De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 in een pleeggezin en is onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026. De GI verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot die datum.
Tijdens de zitting waren de GI, de moeder met haar advocaat en een waarnemend advocaat voor de vader aanwezig; de vader zelf was afwezig. De GI licht toe dat het KSCD-onderzoek en de pleegzorgscreening nog niet zijn afgerond, mede door tegenwerking en onduidelijkheid over de screeningorganisatie. De ouders wonen bij het netwerkpleeggezin, wat mogelijk een contra-indicatie vormt. De omgang tussen moeder en minderjarige verloopt positief, maar de vader is nauwelijks betrokken.
De moeder verzoekt om een kortere verlenging van drie maanden om tussentijds te kunnen toetsen. Zij benadrukt de goede omgang en haar bereidheid tot een moeder-kindplaatsing of verhuizing. De vader sluit zich aan bij het verzoek van de moeder. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, dat de pleegzorgscreening afgerond moet worden en dat de ouders meer medewerking moeten verlenen. De machtiging wordt verlengd tot 22 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.