloop van de mondelinge behandeling stukken ingediend. Omdat de rechtbank daar geen gelegenheid voor heeft gegeven, worden deze stukken buiten beschouwing gelaten. Dat betekent dat de stukken niet toegevoegd worden aan het dossier.
1.4.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 2] (telefonisch).
1.5.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de vrouw in persoon een wrakingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft de behandeling van de familiezaak vervolgens aangehouden in afwachting van en uitspraak van de wrakingskamer. De kamer heeft op 11 mei 2026 een beslissing genomen, waarna de procedure tussen partijen is hervat.

2.De nieuwe vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van 21 november 2025 heeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, regio Haaglanden vervangen door de huidige GI, vanwege de verhuizing van de minderjarige en de vrouw naar Dordrecht.
2.2.
De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 27 maart 2027.

3.De beoordeling

3.1.
Tussenbeschikking en beschikking in hoger beroep
3.1.1.
Bij tussenbeschikking van 24 april 2025 heeft de rechtbank;
  • het ouderlijk gezag gewijzigd, zodat de man en de vrouw voortaan het gezag over de minderjarige samen uitoefenen;
  • de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen over de voorlopige zorgregeling opgenomen, te weten dat:
o iedere maandag ziet de man de minderjarige van 09.00 uur tot 11.00 uur bij de Funzone Zoetermeer. Deze afspraak wordt vier keer zo uitgevoerd. Tijdens de overdracht zijn alleen de man en de vrouw betrokken en wordt een korte groet van “hoi” overgebracht;
- bepaald dat na de hiervoor vermelde afspraak de voorlopige zorgregeling als volgt zal zijn:
o iedere maandag ziet de man de minderjarige van 09.00 tot 13.00 uur;
o de overdracht voor dit contact vindt plaats bij Novotel Rotterdam Brainpark. Tijdens de overdracht zijn alleen de man en de vrouw betrokken en wordt een korte groet van “hoi” overgebracht;
o de voorlopige zorgregeling blijft gelden totdat de jeugdbeschermer betrokken is en mogelijk met partijen tot andere afspraken zal komen.
De behandeling van de zaak over de definitieve zorgregeling wordt aangehouden met verzoek aan partijen en de GI de rechtbank te informeren over de uitvoering van de voorlopige regeling en ook over de resultaten van de begeleiding van de GI.
3.1.2.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
3.1.3.
Bij beschikking van 8 april 2026 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 24 april 2026 vernietigd voor zover daarin het ouderlijk gezag over de minderjarige is gewijzigd. Het hof heeft de beschikking ten aanzien van de voorlopige zorgregeling bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof werd onderworpen.
3.2.
Omgangsregeling
3.2.1.
Omdat alleen de vrouw is belast met het ouderlijk gezag, spreekt de rechtbank hierna over een omgangsregeling in plaats van over een zorgregeling.
3.2.2.
De man verzoekt de volgende omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat er omgang plaats zal vinden:
  • de eerste drie maanden vier keer per week voor de duur van vier uren op een nader te bepalen tijdstip;
  • zodra de minderjarige 4 maanden oud is vier keer per week van 10.00 tot 16.00 uur;
  • zodra de minderjarige 6 maanden oud is wekelijks twee dagen met overnachting bij de man.
Hoewel de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de initiële verzoeken bijgesteld kunnen worden, heeft hij na die mededeling de verzoeken niet gewijzigd. De rechtbank begrijpt daaruit dat de man zijn verzoeken handhaaft.
3.2.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt om te bepalen dat er begeleide omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarige, onder leiding van Coach-Point.
3.2.4.
Uit de door de GI overgelegde briefrapportage van 31 maart 2026 blijkt dat het partijen, als gevolg van de complexe scheidingsproblematiek en de aanhoudende spanningen, onvoldoende lukt om in het belang van de minderjarige te handelen en om zich primair te richten op hun eigen ouderrol. De aandacht gaat regelmatig uit naar de onderlinge verschillen in visie, met name rondom de omgang en opvoeding van de minderjarige. De spanningen zetten de emotionele veiligheid van de minderjarige onder druk. Zij bevindt zich in een complexe dynamiek tussen haar ouders en is herhaaldelijk getuige geweest van conflicten tussen hen, terwijl zij behoefte heeft aan rust, veiligheid en voorspelbaarheid. De opvoedingscapaciteiten sluiten op dit moment onvoldoende aan bij de ontwikkelings- behoeften van de minderjarige en er is geen sprake van onbelast contact tussen de minderjarige en de man. Vanuit de ondertoezichtstelling is vastgesteld dat gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
  • de minderjarige ervaart rust, veiligheid en voorspelbaarheid tijdens de overdrachts- en omgangsmomenten en voelt zich vrij om met beide ouders een veilige en stabiele hechtingsrelatie op te bouwen;
  • partijen communiceren op een neutrale en respectvolle manier met elkaar en over de minderjarige;
  • het contact tussen de man en de minderjarige wordt zorgvuldig, veilig, rustig en stapsgewijs opgebouwd, afgestemd op wat voor de minderjarige passend is.
