Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6532

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/10/713387 / HA RK 26-36
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 RvArt. 196 lid 2 RvArt. 7:464 lid 2 onder b BWArt. 1019 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorlopig deskundigenonderzoek in geschil over aansprakelijkheid huisarts bij Guillain-Barré syndroom

In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de huisarts toerekenbaar tekort is geschoten in de behandeling van een toen zesjarig meisje, dat later het Guillain-Barré syndroom (GBS) ontwikkelde. De huisarts had Amoxicilline voorgeschreven, terwijl volgens de patiënt Amoxicilline met clavulaanzuur had moeten worden gegeven. Een eerder medisch rapport concludeerde dat het antibioticumbeleid onzorgvuldig was, maar dat dit niet heeft geleid tot het GBS.

De rechtbank beoordeelt het verzoek tot voorlopig deskundigenonderzoek ex artikel 197 Rv Pro en wijst dit toe. De door de patiënt voorgestelde deskundigen worden afgewezen wegens mogelijke belangenverstrengeling met het Erasmus MC, waar de patiënt was opgenomen. De rechtbank benoemt dr. A. Verrips, een onafhankelijke neuroloog-kinderneuroloog, als deskundige.

De deskundige krijgt een uitgebreide vraagstelling over het ziektebeloop, oorzaken, behandelmogelijkheden, prognose van GBS, en de mogelijke relatie met het antibioticumbeleid en infecties zoals Hepatitis E en E. Coli. De kosten van het onderzoek worden gelijkelijk verdeeld tussen partijen, waarbij de helft van het voorschot ten laste komt van de Rijkskas. De procedure bevat strikte regels over medewerking, rapportage en inzagerecht.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig deskundigenonderzoek toegewezen en dr. A. Verrips benoemd als deskundige.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713387 / HA RK 26-36
Beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.J.J. de Ridder,
tegen
[verweerster],
zowel handelend voor zichzelf als in haar hoedanigheid van
wettelijk vertegenwoordiger van:
[persoon A] ,
beiden te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. A. el Ballouti.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 10 bijlagen, ingediend op 13 januari 2026;
- het verweerschrift met producties A en B;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [verzoeker] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 29 april 2016 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van huisarts [verzoeker] , waarbij zij aangaf dat [persoon A] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.
2.2.
[persoon A] heeft [verzoeker] met [persoon A] bezocht op 29 april 2016. De urine van [persoon A] is hierbij nagezien, waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verzoeker] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.
2.3.
Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [persoon A] met [persoon A] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies in de benen. Op 8 mei 2016 is [persoon A] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna ook: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.
2.4.
Op 9 mei 2016 is [persoon A] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [persoon A] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.
2.5.
In de ontslagbrief van 26 mei 2016 van het Erasmus MC staat vermeld:
“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de
afweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij
Jasmina werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is
een bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de
oorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E.
Coli die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker
onwaarschijnlijk.”
2.6.
[persoon A] heeft [verzoeker] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) in 2018 namens [verzoeker] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.
2.7.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. H. De Vries, emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. De Vries).
2.8.
Prof. De Vries heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:
“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…)
- Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide/urinekweek ontbreken)
- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;
- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline/clavulaanzuur”(pag. 12).
De diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in
het huisartsenjournaal, achtte prof. De Vries
“correcte diagnosen”,
“ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”
2.9.
Ook schreef prof. De Vries in zijn rapport:

Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen
zich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is”(pag. 9).
en
“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens
helemaal niets te maken met het feit dat [persoon A] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde”(pag. 12).
2.10.
VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. De Vries, met daarin de conclusie dat het door [verzoeker] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.
2.11.
Omdat prof. De Vries aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens [verzoeker] een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan, aldus VvAA.
2.12.
[persoon A] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoeker] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.
2.13.
[persoon A] heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend bij deze rechtbank waarin zij - onder meer - een verklaring voor recht vraagt dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. Deze procedure is bekend onder zaaknummer C/10/714006 / HA RK 26-73 en is ook behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure heeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing genomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS. Ter beantwoording daarvan kan de vraagstelling worden voorlegd aan dr. A.Verrips , neuroloog.
3.3.
[persoon A] kan instemmen met een voorlopig deskundigenonderzoek maar wenst dat [persoon B] , neuroloog en hoogleraar Immunologie en Neurologie (hierna: [persoon B] ), wordt aangesteld als deskundige - in plaats van dr. Verrips .
3.4.
Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven niet te kunnen instemmen met [persoon B] als deskundige. [persoon B] werkt in het Erasmus MC en zijn collega’s in het Erasmus MC hebben - vanwege de opname van [persoon A] aldaar - al bemoeienis gehad met [persoon A] . Dat maakt dat [persoon B] niet onafhankelijk kan onderzoeken en rapporteren.
3.5.
Ter zitting heeft [persoon A] vervolgens [persoon C] , als neuroloog werkzaam in het het IJsselland Ziekenhuis en gepromoveerd op GBS, voorgedragen als te benoemen deskundige.
3.6.
Ook tegen benoeming van [persoon C] als deskundige heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [persoon C] is gepromoveerd in het Erasmus MC en daarom (wellicht) ook niet onafhankelijk.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift zoals vermeld in artikel 197 Rv Pro voldaan. Het verzoek moet daarom worden toegewezen, tenzij:
- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv Pro). Dit alles doet zich hier echter niet voor.
4.2.
Het verzoek voldoet dus aan de eisen van de wet en zal worden toegewezen.
4.3.
De rechtbank beoordeelt de bezwaren van [verzoeker] tegen de door [persoon A] aangedragen deskundigen - [persoon B] en [persoon C] - als gegrond. [persoon A] is opgenomen geweest in het Erasmus MC. Beide door [persoon A] voorgestelde deskundigen hebben banden of banden gehad met het Erasmus MC waardoor zij mogelijk niet onafhankelijk zullen (kunnen) rapporteren.
4.4.
[persoon A] heeft als bezwaar tegen de benoeming van dr. Verrips als deskundige naar voren gebracht dat hij algemeen neuroloog is. Dit bezwaar beoordeelt de rechtbank niet als voldoende zwaarwegend, omdat een neuroloog de kennis en kunde heeft om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. Dr. Verrips is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen.
Daarom zal de rechtbank hem als deskundige benoemen en zullen aan hem de onder de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.
4.5.
De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot dus vaststellen op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw).
4.6.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.7.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
4.8.
In het feit dat partijen hebben afgesproken de kosten van het eerdere deskundigenrapport van prof. De Vries bij helfte te delen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [persoon A] en [verzoeker] ook in dit voorlopig deskundigenonderzoek de kosten bij helfte delen. Dit sluit ook aan bij aanbeveling 23 van de GOMA [1] . [verzoeker] dient de helft van het voorschot van het voorlopig deskundigenonderzoek ter griffie te storten. Aan [persoon A] is een toevoeging verleend en het griffierecht voor onvermogenden geheven. De helft van [persoon A] van het voorschot op de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek komt daarom ten laste van ’s Rijks kas.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
Vraag 1
Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna te volgen vragen te
kunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog
wilt ontvangen?
Vraag 2
Kunt u het ziektebeloop van een Guillain-Barré syndroom schetsen? Kunt u
daarbij aangeven wat daarvan de oorzaken zijn?
Vraag 3
Wat zijn de behandelmogelijkheden van een Guillain-Barré syndroom en hoe
is de prognose?
Vraag 4
Wat is naar uw mening de oorzaak van het Guillain-Barré syndroom bij
[persoon A] ? Acht u het waarschijnlijk dat Gullain-Barré syndroom is ontstaan
door het op 29 april 2016 voorschrijven van Amoxicilline in plaats van
Amoxicilline met clavulaanzuur? Kunt u daarbij ook ingaan op de relatie met
Hepatitis E en/of E. Coli?
Vraag 5
Had het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] door de huisarts op 29 april
2016 voorkomen kunnen worden? Zo ja hoe?
Indien u van mening bent dat het Guillain Barré syndroom is
ontstaan door het voorschrijven van Amoxicilline in plaats van
Amoxicilline met clavulaanzuur, wilt u dan ook de volgende vragen
beantwoorden:
Vraag 6
Kunt u aangeven van welke neurologische aandoeningen en klachten en
beperkingen op uw vakgebied thans sprake is? Kunt u de daarmee gemoeide
beperkingen zo uitvoerig mogelijk beschrijven en uitdrukken in een
percentage BI volgens de AMA-guide?
Vraag 7
Kunt u aangeven in hoeverre deze beschreven klachten en beperkingen een
gevolg zijn van het Guillain-Barré syndroom?
Vraag 8
Is er op uw vakgebied sprake van een medische eindsituatie of moet er met
een verslechtering c.q. verbetering rekening worden gehouden?
Vraag 9
Hoe ziet u de prognose? Wat is de kans op een recidief?
Vraag 10
Heeft u nog therapeutische suggesties?
5.2.
benoemt tot deskundige:
Dr. A. Verrips, neuroloog-kinderneuroloog-neuromyoloog,
Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis (tot 1 juli 2026):
Postbus 9015
6500 GS Nijmegen
Telefoon: 024-3657657
Fax: 024- 3657329
Vanaf 1 juli 2026 bereikbaar via:
e-mailadres: verripsexpertises@gmail.com,
telefoon privé: [gsm-nummer]
5.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
5.4.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.129,93 (inclusief btw),
5.5.
bepaalt dat [verzoeker] de helft van het voorschot moet overmaken
binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak en brengt de andere helft van het voorschot ten laste van ’s Rijks kas,
5.6.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
5.7.
bepaalt dat [verzoeker] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
5.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
5.9.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
5.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
5.11.
draagt de deskundige op om uiterlijk acht maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
5.12.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
  • de deskundige [persoon A] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van het inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder Pro b BW en, indien zij als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [persoon A] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [persoon A] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van het blokkeringsrecht (waarbij het [persoon A] zich van commentaar op het concept moet onthouden),
  • indien [persoon A] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,
  • indien [persoon A] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
5.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
5.14.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
3246/2537

Voetnoten

1.Aanbeveling 23 GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten): “