ECLI:NL:RBROT:2026:6629

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/10/705514 / FA RK 25-6449
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden zorgregeling in afwachting van hulpverlening voor minderjarige met gedragsproblemen

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling tussen ouders van een minderjarige, waarbij de vrouw vroeg om ontzegging of opschorting van het contact tussen de man en de minderjarige vanwege gedragsproblemen bij het kind.

De minderjarige vertoont sinds terugkeer uit Oekraïne zorgelijk gedrag, waaronder somberheid, nachtmerries en concentratieproblemen, waarvoor een behandeltraject bij Expertisecentrum Uniek en later bij Enver is ingezet. De vrouw ervaart de zorgregeling als belastend en wil de dwangsom opheffen, terwijl de man het verband tussen de gedragsproblemen en de zorgregeling betwist.

De rechtbank constateert gewijzigde omstandigheden maar ziet geen reden om de zorgregeling te wijzigen voordat de hulpverlening is afgerond. De raad voor de kinderbescherming adviseert de beslissing aan te houden en benadrukt het belang van continuering van het contact voor het welzijn van de minderjarige.

De rechtbank volgt dit advies en wijst het verzoek tot opheffing van de dwangsom af, omdat deze noodzakelijk is om nakoming van de zorgregeling te waarborgen. De behandeling wordt pro forma aangehouden tot 1 september 2026, waarna de voortgang van de hulpverlening en procedure wordt geëvalueerd.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de zorgregeling aan in afwachting van afronding van het hulpverleningstraject en wijst het verzoek tot opheffing van de dwangsom af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705514 / FA RK 25-6449
Beschikking van 9 juni 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Cortet te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2025.
  • het bericht van de man van 8 september 2025, met bijlage;
  • het bericht van de vrouw van 9 september 2025.
  • het bericht van de vrouw van 19 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
De minderjarige [voornaam minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 20 april 2026 met de kinderrechter gesproken.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.2.
De vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit en de man heeft de Italiaanse nationaliteit.
2.3.
Het huwelijk van partijen is op 16 december 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 november 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
2.4.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.5.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld en opgenomen in een echtscheidingsconvenant dat zij op 20 en 28 oktober 2021 hebben ondertekend. Dit convenant is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 9 november 2021.
2.6.
Bij beschikking van 14 december 2023 van deze rechtbank is - voor zover hier van belang - voormelde beschikking en het daarin opgenomen convenant tevens houdende een ouderschapsplan ten aanzien van de daarin overeengekomen zorgregeling gewijzigd als volgt:
gedurende de weekenden en doordeweeks:
de minderjarige verblijft één weekend per veertien dagen bij de man van vrijdag na de BSO om 18.30 uur tot maandag naar voor voorschoolse opvang om 7.30 uur, en iedere dinsdag uit school van 14.50 uur tot woensdag 8.15 uur;
gedurende de vakanties en de feestdagen:
  • in de zomervakantie: in de even jaren verblijft de minderjarige week 1 tot en met 3 bij de vrouw en week 4 tot en met 6 bij de ma. In de oneven jaren is dit andersom;
  • in de kerstvakantie verblijft de minderjarige op kerstnacht en 1e en 2e kerstdag bij de man en tijdens oud en nieuw bij de vrouw. De overige dagen in de kerstvakantie worden tussen de ouders gelijk verdeeld;
  • in de herfstvakantie verblijft de minderjarige in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
  • in de meivakantie verblijft de minderjarige in week 1 bij de man en in week 2 bij de vrouw;
  • de minderjarige viert zijn verjaardag bij de ouder waar hij overeenkomstig de zorgregeling die dag verblijft;
  • de minderjarige is bij de man op de verjaardag van de man en op vaderdag, en bij de vrouw op de verjaardag van de vrouw en op moederdag.
2.7.
In het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van
29 april 2025 is opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige zorgregeling hebben getroffen, te weten:
- dat de man vanaf 27 april 2025 elke zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur naar de woning van de vrouw in Rotterdam zal komen, waar de minderjarige verblijft, om daar tijd met de minderjarige door te brengen, en dat de vrouw, zoals afgesproken, tijdelijk haar woning zal verlaten gedurende deze tijd.
2.8.
In het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van
8 september 2025 is de vrouw veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling zoals vastgelegd in het vonnis van 29 april 2025 op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt.

