Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden, het college
[bedrijf]te [locatie 1] ( [bedrijf] ), belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Danopoulos).
Procesverloop
Overwegingen
19.2. De beroepsgrond van eiser slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college gemaakte belangenafweging vooral een opsomming van regels en redenen waarom [bedrijf] binnen de bestemming past. Uit de belangenafweging volgt niet wat de belangen van eiser zijn en hoe deze zijn afgewogen door het college. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de belangen van eiser niet zodanig in het bestreden besluit zijn opgenomen. Het college heeft verwezen naar de aanvullende reactie van het college na de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt dat na de hoorzitting met partijen is afgesproken dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op basis van een recente controle onderzoek heeft gedaan naar het productieoppervlak. Uit het dossier volgt dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op 31 januari 2023 nadere stukken heeft overgelegd die zien op het productieoppervlak van [bedrijf] . Op 9 februari 2023 heeft eiser daar een reactie op ingediend en op 20 februari 2023 heeft [bedrijf] gereageerd. Van een aanvullende reactie van het college na de hoorzitting waaruit een belangenafweging zou volgen is de rechtbank niet gebleken. Nu de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.(…)”
21. Om de gebreken te herstellen, moet het college een belangenafweging maken waaruit volgt dat de belangen van eiser zijn meegewogen. De rechtbank verwijst voor de belangen van eiser naar rechtsoverweging 19. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.(…)”