ECLI:NL:RBROT:2026:6622

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3184
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen maatregel verlaging Ziektewetuitkering

Verzoeker ontvangt een Ziektewetuitkering die door zijn werkgever wordt betaald, aangezien deze eigenrisicodrager is. Op verzoek van de werkgever heeft het UWV een maatregel opgelegd waarbij de uitkering van verzoeker met 100% wordt verlaagd voor de periode van 23 maart 2026 tot en met 22 juli 2026, omdat verzoeker volgens de bedrijfsarts kan starten met re-integreren maar dit weigert.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze maatregel en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitkering weer te laten uitbetalen. Tijdens de zitting bleek dat verzoeker inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt, waardoor het gezinsinkomen hoger is dan de vaste lasten. Tevens heeft op 1 juni 2026 een hoorzitting plaatsgevonden in de bezwaarprocedure, waardoor een beslissing op het bezwaar binnen afzienbare tijd wordt verwacht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang meer is om een voorlopige voorziening te treffen, omdat verzoeker financieel niet meer in acute problemen verkeert en de bezwaarprocedure vordert. Daarom wordt het verzoek afgewezen en blijft de maatregel voorlopig van kracht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat er geen spoedeisend belang meer is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3184

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam werkgever] . uit [plaats 2] , de werkgever.

Samenvatting

Verzoeker ontvangt een Ziektewetuitkering, maar er is aan hem een maatregel opgelegd waardoor hij gedurende vier maanden geen uitkering uitbetaald krijgt. Verzoeker ontvangt inmiddels een bijstandsuitkering, waardoor het gezinsinkomen hoger is dan de vaste lasten. Daarnaast heeft inmiddels een hoorzitting plaatsgevonden, zodat de voorzieningenrechter verwacht dat er binnen afzienbare tijd een beslissing op het bezwaar van verzoeker wordt genomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, omdat verzoeker geen spoedeisend belang (meer) heeft bij deze procedure.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft het UWV aan verzoeker laten weten dat zijn werkgever zijn Ziektewetuitkering met 100% verlaagt van 23 maart 2026 tot en met 22 juli 2026
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en S.M.R. Desbarida als tolk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker heeft zich op 15 augustus 2024 ziekgemeld en hij ontvangt een Ziektewetuitkering die door de werkgever wordt betaald, omdat de werkgever ‘eigenrisicodrager’ is voor de Ziektewet.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Op 5 maart 2026 heeft de werkgever aan het UWV gevraagd om een maatregel op te leggen aan verzoeker, omdat verzoeker volgens de bedrijfsarts kan starten met re-integreren en verzoeker dit weigert. Dit heeft geleid tot de verlaging van verzoekers uitkering met 100% van 23 maart 2026 tot en met 22 juli 2026. Verzoeker is het niet eens met dit besluit. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zijn uitkering weer wordt uitbetaald.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
8. Verzoeker heeft de rechtbank laten weten dat de maandelijkse lasten van zijn gezin € 1.242,59 zijn. Zijn partner ontvangt een bedrag aan studiefinanciering van € 816,43, waardoor zij elke maand € 426,16 te kort komen. Tijdens de zitting is echter gebleken dat verzoeker inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt van € 548,60 per maand. Als gevolg daarvan zijn de inkomsten van het gezin op dit moment hoger dan hun vaste lasten. Daarnaast heeft er op 1 juni 2026 een hoorzitting plaatsgevonden in de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter gaat om die reden ervan uit dat binnen afzienbare tijd een beslissing op het bezwaar zal volgen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang (meer) heeft bij een inhoudelijke beoordeling van deze procedure.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de opgelegde maatregel voorlopig in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.