3.De beoordeling

3.1.
Zorgregeling
Rechtsmacht
3.1.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot wijziging van een zorgregeling.
Toepasselijk recht
3.1.2.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.1.3.
De vrouw verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – wijziging van de beschikking van 14 december 2023 en de daarin opgenomen regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), in die zin dat:
I. aan de man het recht op contact met de minderjarige wordt ontzegd, althans de zorgregeling wordt opgeschort onder verwijzing van partijen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding van het Rotterdams Omgangshuis voor begeleide omgang;
II. een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gelast naar de wenselijkheid en haalbaarheid van een zorgregeling tussen de man en de minderjarige,
III. met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
Standpunten partijen
3.1.4.
Op verzoek van de vrouw is de zaak op zitting geplaatst, nog voordat de hulpverlening is afgerond. De vrouw stelt in haar bericht van 16 januari 2026 dat de voorlopige zorgregeling niet goed verloopt en dat zij het hulpverleningstraject niet wenst af te wachten en een spoedige beslissing van de rechtbank wenst. Over het gedrag van de minderjarige stelt zij dat hij voorafgaand aan en na het bezoek van de man op zondag erg somber is, last heeft van nachtmerries, vaak angstig is en regelmatig in zijn broek plast. Hij heeft het gevoel dat niemand naar hem wil luisteren en heeft een laag zelfbeeld. Hij heeft het vaak over doodgaan en vertoont depressief gedrag. Het wekelijkse bezoek op zondag valt de vrouw ook zwaar. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij niet zozeer het contact wil stop zetten, maar dat zij moeite heeft met de gedragsproblemen van de minderjarige die hierop volgen. Zij verzoekt de rechtbank om in ieder geval de dwangsom op te heffen.
3.1.5.
De man voert gemotiveerd verweer. De man betwist het door de vrouw gestelde verband tussen de gedragsproblemen van de minderjarige en de zorgregeling. Hij herkent de door de vrouw gestelde zorgen in zoverre dan ook niet. Wel ziet hij een steeds grotere afstand in het contact met de minderjarige. Al kort na aanvang van het contactmoment vraagt de minderjarige wanneer de man weer naar huis gaat. De man betwist dat hij de oorzaak is voor de gedragsproblemen van de minderjarige. Hij heeft de indruk dat de vrouw de minderjarige onvoldoende stimuleert in het contact met de man en dat zij niet in staat is de minderjarige emotionele toestemming te geven om contact met hem te hebben. De man acht het niet in het belang van de minderjarige om een beslissing te nemen over de zorgregeling, nog voordat de hulpverleningstrajecten zijn afgerond.
Juridisch kader
3.1.6.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Overwegingen
3.1.7.
Sinds de vrouw met de minderjarige in 2022 is teruggekeerd uit Oekraïne vertoont
de minderjarige zorgelijk gedrag. Deze zorgen bestonden al ten tijde van de beschikking van
14 december 2023, maar in 2024 is gestart met onderzoeken en is hulpverlening ingezet.
3.1.8.
De minderjarige is - na verwijzing van de huisarts en op verzoek van het wijkteam - aangemeld bij Expertisecentrum Uniek omdat er zorgen zijn over zijn gedrag. De minderjarige heeft in zijn leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals de oorlog in Oekraïne en de scheiding van zijn ouders. De vrouw heeft zich tot de hulpverlening gewend met zorgen over het broekplassen, het gebrek aan zelfvertrouwen, het huilen en de somberheid van de minderjarige.
3.1.9.
