ECLI:NL:RBROT:2026:665

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/10/709919 / JE RK 25-2316
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in pleegzorg met onderzoek naar terugplaatsing

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 in een pleeggezin en is onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026. De GI verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot die datum.

Tijdens de zitting waren de GI, de moeder met haar advocaat en een waarnemend advocaat voor de vader aanwezig; de vader zelf was afwezig. De GI licht toe dat het KSCD-onderzoek en de pleegzorgscreening nog niet zijn afgerond, mede door tegenwerking en onduidelijkheid over de screeningorganisatie. De ouders wonen bij het netwerkpleeggezin, wat mogelijk een contra-indicatie vormt. De omgang tussen moeder en minderjarige verloopt positief, maar de vader is nauwelijks betrokken.

De moeder verzoekt om een kortere verlenging van drie maanden om tussentijds te kunnen toetsen. Zij benadrukt de goede omgang en haar bereidheid tot een moeder-kindplaatsing of verhuizing. De vader sluit zich aan bij het verzoek van de moeder. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, dat de pleegzorgscreening afgerond moet worden en dat de ouders meer medewerking moeten verlenen. De machtiging wordt verlengd tot 22 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 22 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709919 / JE RK 25-2316
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 11 november 2025, ontvangen op diezelfde datum;
- het plan van aanpak van de GI van 12 december 2025, ontvangen op 17 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • mr. M.P. Kloppenburg, waarnemend voor de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Sinds de geboorte van [minderjarige] heeft de GI geprobeerd om de ouders het aanmeldformulier van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) te laten ondertekenen. Eerder heeft de moeder dit pas na lang wachten ondertekend, waarna de gegevens verouderd waren en het opnieuw moest worden gedaan. De GI heeft toen het aanvraagformulier in augustus 2025 opnieuw aan de ouders gegeven. De moeder heeft toen aangegeven dit niet te willen ondertekenen. Vlak voor de zitting - op de gang - heeft de GI de ondertekende formulieren van de moeder ontvangen. Dit verbaast de GI omdat er al langere tijd op de formulieren werd gewacht. De screening van het netwerkpleeggezin is tot op heden nog niet afgerond omdat er gesteggel is geweest over de organisatie die de screening zou uitvoeren. De moeder en de vader wonen in bij het netwerkpleeggezin, wat in de screening mogelijk een contra-indicatie zou kunnen betekenen voor de pleegzorg. De GI verwacht deze week te horen wanneer de screening opnieuw gestart wordt. De ouders hebben momenteel twee keer in de week begeleide omgang met [minderjarige] . De vader is hier vaak bij afwezig vanwege zijn werk en het is hem tot op heden nog niet gelukt om hier tijd voor vrij te maken. Dat maakt dat er vrijwel geen zicht is op de opvoedvaardigheden van de vader. De GI verzoekt de rechtbank zich uit te laten over het al dan niet voortzetten van het KSCD-onderzoek. De GI heeft al tweemaal een verzoek bij het KSCD ingediend en vraagt zich af hoelang hier nog mee doorgegaan moet worden. In reactie op de moeder brengt de GI naar voren dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] inderdaad positief verloopt maar dit heeft volgens de GI ook te maken met de vele begeleiding en sturing die daarbij komt kijken.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een kortere duur te verlengen dan door de GI is verzocht, te weten voor de duur van drie maanden. De moeder begrijpt dat [minderjarige] momenteel nog niet naar huis kan, ook al is dat wel wat zij het liefst zou willen. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn, zoals het KSCD-onderzoek en de screening van het netwerkpleeggezin, acht de moeder het raadzaam om een tussentijds toetsmoment in te lassen. De moeder geeft aan dat zij de aanmeldformulieren van het KSCD-onderzoek in oktober 2025 heeft ondertekend. Het verbaast de moeder dat de GI het standpunt inneemt dat zij de papieren niet heeft ontvangen. Het is belangrijk om een vinger aan de pols te houden zodat er over drie maanden gekeken kan worden of een plaatsing binnen het netwerk mogelijk is. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] verloopt heel goed, de moeder sluit goed aan bij [minderjarige] , reageert adequaat op haar wanneer ze moe is, anticipeert en geeft [minderjarige] ruimte wanneer dat nodig is. [minderjarige] is enthousiast om de moeder, maar ook de vader of de oma te zien. Namens de moeder wordt aangevoerd dat alles op alles gezet moet worden om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor het laten opgroeien van [minderjarige] bij de moeder. De moeder staat daarbij ook open voor een moeder-kindplaatsing. Daarnaast is de moeder bereid om een andere woning te zoeken als dit betekent dat [minderjarige] bij Darvienne in het netwerkpleeggezin kan gaan wonen. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over haar opvoedsituatie.
