ECLI:NL:RBROT:2026:6684

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/10/673869 / FA RK 24-1216
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a BWArt. 1:12 lid 1 BWArt. 1:377a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking echtscheiding met gelijkwaardig ouderschap en zorgregeling

De rechtbank Rotterdam heeft in een tussenbeschikking van 17 april 2026 de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij beide ouders vastgesteld, waarmee het gelijkwaardig ouderschap wordt bevestigd. De kinderen blijven ingeschreven bij de moeder vanwege lopende hulpverlening vanuit de gemeente, ondanks dat zij tijdelijk op een ander adres verblijven.

De zorgregeling wordt voorlopig vastgesteld met een verdeling waarbij de kinderen in de eerste week van vrijdag tot maandag bij de vader verblijven en in de tweede week van maandag tot woensdag, met overdracht via school. Partijen zijn het eens over vakanties, studiedagen en belcontacten tijdens vakanties. De rechtbank wijst een hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling toe om de communicatie tussen ouders te verbeteren en de zorgregeling in de toekomst mogelijk uit te breiden.

De vader krijgt vervangende toestemming om de kinderen in te schrijven bij de BSO's waar hij werkt, omdat de moeder niet meewerkt en dit niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank stelt de kinderbijdrage vast op €356 per kind per maand, gebaseerd op draagkrachtberekeningen en een zorgkorting van 35%. Definitieve beslissingen over zorgregeling en proceskosten worden aangehouden tot na het hulpverleningstraject.

Uitkomst: Hoofdverblijfplaats bij beide ouders, voorlopige zorgregeling vastgesteld, vervangende toestemming BSO-inschrijving verleend en hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/673869 / FA RK 24-1216
Beschikking van 17 april 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.A.E. van Poppel te Rotterdam.
De zaak heeft betrekking op de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 12 juni 2025 betreffende de echtscheiding;
  • het bericht van de vrouw van 4 december 2025;
  • het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken en wijziging verzoeken ten aanzien van de zorgregeling van de vrouw van 24 februari 2026;
  • de aanvullende verzoeken en bijlagen van de man van 24 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 6 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van de vrouw een draagkrachtberekening overgelegd.
1.4.
De minderjarige [voornaam minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige 1] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt.

2.De (verder) vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van 26 april 2024 zijn voorlopige voorzieningen getroffen. In deze beschikking is – voor zover nu relevant – bepaald dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) als volgt zal zijn:
- partijen delen op doordeweekse dagen de zorg voor de kinderen gelijkelijk;
- in de weekenden verblijven partijen om de beurt alleen met de kinderen in de woning. Dit houdt in dat de man en de vrouw om de beurt in het weekend de nacht van zaterdag of zondag elders doorbrengen. De partij die aan de beurt is om het weekend elders door te brengen moet op zaterdag uiterlijk om 10.00 uur de woning verlaten en mag op zondag op zijn vroegst om 20.00 uur terugkeren.
Tevens is bepaald dat het bedrag dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 366,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen.
2.2.
Bij beschikking van 12 juni 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is het convenant opgenomen in de beschikking. In het convenant hebben partijen afspraken gemaakt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/huwelijksvermogensregime en is een partnerbijdrage overeengekomen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.3.
De echtscheidingsbeschikking is op 11 juli 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.De beoordeling

3.1.
Verblijfplaats en inschrijving brp
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt zelfstandig te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn.
3.1.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
3.1.4.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.1.5.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.1.6.
De hoofdverblijfplaats van minderjarigen is over het algemeen nauw verwerven met de zorgregeling. Daar waar het zwaartepunt van de zorg ligt, is in de meeste gevallen de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de afgeleide of afhankelijke woonplaats van een minderjarige uit artikel 1:12 lid 1 BW Pro.
3.1.7.