Uit het psychodiagnostisch onderzoek van Expertisecentrum Uniek van december 2024 komt naar voren dat er een verhoogde kans op PTSS is bij de minderjarige. Hij heeft last van dagelijkse belemmeringen door herbeleving, vermijding, negatieve stemming en cognities en een verhoogde prikkelbaarheid. Daarnaast laat de minderjarige soms problemen zien op het gebied van concentratie die samen kunnen hangen met de traumagerelateerde problemen die hij ervaart. Het is belangrijk dat er allereerst behandeling plaatsvindt waarbij er aandacht en ruimte is voor de minderjarige om zijn verhaal te doen en de meegemaakte gebeurtenissen te verwerken. Wanneer de concentratieproblemen na deze behandeling blijven bestaan, adviseert Expertisecentrum Uniek om verder te onderzoeken of er een andere oorzaak is voor de concentratieproblemen. Daarnaast wordt gezien dat de vrouw de opvoeding als belastend ervaart. Het is daarom goed om te kijken hoe de vrouw hierbij ondersteund kan worden. Bij deze ondersteuning is het belangrijk om ook aandacht te besteden aan het aanleren van regels en het bevorderen van de gehechtheidsrelatie tussen de minderjarige en de vrouw. Op het gebied van de hechting is naar voren gekomen dat de vrouw kenmerken van een vermijdende hechting en in zorgelijke mate kenmerken van een ambivalente gehechtheid ziet bij de minderjarige. Opvallend is vooral dat de minderjarige sterk in de gaten houdt hoe zijn moeder zich voelt, dat hij erg afhankelijk is van zijn moeder en dat hij voortdurend bij zijn moeder in de buurt blijft. Op basis van dit advies heeft de minderjarige een behandeltraject gevolgd bij Uniek.
3.1.10.
Naast de kindeigen problematiek van de minderjarige worden er vanuit de hulpverlening al vanaf het begin zorgen geuit over de spanningen tussen partijen rondom de zorgregeling tussen de man en de minderjarige. De jeugd- en gezinscoach meldt partijen in een bericht van 27 juni 2025 – tussen het eerste en tweede kort geding – dat de spanning en onrust die tussen partijen heerst invloed lijkt te hebben op het welzijn van de minderjarige. Om vervolghulp in te zetten, (trauma)behandeling en expertise op hechting, is het van belang dat de minderjarige zich meer ontspannen voelt. De minderjarige wordt aangemeld voor (trauma)behandeling binnen de specialistische GGZ. Het wijkteam zal partijen aanmelden bij Enver voor ondersteuning gericht op ouderschap en scheiding.
3.1.11.
In februari 2025 heeft de vrouw de zorgregeling stopgezet, omdat zij zich ernstige
zorgen maakte over de minderjarige in het contact met de man. Dit heeft geleid tot een kort
gedingprocedure. Tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter op
23 april 2025 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige wijziging van de zorgregeling. Doel van deze voorlopige zorgregeling is dat wordt toegewerkt naar de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 14 december 2023. In de tussentijd zou gestart worden met traumabehandeling van de minderjarige en Enver.
3.1.12.
Aan deze zorgregeling is door de vrouw drie keer uitvoering gegeven, waarna zij de zorgregeling opnieuw heeft stopgezet. Op 21 augustus 2025 heeft zij onderhavig verzoekschrift ingediend strekkende tot ontzegging of opschorting van de zorgregeling.
3.1.13.
Het stopzetten van de zorgregeling heeft opnieuw geleid tot een kort gedingprocedure. Bij vonnis in kort geding van 8 september 2025 is de vrouw veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de voorlopige zorgregeling zoals vastgelegd in het vonnis van 29 april 2025 op straffe van een dwangsom. Sindsdien wordt de voorlopige zorgregeling uitgevoerd.
3.1.14.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat er sprake is van
gewijzigde omstandigheden, omdat al kort na aanvang van de bij beschikking van 14
december 2023 vastgelegde zorgregeling discussie is ontstaan tussen partijen over de
uitvoering van de zorgregeling.
3.1.15.
De rechtbank ziet echter geen reden om de zorgregeling nu al, voordat de hulpverlening is afgerond, te wijzigen en overweegt daartoe als volgt.
3.1.16.
Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de behandeling van de minderjarige bij Expertisecentrum Uniek in september 2025 is afgerond, omdat het budget op was. Het hulpverleningstraject bij Enver is in februari 2026 gestart. Partijen werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en de minderjarige volgt bij Enver een individueel traject om te leren omgaan met de situatie. Deze hulpverlening zal naar verwachting op korte termijn worden afgerond. De vrouw ontvangt ondertussen opvoedondersteuning voor de minderjarige en de minderjarige krijgt op school logopedie.
3.1.17.