3.2.5.
De afgelopen periode hebben partijen de zorgregeling uit de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2025 uitgevoerd. De minderjarige verblijft iedere maandag van 09.00 uur tot 13.00 uur bij de man. De man ervaart de omgang als positief. Hij geniet van de momenten waarop hij met de minderjarige is en wil het contact graag verder uitbreiden. De vrouw is niet tevreden over hoe de omgang verloopt. De omgang zou leiden tot onrust bij de minderjarige en zij heeft sinds kort ook het gedrag van de minderjarige in negatieve zin zien veranderen. De overdracht verloopt bovendien niet goed. De man zou regelmatig te laat komen en ruzie maken in het bijzijn van de minderjarige. Zij maakt zich zorgen over de minderjarige als zij bij de man is en heeft stevige beschuldigingen geuit richting de man, onder andere van middelengebruik en seksueel misbruik. De man ontkent deze beschuldigingen.
3.2.6.
Met partijen is uitvoerig gesproken over een definitieve omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. De raad heeft geadviseerd dat het in het belang van de hechting is dat er meer contact is tussen de minderjarige en de man. De overdracht moet op neutraal terrein plaatsvinden en de uren moeten uitgebreid naar tweemaal vier uur. Voor een overnachting is het nog te vroeg, aldus de raad. Namens de man is aangegeven dat elke uitbreiding gewenst is maar tweemaal vier uur ook betekent dat er twee keer extra overgedragen moet worden. Voorgesteld wordt om de duur van het contact op maandag te verlengen naar acht uur, van 8.00 uur tot 16.00 uur of van 9.00 uur tot 17.00 uur. De raad heeft aangegeven hier achter te kunnen staan. De vrouw heeft, ondanks haar bezwaren, ook ingestemd met een uitbreiding van de omgangsregeling naar iedere maandag van 09.00 uur tot 17.00 uur. Omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen deze uitbreiding verzet, zal zij de afspraak tussen partijen opnemen in deze beschikking. De rechtbank heeft geprobeerd uit het dossier te herleiden hoe tot stand is gekomen dat de man drugstesten moet doen bij ophalen en terugbrengen van de minderjarige. Kennelijk is dat een tussen partijen gemaakte afspraak geweest. De rechtbank ziet, net als in de eerder tussenbeschikking, geen aanleiding om te beslissen dat de man dit weer moet gaan doen.
3.2.7.
De rechtbank zal beslissen dat de overdracht van de minderjarige zal plaatsvinden bij de McDonald’s in Dordrecht. De overdracht vindt hier al maanden plaats en sluit daarmee aan bij de huidige praktijk. Partijen onderkennen dat de overdracht nog steeds met enige regelmaat (zeer) onrustig verloopt. De eerdere beslissing van de rechtbank over de overdracht, dat partijen elkaar alleen kort begroeten, lijkt daarmee niet meer opgevolgd te worden. De rechtbank is het met de GI eens dat de overdrachtsmomenten leiden tot onrustige en belaste momenten voor de minderjarige. Op basis van de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken kan de rechtbank niet vaststellen wat er precies gebeurt en wie welk aandeel daarin heeft, maar de rechtbank benadrukt nogmaals dat partijen moeten voorkomen dat de minderjarige in een conflict tussen haar ouders belandt en/of dat zij de spanningen tussen haar ouders voelt. Als partijen er niet in slagen om de huidige situatie snel te verbeteren, dan zullen zij de hulp moeten vragen van een professionele organisatie. Tot die tijd moeten zij maar niets meer zeggen, ook niet ‘zonder woorden’ maar wel gebaren of andere signalen die de minderjarige kan oppikken en waaruit zij kan afleiden dat haar ouders elkaar niet respecteren. De rechtbank zal de eerder gegeven instructie over communicatie tijdens de overdracht in het dictum herhalen.