De rechtbank zal het hoofdverblijf van de minderjarigen bij beide ouders bepalen. Beide partijen hebben sinds hun feitelijk uiteengaan beiden een wezenlijk aandeel in de zorg en opvoeding van de minderjarigen en daarmee is naar het oordeel van de rechtbank al sprake van een gelijkwaardig ouderschap. Met het bepalen van het hoofdverblijf bij beide ouders wordt hier uitdrukking aan gegeven. Bovendien vraagt dit een gelijke verantwoordelijkheid van ouders. Voor gelijkwaardig ouderschap is niet vereist dat de zorg voor de minderjarigen, zoals de man betoogt, exact gelijkelijk te worden verdeeld.
3.1.8.
Los daarvan staat de inschrijving van de minderjarigen in de Basisregistratie Personen (brp). De minderjarigen staan ingeschreven op het adres van de vrouw in Krimpen aan den IJssel. De vrouw heeft deze woning noodgedwongen moeten verlaten en verblijft met de minderjarigen nu tijdelijk in een vakantiepark. De vrouw heeft een urgentieverklaring gekregen voor het verkrijgen van een eigen woning. De man maakt er bezwaar tegen dat de minderjarigen verblijven op een adres waar zij niet ingeschreven staan.
3.1.9.
Van doorslaggevend belang voor de beslissing waar de minderjarigen staan ingeschreven, acht de rechtbank dat al geruime tijd hulpverlening wordt ingezet in het gezin vanuit de gemeente Krimpen aan den IJssel. Dit is gekoppeld aan de gemeente waar de minderjarigen staan ingeschreven. Het is in het belang van de minderjarigen dat deze hulpverlening kan worden voortgezet. Dit staat nog los van het feit dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij alle afspraken voor de minderjarigen met de huisarts, tandarts en andere instanties maakt, zodat het ook om die reden voor de hand ligt en in het belang van de minderjarigen is dat zij ingeschreven staan op haar adres. De rechtbank zal de inschrijving van de minderjarigen dan ook bij de vrouw bepalen, zelfs nu dit betekent dat de minderjarigen tijdelijk op een adres staan ingeschreven waar zij op dit moment niet wonen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit voor korte duur is en acht continuering van hulpverlening doorslaggevend.
3.2.
Zorgregeling
3.2.1.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de man per twee weken de minderjarigen van vrijdag uit school tot maandag voor school bij zich zal hebben, en de daaropvolgende week van maandag tot woensdag, waarbij de overdracht via school gaat.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer. De man verzoekt zelfstandig te bepalen dat, gedurende de periode dat de vrouw geen vaste woon-en verblijfplaats heeft, de minderjarigen in ieder geval bij de man overnachten en vanaf het moment dat de vrouw een woning heeft kunnen betrekken de volgende zorgregeling wordt bepaald:
  • Week 1: maandagmiddag tot en met woensdagochtend bij de man, woensdagmiddag uit school naar de vrouw tot en met vrijdagochtend en vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar de man;
  • Week 2: maandag tot en met woensdagochtend bij de man, woensdagmiddag uit school naar de vrouw tot en met maandagochtend.
3.2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
3.2.4.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.5.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.2.6.
Bij beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de zorg voor de minderjarigen gelijkelijk tussen partijen werd verdeeld. Die zorgregeling zag op de situatie dat beide partijen nog in de echtelijke woning verbleven.
3.2.7.
Partijen hebben in januari 2025 nieuwe afspraken gemaakt over een tijdelijke zorgregeling, omdat de vrouw in december 2024 eigen woonruimte had gevonden. In de ene week verblijven de minderjarigen van vrijdagmiddag uit school tot dinsdagochtend naar school bij de man en de andere week van dinsdag uit school tot woensdag naar school. De andere dagen verblijven de minderjarigen bij de vrouw. Schematisch is de verdeling van de zorg tussen de ouders 4-7-1-2. De minderjarigen zijn per veertien dagen negen dagen bij de vrouw en vijf dagen bij de man.
3.2.8.
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, komt naar voren dat de nieuwe zorgregeling niet zonder horten en stoten is verlopen, maar door beide ouders wordt gedragen en als passend wordt geacht voor de minderjarigen. Mocht deze regeling worden voortgezet, dan zijn partijen het erover eens dat de enkele overnachting in de tweede week te onrustig is en dat deze regeling dient te worden aangepast op de wijze zoals de vrouw in haar verzoek voorstelt.