De raad adviseert de beslissing aan te houden in afwachting van de hulpverlening. Het al dan niet tijdelijk stopzetten van het contact met de man is niet in het belang van de minderjarige. De raad stelt dat het stoppen van het contact tussen de man en de minderjarige juist belastend kan zijn. Het gaat om het normaliseren van het contact tussen de minderjarige en de man. Partijen moeten zich richten op wat wel goed gaat. Het is begrijpelijk dat dit moeilijk is voor de vrouw, maar met de lopende hulpverlening wordt zij hierin begeleid. Vanuit de raad zijn er ernstige zorgen over traumatisering en de gehechtheidsrelatie van de minderjarige. Het is van belang dat de minderjarige daarvoor behandeling krijgt. Er is meer aan de hand dan alleen de communicatieproblemen tussen ouders. Het is aan Enver en het wijkteam om te beoordelen welke hulpverlening hiervoor zal worden ingezet. In antwoord op de vraag van de vrouw of de interactie tussen de man en de minderjarige wellicht geobserveerd of begeleid moet worden, heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling geantwoord dat de problemen van de minderjarige dieperliggend zijn en niet alleen liggen in het contact met de man. Er zal gekeken moeten worden naar de gehechtheidsrelatie van de minderjarige met zijn beide ouders. De hulpverlening zal vooral daarop gericht moeten zijn en niet zozeer op (het begeleiden van) het contact tussen de man en de minderjarige. De raad denkt daarbij aan het NIKA-traject om de gehechtheidsrelatie in kaart te brengen.
3.1.18.
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de raad om de beslissing over de
zorgregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening bij Enver.
De rechtbank ziet in de zorgen die de vrouw naar voren heeft gebracht in haar brief van 19
januari 2026 en haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling geen aanleiding om voor
de tussenliggende periode de huidige zorgregeling te wijzigen of deze tijdelijk stop te
zetten.
3.1.19.
Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang. In februari 2025 zijn partijen
overeengekomen dat de minderjarige de man voorlopig, in afwachting van de resultaten van
de hulpverlening, op zondag gedurende drie uur ziet in zijn eigen omgeving. Sinds 8
september 2025 wordt deze zorgregeling door de vrouw nagekomen. Deze zorgregeling
biedt de minderjarige duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid in het contact met de man. Vanuit de bij het gezin betrokken hulpverlening (Expertisecentrum Uniek, Enver, logopedie en opvoedondersteuning) komen geen signalen naar voren dat deze zorgregeling niet in het belang van de minderjarige is. De rechtbank volgt daarom het advies van de raad, dat het in het belang van de minderjarige is dat deze voorlopige zorgregeling wordt gecontinueerd en dat de komende periode de focus bij ouders ligt op (het afronden van) het
hulpverleningstraject bij Enver.
3.1.20.
Voor zover de vrouw heeft verzocht de dwangsom op te heffen, wordt dit verzoek afgewezen. Eerder is gebleken dat de vrouw de zorgregeling alleen is nagekomen vanaf het moment dat aan de nakoming een dwangsom was verbonden. De financiële prikkel is derhalve noodzakelijk geweest om nakoming te waarborgen. Het is voor de minderjarige van belang dat er niet opnieuw discussie en onduidelijkheid ontstaat over de zorgregeling. De rechtbank vreest dat de vrouw de zorgregeling niet zal nakomen wanneer daar geen dwangsom aan verbonden is, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de dwangsom op te heffen.
3.1.21.
Dat betekent dat partijen onverminderd gehouden worden uitvoering te geven aan de vonnissen van de voorzieningenrechter van 29 april 2025 en 8 september 2025.
3.1.22.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden. Partijen worden verzocht om de rechtbank voor afloop van de pro formadatum te informeren over de voortgang van de hulpverleningstrajecten en de gewenste voortgang van de procedure. Na ontvangst van de stukken zal de rechtbank de voortgang van de procedure bepalen.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
houdt iedere beslissing aan;
en voordat verder wordt beslist:
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 september 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de hulpverlening en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 9 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.