ECLI:NL:RBROT:2026:6624

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11646024 CV EXPL 25-9257
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 lid 1 BWArt. 7:225 BWArt. 7:230a BWArt. 237 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst woning, toewijzing ontruiming garagebox

In deze zaak vordert Stichting Woonplus Schiedam de ontbinding van de huurovereenkomst van een woning en ontruiming van een garagebox door de huurders. De rechtbank Rotterdam heeft in een tussenvonnis reeds de ontbinding van de huurovereenkomst van de woning afgewezen. De huidige uitspraak betreft de ontruiming van de garagebox.

De huurovereenkomst van de garagebox is opgezegd door Woonplus met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van drie maanden, waardoor deze is geëindigd op 1 november 2024. De huurder, [gedaagde 1], is veroordeeld om de garagebox binnen veertien dagen na het vonnis te ontruimen en de sleutels aan Woonplus te overhandigen. Tevens moet hij een gebruiksvergoeding van €136,50 per maand betalen vanaf 1 april 2025 tot de dag van ontruiming.

De rechtbank wijst de vordering tot ontruimingskosten af omdat nog niet vaststaat of en welke kosten gemaakt zullen worden. Ook wijst zij de gevorderde verklaring voor recht af, omdat het belang daarvan ontbreekt. De proceskosten worden aan Woonplus opgelegd omdat zij voor het grootste deel in het ongelijk is gesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst woning wordt afgewezen, maar de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de garagebox en betaling van gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11646024 CV EXPL 25-9257
datum uitspraak: 29 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. A.A. Bhagwandin.
De partijen worden hierna Woonplus, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
  • het tussenvonnis van 6 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte van Woonplus.
1.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] mochten reageren op de akte van Woonplus, maar hebben dat niet gedaan.

2.De (verdere) beoordeling

Waar gaat de zaak nu nog over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren van Woonplus een woning. In het tussenvonnis van 6 maart 2026 is beslist dat de vorderingen van Woonplus over het ontbinden van de huurovereenkomst van de woning en het ontruimen van de woning worden afgewezen. [gedaagde 1] heeft van Woonplus ook een garage gehuurd. Woonplus is in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij nog steeds wil dat de garage wordt ontruimd. In haar akte heeft Woonplus aangegeven dat zij dat nog steeds wil en dat zij haar eisen die zien op de garage handhaaft. De kantonrechter wijst deze eisen toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde 1] moet de garage ontruimen en een gebruiksvergoeding tot de ontruiming betalen
2.2.
[gedaagde 1] moet de garage ontruimen en ter beschikking stellen van Woonplus omdat de huurovereenkomst is geëindigd (artikel 7:224 lid 1 BW Pro). De huurovereenkomst is geëindigd op 1 november 2024, want Woonplus heeft de overeenkomst opgezegd in de aangetekende brief van 4 juli 2024 tegen 31 oktober 2024. Woonplus heeft daarbij rekening gehouden met de opzegtermijn van drie maanden die in de huurovereenkomst is afgesproken. In dezelfde brief heeft Woonplus ook aangezegd dat [gedaagde 1] uiterlijk op 31 oktober 2024 de garage moet hebben ontruimd. Hoewel bij het einde van de huur ontruimingsbescherming had kunnen worden gevraagd aan de rechter (artikel 7:230a BW), is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] dat heeft gedaan. Eventuele ontruimingsbescherming staat daarom niet in de weg aan toewijzing van de eis. De kantonrechter wijst de eis tot ontruiming van de garage dan ook toe. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na de datum van het vonnis.
2.3.
Alleen [gedaagde 1] wordt veroordeeld de garage te ontruimen. Woonplus eist wel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld daartoe, maar voor veroordeling van [gedaagde 2] bestaat geen reden, omdat alleen [gedaagde 1] huurder is van de garage.
2.4.
De kantonrechter machtigt Woonplus niet om zo nodig de garage zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro). De gevorderde ontruimingskosten worden ook afgewezen. Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn.
2.5.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde 1] een vergoeding van € 136,50 per maand betalen voor het gebruik van de garage (artikel 7:225 BW Pro). Woonplus eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 1] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
2.6.
Woonplus eist een gebruiksvergoeding vanaf 1 april 2025. Dat is toewijsbaar, maar de kantonrechter merkt daarbij wel op dat eventuele betalingen die Woonplus al heeft ontvangen in verband met het gebruik van de garage uiteraard in mindering moeten strekken van hetgeen [gedaagde 1] op basis van dit vonnis aan Woonplus moet betalen.
2.7.
De gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voor de garage is geëindigd op 1 november 2024 wordt afgewezen. Woonplus heeft niet gesteld welk belang zij heeft bij die verklaring voor recht anders dan een veroordeling tot ontruiming van de garage. Die eis wordt al toegewezen.
Woonplus moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van Woonplus, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Woonplus aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet betalen op € 864,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om de garagebox aan het adres [adres] in [plaats] met al hetgeen van hem is, te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonplus te stellen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] tot voldoening van de maandelijkse gebruiksvergoeding van € 136,50 voor het gebruik van de garage, te betalen vanaf 1 april 2025 tot en met de dag van de ontruiming;
3.3.
veroordeelt Woonplus in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 1.008,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286