3.2.9.
Partijen kunnen het niet eens worden over uitbreiding van de zorgregeling. De man wenst toe te werken naar een gelijke verdeling van de zorgtaken, terwijl de vrouw van mening is dat de huidige zorgregeling in ieder geval op dit moment het hoogst haalbare is.
3.2.10.
Bij de beoordeling van de verzoeken acht de rechtbank het volgende relevant. Al sinds 2021, voordat partijen uit elkaar gingen, is hulpverlening bij het gezin betrokken in verband met ruzies en spanningen tussen de ouders en toenemende zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige 1] . Hulpverlening is eerder niet van de grond gekomen, omdat partijen zich verzoenden. Sinds de verhuizing van de vrouw naar Krimpen aan den IJssel, is het gezin in beeld gekomen bij Wijkteam Nesselande en zijn Filomena en Veilig Thuis betrokken. De regie voor hulpverlening ligt bij Krimpens Sociaal Team. Het gezin is besproken aan de Jeugdbeschermingstafel, waarna een Intensief Hulptraject is opgestart. Ouders zijn in dit kader doorverwezen naar een orthopedagoog.
3.2.11.
Vanuit het begeleidingstraject van de orthopedagoog komt naar voren dat de problematiek van [voornaam minderjarige 1] niet eenzijdig samenhangt met het neurodiverse persoonsbeeld van [voornaam minderjarige 1] , maar samenhangt met factoren in de gezinssituatie. Dit vraagt een gezinsgerichte/ systemische aanpak in de vorm van specialistische GGZ en/of Jeugdhulp in de vorm van opvoedondersteuning of specialistische hulp na scheiding voor beide ouders. [voornaam minderjarige 1] heeft daarnaast hulp nodig bij het verwerken van gevoelens van onveiligheid, nare ervaringen waar hij getuige van is geweest en herstel van zijn relatie met zijn vader, waarbij rekening gehouden wordt met zijn neurodiverse persoonsbeeld. Vanuit de specialistische GGZ (Yulius en de Hoop) wordt geadviseerd om eerst rust te creëren in het systeem met hulpverlening gericht op de communicatie tussen ouders, voordat diagnostisch onderzoek bij [voornaam minderjarige 1] plaatsvindt. Enver adviseert ouders eerst een ‘Ouderschap na Scheiding’ traject te volgen gericht op het loslaten van de strijd en het verbeteren van de communicatie tussen ouders. Dit wordt als voorliggend benoemd op opvoedondersteuning en afstemming van opvoedstijlen. Enver kan als systeemaanbieder aansluitend opvoedondersteuning en indien passend en noodzakelijk voor de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] (en [voornaam minderjarige 2] ) alsnog behandeling en diagnostiek inzetten. Dit advies is overgenomen door Krimpens Sociaal Team.
3.2.12.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen zich in lijn met dit advies en na afstemming met Krimpens Sociaal Team bereid verklaard om via het Uniform Hulpaanbod van de rechtbank deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling om te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. De rechtbank zal partijen verwijzen zoals hierna te melden.
3.2.13.
Gelet op de adviezen vanuit de hulpverlening acht de rechtbank de huidige zorgverdeling - met een kleine aanpassing - op dit moment het hoogst haalbare en passend voor de minderjarigen. Eerst zullen partijen moeten werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie om het gezinssysteem tot rust te brengen, voordat verdere stappen kunnen worden ondernomen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat uitbreiding van de zorgregeling in de context van de ouderschapsbemiddeling wordt meegenomen en met de professionals verder wordt afgestemd op de behoeften van de minderjarigen. De minderjarigen hebben veel last gehad van de ruzies tussen partijen en hun gebrekkige communicatie. De rechtbank is van oordeel dat partijen aan zet zijn om de situatie voor de minderjarigen te verbeteren voordat er een uitbreiding in het contact met de man kan plaatsvinden. Het belang van de minderjarigen vergt dat de zorgregeling gedragen wordt door beide ouders. Op dit moment biedt alleen de huidige zorgregeling die basis. Partijen zijn het erover eens dat de enkele overnachting in de tweede week voor onrust zorgt en op dat punt zal worden aangepast conform het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als voorlopige zorgregeling toewijzen en bepalen dat de minderjarigen voorlopig in de eerste week van vrijdag tot maandag bij de man zijn en in de tweede week van maandag tot woensdag (3-7-2-2). Partijen zijn het erover eens dat de overdracht via school zal plaatsvinden.
