Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2025.
- het bericht van de man van 8 september 2025, met bijlage;
- het bericht van de vrouw van 9 september 2025.
- het bericht van de vrouw van 19 januari 2026.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De vaststaande feiten
- in de zomervakantie: in de even jaren verblijft de minderjarige week 1 tot en met 3 bij de vrouw en week 4 tot en met 6 bij de ma. In de oneven jaren is dit andersom;
- in de kerstvakantie verblijft de minderjarige op kerstnacht en 1e en 2e kerstdag bij de man en tijdens oud en nieuw bij de vrouw. De overige dagen in de kerstvakantie worden tussen de ouders gelijk verdeeld;
- in de herfstvakantie verblijft de minderjarige in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- in de meivakantie verblijft de minderjarige in week 1 bij de man en in week 2 bij de vrouw;
- de minderjarige viert zijn verjaardag bij de ouder waar hij overeenkomstig de zorgregeling die dag verblijft;
- de minderjarige is bij de man op de verjaardag van de man en op vaderdag, en bij de vrouw op de verjaardag van de vrouw en op moederdag.
29 april 2025 is opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige zorgregeling hebben getroffen, te weten:
8 september 2025 is de vrouw veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling zoals vastgelegd in het vonnis van 29 april 2025 op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt.
3.De beoordeling
23 april 2025 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige wijziging van de zorgregeling. Doel van deze voorlopige zorgregeling is dat wordt toegewerkt naar de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 14 december 2023. In de tussentijd zou gestart worden met traumabehandeling van de minderjarige en Enver.
4.De beslissing
1 september 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de hulpverlening en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.