ECLI:NL:RBROT:2026:668

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711413 / JE RK 25-2538
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 807 RvAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing ter bescherming minderjarige tegen belastende omgang vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting om een schriftelijke aanwijzing aan de vader te bekrachtigen, gericht op de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige verblijft onder een machtiging tot uithuisplaatsing bij een jeugdhulpaanbieder. De schriftelijke aanwijzing bevat beperkingen voor de vader in zijn communicatie en omgang met de minderjarige.

Tijdens de zitting, waarbij de vader niet aanwezig was, werd vastgesteld dat de vader de afspraken rondom omgang niet naleeft en belastende zaken bespreekt met de minderjarige, wat leidt tot loyaliteitsconflicten en gedragsproblemen bij het kind. De moeder en zorgcoördinator onderschrijven de zorgen van de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen, noodzakelijk is om bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen en dat de vader zich aan de aanwijzing moet houden. De aanwijzing wordt bekrachtigd om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen en verdere escalatie te voorkomen.

Uitkomst: De kinderrechter bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing aan de vader om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711413 / JE RK 25-2538
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. H.E. Visscher, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam 1],
hierna te noemen: de zorgcoördinator van [minderjarige] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 8 december 2025, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de advocaat van de vader;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] ;
  • de zorgcoördinator van [minderjarige] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , begeleider van de moeder vanuit ASVZ.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 juni 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juni 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 18 juni 2026. [minderjarige] verblijft op een groep van [naam instelling] .
2.4.
De GI heeft op 2 december 2025 aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
  • U stopt met volwassen zaken naar [minderjarige] te appen of op andere platforms door te geven;
  • U stopt met vragen naar de woonkeuze van [minderjarige] , wonen bij vader of moeder is op dit moment niet aan de orde in verband met de machtiging uithuisplaatsing;
  • U stopt om [minderjarige] te vragen om op bezoek te komen (stiekem) buiten de afspraken om;
  • WhatsApp of andere communicatieplatforms worden gebruikt voor een gezellig gesprek, om te vragen hoe het met [minderjarige] gaat, hoe zijn dag was etc, niet om moeilijke gesprekken mee te voeren;
  • U uit zich niet negatief over de hulpverlening richting [minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de schriftelijke aanwijzing van 2 december 2025 op grond van artikel 1:263, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te bekrachtigen.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De afgelopen periode is gebleken dat [minderjarige] uitvalt op zijn school en zijn stage. Er is vandaag een gesprek geweest op de school van [minderjarige] . Gebleken is dat de school hem niet meer kan bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] heeft door alle omstandigheden een heel vol hoofd, waardoor hij niet meer aan leren toekomt. Daarnaast heeft [minderjarige] last van hechtingsproblematiek en posttraumatische stresssymptomen. [minderjarige] is de afgelopen tijd veel in conflict met de mensen om hem heen en dit komt ook door de invloed die de vader op hem uitoefent. [minderjarige] geeft zelf aan dat hij geen last heeft van wat de vader met hem bespreekt. Desondanks signaleert de GI dat de vader belastende zaken met [minderjarige] bespreekt. Daarnaast komt de vader de afspraken rondom de omgang met [minderjarige] niet na, gaat [minderjarige] stiekem naar de vader en vertelt de vader [minderjarige] dat hij de afspraken met de GI niet hoeft na te komen. [minderjarige] staat daardoor continu in een loyaliteitsconflict, niet alleen tussen de ouders maar ook tussen de vader en de begeleiders van [naam instelling] . Er is een continue strijd met de vader die niet stopt en waar [minderjarige] de dupe van is. Het lukt de vader telkens voor een korte periode om zich aan de gemaakte afspraken te houden, maar daarna vervalt hij weer in oud gedrag. De GI ziet weinig andere mogelijkheden dan de fysieke overplaatsing van [minderjarige] naar een groep die zich verder van de vader vandaan bevindt. De GI is bang dat de vader niet gaat veranderen en wil daarom de komende tijd investeren in het sterker maken van [minderjarige] en zijn vaardigheden. Desondanks hoopt de GI dat de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd wordt en dat dit een signaal naar de vader afgeeft dat het anders moet.