3.2.14.
Het verzoek van de man wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling. Daarmee wijst de rechtbank de uitbreiding van de zorgregeling niet op voorhand af, maar geeft zij partijen mee dat zij moeten komen tot een samenwerking waarbinnen de uitbreiding eventueel tot stand kan komen.
Vakantieregeling, studiedagen en belregeling
3.2.15.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakantie en feestdagen, in die zin dat de man heeft ingestemd met het voorstel van de vrouw en zij nadere afspraken hebben gemaakt over het wisselmoment op 25 december. Partijen zijn het volgende overeengekomen:
- zomervakantie wordt bij helften verdeeld:
even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man; oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
  • herfstvakantie: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
  • kerstvakantie:
even jaren: eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man;
oneven jaren: eerste week bij de man, tweede week bij de vrouw;
  • voorjaarsvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
  • meivakantie:
even jaren: eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man;
oneven jaren: eerste week bij de man, tweede week bij de vrouw;
  • mits minimaal drie maanden van tevoren aangegeven, mag de vrouw in de even jaren en de man in de oneven jaren ervoor kiezen om de kerst-of de meivakantie van de andere ouder te ruilen voor een andere week vakantie op een door de andere ouder op te geven moment in hetzelfde jaar ten behoeve van een reis naar Zuid-Afrika;
  • zonder andersluidende afspraken, is de overdracht bij vakanties die langer dan een week duren, op zaterdag om 10.00 uur in het midden van de vakantie bij de woning van de ouder die het tweede deel van de vakantie de minderjarigen heeft;
  • Paasweekend: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
  • Pinksterweekend: oneven jaren bij de vrouw, even jaren bij de man;
  • voor Koningsdag/Hemelvaart geldt de reguliere zorgregeling;
  • voor voornoemde feestdagen (Pasen, Koningsdag, Hemelvaart en Pinksteren) geldt dat wanneer deze in een vakantieweek vallen, de vakantieverdeling bepalend is;
  • Kerstdagen:
De minderjarigen zijn op 24 december tot 25 december 12.00 uur (wegens de verjaardag van [voornaam minderjarige 1] ) in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de vrouw; en van 25 december tot 26 december 10.00 uur in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;
  • Vaderdag: bij de man tot de volgende morgen;
  • Moederdag: bij de vrouw tot de volgende morgen;
  • Indien de kinderen niet met een van de ouders op vakantie zijn, kan de ouder waar de kinderen op hun verjaardag niet verblijven, het jarige kind in ieder geval zien op de verjaardag. Indien de kinderen op vakantie zijn, kan de ouder bij wie ze niet verblijven in ieder geval contact hebben via Facetime.
3.2.16.
Deze vakantie-en feestdagenregeling geldt als uitzondering op de reguliere zorgregeling. Dat betekent dat wanneer er geen specifieke afspraken zijn gemaakt (zoals bij Koningsdag en Hemelvaart), de reguliere zorgregeling geldt.
3.2.17.
Partijen zijn het erover eens dat (conform het verzoek van de vrouw onder III) wanneer er geen school is vanwege een vakantie of een studiedag, de normale schooltijd van 15.00 uur wordt aangehouden als wisselmoment, waarbij de ouder die de minderjarigen normaliter bij school zou ophalen de minderjarigen bij de andere ouder ophaalt. Dit komt overeen met het verzoek van de man onder X.
3.2.18.
