De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de schuldenaar om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en om een eerdere ingangsdatum van de regeling vast te stellen. De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar zich in een problematische schuldensituatie bevindt en te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, waardoor het verzoek tot toelating werd toegewezen.
De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was de insolventieprocedure te openen als hoofdprocedure, aangezien het centrum van voornaamste belangen van de schuldenaar in Nederland ligt. De duur van de Wsnp-regeling werd vastgesteld op 18 maanden, ingaande op de datum van het vonnis, 17 april 2026.
Het verzoek om een eerdere ingangsdatum, namelijk 1 december 2024, werd afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat de schuldenaar aan de aflossingsverplichtingen uit het voorafgaande minnelijke traject had voldaan. De vtlb-berekeningen waren onjuist en diverse bedragen, zoals huur en auto- en reiskosten, waren onvoldoende onderbouwd. Ook was onduidelijk of de inwonende dochter een bijdrage aan de woonlasten verschuldigd was.
Tijdens de Wsnp moet de schuldenaar voldoen aan diverse verplichtingen, waaronder informatieverstrekking, inspanningsplicht, geen nieuwe schulden maken en afdracht van inkomen boven het vrij te laten bedrag. Een bewindvoerder en rechter-commissaris worden benoemd om toezicht te houden en de boedel te beheren. Bij volledige naleving van de verplichtingen eindigt het traject met een schone lei, waardoor schuldeisers niet langer kunnen verhalen op de schuldenaar.
De rechtbank benoemde de bewindvoerder en rechter-commissaris en bepaalde dat de bewindvoerder een voorschot op zijn vergoeding mag nemen indien de boedel toereikend is. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.