3.2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat de rechtbank een beslissing zal nemen over de verdere uitbreiding van de omgangsregeling, inclusief een overnachting van de minderjarige bij de man. De rechtbank is van oordeel dat er van een verdere uitbreiding nog geen sprake kan zijn, onder meer vanwege de zorgen die de GI in zijn briefrapportage heeft geschetst. Voor een uitbreiding is nodig dat de minderjarige meer rust, emotionele veiligheid en voorspelbaarheid gaat ervaren in de overdracht en omgang, de ouders op enige wijze met elkaar kunnen communiceren over de verzorging en opvoeding van de minderjarige (bijvoorbeeld over bedtijden) en dat zicht komt op de opvoedsituatie bij de ouders thuis. Wel moet uitbreiding van de regeling onder regie van de GI het doel zijn. De rechtbank vindt dat partijen en de GI binnen twaalf maanden moeten toewerken naar een omgangsregeling waarbij de minderjarige in ieder geval één nacht in de week bij de man overnacht, zoals de man dat zelf ook voor ogen heeft, mits de opvoedsituatie bij de man naar het oordeel van de GI voldoende is. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.2.9.
De GI heeft recent een nieuwe aanmelding voor partijen gedaan voor hulpverlening via Coach-Point en heeft uitgelegd dat het belangrijk is dat deze partij betrokken wordt bij de omgang en/of het overdrachtsmoment en dat via hen zicht komt op de opvoedsituatie bij zowel de man als de vrouw. De rechtbank is het met de GI eens dat inzet van Coach-Point essentieel is om tot uitbreiding van de omgang te kunnen komen. In het verslag van de GI leest de rechtbank dat partijen het aanvankelijk niet eens waren over de wijze waarop de GI Coach-Point wilde inzetten. Tijdens de mondelinge behandeling is daarover gesproken. De vrouw heeft verklaard dat zij weldegelijk bereid is om mee te werken. De rechtbank begrijpt dat de man uiteindelijk ook heeft ingestemd, hoewel hij het traject niet helemaal nodig lijkt te vinden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich in het belang van hun minderjarige dochter zullen inzetten bij Coach-Point.
3.2.10.
Uit de stukken in het dossier blijkt echter dat het traject bij Coach-Point kan niet starten zolang er geen vaste jeugdbeschermer is. Dat vindt de rechtbank uiterst zorgelijk en niet in het belang van de minderjarige. De minderjarige staat al sinds maart 2025 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en al die tijd is er kennelijk nog geen zicht geweest op een vaste jeugdbeschermer. De rechtbank verwacht van de GI dat zij de bescherming van deze minderjarige met urgentie oppakken, zodat de benodigde hulpverlening spoedig van de grond kan komen.
3.2.11.
De rechtbank zal hiermee een eindbeslissing nemen over de omgangsregeling. De regie voor het uitbreiden van de omgangsregeling komt hierna bij de GI te liggen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de zaak nog langer aan te houden. De man is de procedure eind december 2022 gestart, de minderjarige was nog geen maand oud en de afgelopen jaren zijn er nauwelijks stappen vooruit gezet. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat deze procedure voor zowel de man als de vrouw veel energie kost. Het is belangrijk dat de focus komt te liggen op de minderjarige en de hulpverlening, in plaats van op de onderlinge strijd in de zittingszaal.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht hebben getroffen, te weten dat de minderjarige voortaan iedere maandag van 09.00 uur tot 17.00 uur bij de man zal verblijven;
4.2.
bepaalt in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht dat:
  • de overdracht van de minderjarige steeds zal plaatsvinden bij de McDonald’s in Dordrecht. Tijdens de overdracht zijn alleen de man en de vrouw betrokken en wordt een korte groet van “hoi” overgebracht dan wel wordt niet gecommuniceerd in afwachting van hulpverlening;
  • partijen onder regie van de jeugdbeschermer binnen twaalf maanden na de datum van deze beschikking moeten toewerken naar een uitbreiding van de overeengekomen omgangsregeling waarbij de minderjarige in ieder geval één nacht in de week bij de man overnacht, mits de opvoedsituatie bij de man naar het oordeel van de GI voldoende is;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 29 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.