Voor studiedagen zijn partijen overeengekomen dat de ouder bij wie de minderjarigen volgens de reguliere zorgregeling verblijven, de verantwoordelijkheid heeft voor de zorg voor de minderjarigen, tenzij partijen anders overeenkomen.
3.2.19.
Partijen zijn een belregeling overeengekomen voor de vakanties, inhoudende dat de ouders over en weer in vakanties de minderjarigen zullen bellen op maandag, woensdag en vrijdag om 8.30 uur Nederlandse tijd. Indien de ouder bij wie de minderjarigen verblijven verhinderd is, zullen de ouders zo snel mogelijk een ander belmoment afspreken.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
3.2.20.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is vermeld in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook een kennisgeving van deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.2.21.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna genoemde manier.
3.2.22.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.2.23.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgdragen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.2.24.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.2.25.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.2.26.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.2.27.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige(n)?
  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.2.28.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.3.
Vervangende toestemming inschrijving BSO
3.3.1.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw binnen één week na de in deze te wijzen beschikking haar volledige medewerking dient te verlenen aan de inschrijving van de kinderen op de BSO voor de dagen dat de kinderen bij de man zijn, meer specifiek de maandag en dinsdag uit school, hetgeen voor [voornaam minderjarige 2] de BSO behorend bij haar basisschool betreft, te weten Partou Jacob Marisplein, en voor [voornaam minderjarige 1] de Vesper BSO+ Hillegersberg betreft (of andere BSO indien partijen hiertoe in onderling overleg besluiten) en indien de vrouw haar medewerking weigert de man vervangende toestemming te verlenen, ter vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw, om [voornaam minderjarige 2] in te schrijven op de BSO Partou Jacob Marisplein en [voornaam minderjarige 1] in te schrijven op de Vesper BSO+
Hillegersberg.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.3.4.
Voor [voornaam minderjarige 2] zijn partijen het eens dat zij kan worden ingeschreven in de door de man genoemde BSO, maar over [voornaam minderjarige 1] zijn zij het niet eens geworden. Dat neemt niet weg dat de man fulltime werkt en daarmee een belang heeft om [voornaam minderjarige 1] net als [voornaam minderjarige 2] naar de BSO te laten gaan op dagen dat hij de zorg voor hem heeft.
3.3.5.
De rechtbank stelt voorop dat de start voor [voornaam minderjarige 1] met Vesper BSO+ verre van ideaal is geweest. De man heeft [voornaam minderjarige 1] naar een wendag van deze BSO gebracht zonder dat [voornaam minderjarige 1] daar (goed) op was voorbereid. [voornaam minderjarige 1] is hierdoor erg van slag geraakt.
3.3.6.
De man heeft onweersproken gesteld dat de BSO passend is voor [voornaam minderjarige 1] en dat meerdere van zijn klasgenoten naar deze BSO gaan. Volgens de man wordt [voornaam minderjarige 1] vooral belemmerd doordat de vrouw hem geen emotionele toestemming geeft om naar deze BSO te gaan.
3.3.7.
Gebleken is dat de vrouw op zich niet onwelwillend staat tegenover deze BSO voor [voornaam minderjarige 1] , maar dat het hier vooral is misgegaan op de communicatie tussen partijen. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het laten voortduren van de discussie over de BSO niet in het belang van [voornaam minderjarige 1] is. De rechtbank zal de man vervangende toestemming geven om [voornaam minderjarige 1] te laten inschrijven in de BSO, omdat de rechtbank dit in het belang van [voornaam minderjarige 1] acht. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om emotionele toestemming te geven aan [voornaam minderjarige 1] om naar de BSO te gaan en hem daarop voor te bereiden op een voor hem passende manier. Daarbij geeft de rechtbank partijen mee dat dit niet het enige probleem is waar partijen tegenaan zullen lopen bij de verzorging en opvoeding van hun twee nog jonge kinderen.
3.3.8.
Hoewel de vrouw akkoord is met inschrijving van [voornaam minderjarige 2] op de BSO, heeft deze inschrijving tot op heden nog niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat partijen dit in onderling overleg zullen regelen, omdat partijen niet in staat blijken hierover met elkaar te communiceren. De rechtbank zal de man vervangende toestemming verlenen om [voornaam minderjarige 2] in te schrijven op de BSO.