4.2.
De moeder staat achter de inhoud van de schriftelijke aanwijzing en deelt de zorgen van de GI. De moeder vindt het niet leuk dat [minderjarige] mogelijk wordt overgeplaatst naar een verblijfplek verder van haar vandaan.
4.3.
De zorgcoördinator van [minderjarige] brengt ter zitting het volgende naar voren. [minderjarige] zijn gedrag verandert in negatieve zin nadat hij contact heeft gehad met de vader. [minderjarige] ontwijkt zorg en zoekt onnodig confrontatie met anderen. De zorgcoördinator van [minderjarige] ziet dat [minderjarige] niet lekker in zijn vel zit en dat hij een heel vol hoofd heeft. Er spelen veel dingen in het hoofd van [minderjarige] die hij moeilijk kan verwerken. Daarnaast zit [minderjarige] in een loyaliteitsconflict en wil hij zijn vader niet loslaten. De vader blokkeert alle communicatie met de zorgcoördinatoren van [naam instelling] waardoor zij hem niet kunnen bereiken. [minderjarige] kopieert dit gedrag.
4.4.
Namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het is duidelijk dat alle betrokken partijen zich zorgen maken om [minderjarige] en dat er iets moet gebeuren. De vader vindt het echter lastig om hierin zijn eigen aandeel te zien. Er is sprake van een ingewikkelde voorgeschiedenis waardoor de vader weinig tijd heeft gehad om naar zichzelf te kijken. Het is verdrietig dat [minderjarige] mogelijk overgeplaatst moet worden naar een andere verblijfplek omdat het de vader niet lukt om naar zijn eigen aandeel te kijken. Namens de vader wordt ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en de opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel dienen de met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op te volgen. De GI kan op grond van het derde lid van dit artikel de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
5.2.
De kinderrechter moet eerst beoordelen of er sprake is van een schriftelijke aanwijzing die een besluit inhoudt. Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, of de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en of het besluit deugdelijk is gemotiveerd. Een aanwijzing behoort pas dan te worden gegeven als door middel van overleg en overreding de gewenste medewerking van ouder en/of minderjarige niet wordt verkregen.
De kinderrechter is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is. De aanwijzing is verder zorgvuldig voorbereid, voldoende onderbouwd en voldoende concreet van aard. De kinderrechter volstaat hiermee, omdat op deze punten geen verweer is gevoerd. De kinderrechter zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
5.3.
De schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Het is duidelijk dat alle betrokken partijen veel van [minderjarige] houden en het beste voor hem willen. De communicatie tussen de volwassenen in de omgeving van [minderjarige] verloopt echter op een voor [minderjarige] belastende wijze. Dit maakt dat het hoofd van [minderjarige] heel vol zit en hij niet aan leren toekomt. Daardoor gaat het momenteel niet goed op school. Dit is zorgelijk en niet in het belang van [minderjarige] .
5.4.
Gebleken is dat de vader hierin een grote rol heeft. De kinderrechter ziet dat de vader vaak belastende en volwassen zaken met [minderjarige] bespreekt, [minderjarige] motiveert om eerder gemaakte afspraken met de GI of [naam instelling] niet na te komen en stiekem met [minderjarige] afspreekt. Dit is niet goed voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt dan ook dat de GI ervoor heeft gekozen om aan de vader een schriftelijke aanwijzing te geven, in de hoop dat dit zal maken dat de vader zich anders zal gaan gedragen. Anders is de enige andere optie dat [minderjarige] wordt overgeplaatst naar een andere plek, verder van de ouders vandaan. Het zou heel erg verdrietig zijn als dit nodig zou zijn ten gevolge van het gedrag van de vader.
5.5.
Tot nu toe heeft het geven van de schriftelijke aanwijzing van 2 december 2025 echter geen verandering gebracht in deze situatie. De vader heeft onvoldoende medewerking verleend aan de uitvoering van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter benadrukt dat het in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vader zich houdt aan de punten uit de schriftelijke aanwijzing. Het is belangrijk dat [minderjarige] de ruimte en de kans krijgt om zichzelf te ontwikkelen als volwassenen en zijn eigen weg in kan gaan op zijn eigen manier.
5.6.
Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat voormelde schriftelijke aanwijzing op de juiste wijze tot stand is gekomen en kan worden bekrachtigd. De kinderrechter gaat ervan uit dat dit zal maken dat de vader zich wel aan de punten uit de schriftelijke aanwijzing zal houden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 2 december 2025.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 27 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).