4.3.
Namens de vader wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader vindt het ook belangrijk dat het KSCD-onderzoek zo snel mogelijk wordt gestart. Het is bijzonder dat de screening van het netwerkpleeggezin tot op heden nog steeds niet is afgerond. In de tussentijd wordt [minderjarige] elke dag ouder en gaat de tijd een rol spelen in een eventuele overplaatsing van [minderjarige] . Het is daarom noodzakelijk dat de pleegzorgscreening met een zo groot mogelijke voortvarendheid wordt afgerond. Namens de vader wordt ter zitting aangesloten bij het verzoek van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht, zodat er een tussentijds toetsmoment kan plaatsvinden als er meer duidelijkheid bestaat over de pleegzorgscreening.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] verblijft sinds mei 2025 in een pleeggezin, samen met haar halfzus [naam 2] . [minderjarige] heeft twee keer per week een begeleid omgangsmoment met de ouders. Hoewel de begeleide omgangsmomenten positief verlopen, is er nog sprake van een intensieve betrokkenheid van hulpverlening en zijn verdere stappen hierin noodzakelijk. Daarnaast is de vader bijna niet betrokken bij de omgang, zodat er geen zicht is op zijn opvoedvaardigheden.
De kinderrechter zal geen uitspraak doen over het al dan niet inzetten van het KSCD-onderzoek. Bij een uithuisplaatsing moeten de mogelijkheden voor een thuisplaatsing worden onderzocht. Het is daarom noodzakelijk dat er onderzocht wordt of [minderjarige] in de toekomst thuisgeplaatst kan worden. Het is echter aan de GI om in samenspraak met de ouders te bepalen op welke manier dat perspectiefonderzoek wordt verricht en op welke manier er tot duidelijkheid over het perspectief kan worden gekomen. Voorop staat echter dat het belangrijk is dat zowel de GI als de ouders hierin voortvarend handelen en dat de ouders de nodige medewerking aan het onderzoek verlenen.
Het is verder noodzakelijk dat de pleegzorgscreening wordt afgerond. Het is daarvoor ook noodzakelijk dat de vader betrokken is zodat er meer zicht komt op zijn opvoedvaardigheden.
5.3.
Bij deze stand van zaken kan [minderjarige] op dit moment niet bij de ouders geplaatst worden. De kinderrechter ziet geen aanleiding voor het toewijzen van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode dan is verzocht. Zoals uit het voorgaande blijkt moeten er nog de nodige stappen worden gezet. Die stappen kosten tijd. Daarnaast vragen deze stappen een actieve houding van de ouders, meer dan ze tot nu toe hebben laten zien. Zo is het belangrijk dat de vader ruimte gaat maken voor aanwezigheid bij de omgang zodat er zicht kan komen op zijn opvoedvaardigheden. Ook moeten de ouders voortvarend handelen rondom (de aanmelding voor) een perspectiefonderzoek. De moeder heeft weliswaar naar voren gebracht dat zij de aanmeldformulieren in oktober 2025 al aan de GI heeft overhandigd, maar de GI geeft aan niets te hebben ontvangen en niet is gebleken dat er door de moeder bij de GI navraag is gedaan naar de stand van zaken nadat ze de aanmeldformulieren zou hebben toegestuurd. Verder is tijdens de zitting besproken dat de moeder en de vader bij het beoogde pleeggezin wonen. De moeder heeft gezegd dat zij denkt dat dit juist een voordeel is, maar door de GI is naar voren gebracht dat dit een contra-indicatie kan zijn bij de pleegzorgscreening. Het is belangrijk dat hier duidelijkheid in komt, zodat de ouders, zoals door de moeder naar voren is gebracht, een andere woning kunnen zoeken als dat nodig is.
5.4.
De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van zes maanden, te weten tot 22 juli 2026. De kinderrechter benoemt daarbij dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling niet hoeft te betekenen dat hieraan daadwerkelijk uitvoer wordt gegeven. Op het moment dat er gedurende de komende maanden duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] en als blijkt dat er mogelijkheden zijn voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, zal hiernaar door de GI gehandeld kunnen worden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 27 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.