3.4.
Onderhoudsbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 454,- per kind per maand vast te stellen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer. De man verzoekt zelfstandig te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen dient te voldoen, primair, op basis van de inschrijving van de kinderen bij de man van € 426,- per maand, dus € 213,- per kind per maand, doch subsidiair, op basis van de inschrijving van de kinderen bij de vrouw, € 713,-, dus € 356,- per kind per maand, maandelijks en bij vooruitbetaling aan de vrouw te
voldoen.
3.4.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot de verzoeken tot vaststelling van een kinderbijdrage. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van Pro de genoemde Alimentatieverordening bevoegd om van de verzoeken tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie kennis te nemen.
3.4.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op de verzoeken tot vaststelling van de onderhoudsbijdragen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigden gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
3.4.5.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.6.
De vrouw heeft geen ingangsdatum verzocht. De rechtbank zal de kinderbijdrage vaststellen per datum van deze beschikking.
De behoefte
3.4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2026 € 1.330,- per maand bedraagt.
Draagkrachtberekening
3.4.8.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.9.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht van de man
3.4.10.
Partijen zijn het erover eens dat op basis van de salarisstrook van december 2025 en conform de draagkrachtberekening productie XXIII van de man in ieder geval uitgegaan kan worden van de volgende gegevens:
- basisloon € 7.297,- per maand;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- eindejaarsuitkering € 606,- per maand;
- pensioenpremie € 562,- per maand;
- aanvullende pensioenpremie € 13,- per maand.
3.4.11.
De vrouw stelt dat deze informatie verouderd is. Op basis van het CAO akkoord 2025 genieten universitaire medewerkers een structurele loonsverhoging van 4,2% en ontvingen zij in 2025 een eenmalige CAO-vergoeding van € 350,-. In haar berekening heeft zij deze eenmalige uitkering opgenomen. De man betwist dat hij deze vergoeding ontvangt.
3.4.12.
Niet blijkt uit de stukken dat de man deze eenmalige vergoeding heeft ontvangen of zal ontvangen, waarbij bovendien geldt dat deze afspraken onderhevig zijn aan verandering door nieuwe CAO-onderhandelingen en een eenmalige uitkering geen structureel inkomenscomponent is. De rechtbank zal met deze vergoeding geen rekening houden.
3.4.13.
Ook houdt de rechtbank geen rekening met de internetvergoeding van € 25,- per maand, omdat daar kosten tegenover staan.
3.4.14.
De rechtbank bepaalt het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 5.293,- per maand, zoals volgt uit de draagkrachtberekening van de man. Daarbij is rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.15.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.638,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
3.4.16.
Partijen hebben tijdens het huwelijk een traditionele rolverdeling gehad, waarbij de man kostwinner was en de vrouw de zorg voor de minderjarigen had. Na het uiteengaan is de vrouw aan de slag gegaan als kok. In het kader van de voorlopige voorzieningen is van dit inkomen uitgegaan.
3.4.17.
De man stelt zich van meet af aan op het standpunt dat bij de vrouw uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit van € 20.000,- bruto per jaar.
3.4.18.
De vrouw stelt dat de verwachtingen die zij had om haar inkomen te verhogen niet zijn uitgekomen. Haar baan bij het restaurant is geëindigd door renovatie. De vrouw wilde het liefst in het onderwijs aan de slag gaan, maar heeft door de taalbarrière nog niet de juiste kwalificaties. Noodgedwongen werkt zij nu vier ochtenden in de week als oppas bij een sportschool voor een minimaal inkomen van € 9.287,- bruto per jaar. Zij erkent dat dit slecht betaald is en doet haar uiterste best om een hoger inkomen te verwerven, maar dit is tot op heden niet gelukt. Zij verzoekt daarom uit te gaan van het feitelijk genoten inkomen.
3.4.19.
De rechtbank acht het redelijk om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij onlangs nog een baan aangeboden heeft gekregen bij een Afrikaans restaurant van Van der Valk. Het werken als kok in een restaurant vergt dat partijen afstemmen over de opvang voor de minderjarigen, omdat dit andere werktijden zijn. De vrouw stelt dat zij deze baan niet heeft kunnen aannemen, omdat het niet gelukt is om met de man af te stemmen over de zorg voor de minderjarigen. De rechtbank heeft de indruk dat de vrouw welwillend is om haar inkomen te verhogen en gaat ervan uit dat dit haar ook zal lukken, te meer nu zij een baan aangeboden heeft gekregen. Niet is gebleken dat er sprake is van arbeidsbelemmerende omstandigheden. Om te voorkomen dat de zorgregeling een belemmering gaat zijn voor de vrouw om een betere baan te krijgen, mag van de man worden verwacht dat hij zich flexibel opstelt waar het gaat om opvang voor de minderjarigen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 20.000,- bruto per jaar.
3.4.20.
De rechtbank volgt hierin de draagkrachtberekening (productie XXIII) van de man en bepaalt het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.381,- per maand.
3.4.21.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 211,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.4.22.
De gezamenlijke draagkracht van partijen is [€ 1.638+211 =] € 1.849,- per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.638 / € 1.849 x € 1.330 = € 1.178
het deel van de vrouw bedraagt: € 211 / € 1.849 x € 1.330 = € 152 +
samen € 1.330
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.178,- per maand ofwel € 589,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 152,- per maand ofwel € 76,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.23.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 35%. De rechtbank acht dit passend bij de nu vast te stellen voorlopige zorgregeling waarbij de man vijf dagen per veertien dagen de zorg voor de minderjarigen heeft.
3.4.24.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.330,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 466,- per maand.
3.4.25.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen [€ 1.178-466=] € 712,- per maand.
Conclusie
3.4.26.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 356,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.27.
Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat partijen in het echtscheidingsconvenant een partneralimentatie voor de vrouw zijn overeengekomen, maar deze niet hebben meegenomen in de berekening van de kinderbijdrage. De rechtbank gaat er vanuit dat de man in staat is de kinderbijdrage te voldoen naast de partnerbijdrage.
3.4.28.
Omdat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van partijen is uitgegaan van de door de man overgelegde berekening productie XXIII, volstaat de rechtbank met een verwijzing daarnaar.
3.5.
Overige verzoeken
3.5.1.
Het verzoek van de man (onder XII) om te bepalen dat partijen dienen mee te werken aan hulpverlening wordt afgewezen, omdat partijen deelnemen aan het uniform hulpaanbod.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Omdat nog niet op alle punten een eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij beide ouders zal zijn;
4.2.
bepaalt dat de minderjarigen zullen zijn ingeschreven op het adres van de vrouw in de Basisregistratie Personen;
4.3.
stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigbij de man zullen zijn als volgt:
  • in de eerste week van vrijdag tot maandag;
  • in de tweede week van maandag tot woensdag;
4.4.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de verdeling van de vakanties en feestdagen, de studiedagen en belcontact tijdens de vakanties hebben getroffen zoals overwogen onder 3.2.12. tot en met 3.2.16.;
4.5.
verleent aan de man toestemming tot inschrijving van de minderjarige [voornaam minderjarige 2] op de BSO Partou Jacob Marisplein en tot inschrijving van de minderjarige [voornaam minderjarige 1] op de Vesper BSO+ Hillegersberg;
4.6.
bepaalt dat de onder 4.5. verleende toestemmingen strekken ter vervanging van de toestemming van de vrouw;
4.7.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 356,- per kind per maand;
4.8.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende te [postcode 1] [woonplaats 1] , [adres 1] ,
en
[naam man] ,
wonende te [postcode 2] [woonplaats 2] , [adres 2] ;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.10.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarigen en dat zij verdere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarigen en beide partijen;
4.11.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een kennisgeving van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl;
4.12.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
4.13.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.14.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.15.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.16.
houdt iedere verdere definitieve beslissing over de zorgregeling en de proceskosten aan tot
1 november 2026 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 17 april 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.