Art. 3:185 BWArt. 3:186 lid 1 BWArt. 1:94 BWArt. 1:99 lid 1 BWArt. 1:253i BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verdeling beperkte gemeenschap van goederen en benadeling huwelijksgemeenschap
De rechtbank Rotterdam behandelt een geschil tussen echtgenoten over de verdeling van hun beperkte gemeenschap van goederen na ontbinding van het huwelijk. Partijen zijn het niet eens over de verdeling van diverse goederen, waaronder een vakantiewoning, inboedel, een auto en aandelen in een besloten vennootschap. De rechtbank bepaalt dat de vakantiewoning en de bankrekeningen van de minderjarige kinderen niet tot de gemeenschap behoren. De auto wordt aan de vrouw toegewezen onder verrekening van de helft van de waarde.
De waarde van het aandeel in de besloten vennootschap wordt op nihil gesteld vanwege gebrek aan bewijs. De rechtbank stelt dat de bankrekeningen op naam van partijen gezamenlijk moeten worden gedeeld, mits partijen binnen twee weken de saldi op de peildatum aan elkaar verstrekken. Over de huwelijkse schulden wordt geoordeeld dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn.
De vrouw stelt dat de man inkomsten en bezit heeft verzwegen, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank houdt de behandeling van deze benadelingsverzoeken aan en geeft de vrouw twee maanden om via een advocaat nadere bewijsstukken in te dienen. De man krijgt daarna vier weken om te reageren. De proceskosten worden voorlopig niet beslist. De zaak wordt aangehouden tot 1 september 2026 voor een eindbeslissing.
Uitkomst: De rechtbank gelast de verdeling van de beperkte gemeenschap en houdt de behandeling van benadelingsverzoeken aan tot nadere onderbouwing.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/675835 / FA RK 24-2153
Beschikking van 27 mei 2026 over de verdeling
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend aders,
advocaat mr. I. Correljé te Hoek van Holland (tot 12 april 2026),
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat M. Czarnota te Oosterhout.
de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
1.De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de tussenbeschikking van 8 mei 2025;
de berichten (met bijlagen) van de vrouw van 30 juli 2025, 30 augustus 2025,
7 december 2025;
de berichten (met bijlagen) van de man van 29 augustus 2025;
het aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw van 27 augustus 2025;
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 april 2026. Daarbij zijn partijen met hun advocaten verschenen.
2.De beoordeling
2.1.
Tussenbeschikking 8 mei 2025
2.1.1.
Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de rechtbank:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw bepaald;
opgenomen de afspraken over de zorgregeling, namelijk:
o de minderjarigen verblijven drie weekenden in de maand van vrijdag 14.00 uur tot zondagavond bij de man. Daarbij geldt in de zomertijd als terugbrengtijdstip zondag 18.00 uur en in de wintertijd zondag om 19.00 uur;
o vakanties en feestdagen worden jaarlijks in september in onderling overleg verdeeld, waarbij het uitgangspunt is deze zoveel mogelijk bij helfte te verdelen.
o de ouders kunnen als dat in een bepaald geval nodig is in onderling overleg van de overeengekomen zorgregeling afwijken;
- opgenomen de afspraak die partijen hebben gemaakt over kinderbijdrage, namelijk dat de man aan de vrouw met ingang van 3 november 2024 steeds zal voldoen
€ 150,- per maand per kind;
- de man toegestaan de tot heden verschuldigde termijnen (voor wat betreft de kinderbijdrage) af te betalen met in door partijen in onderling overleg te bepalen termijnbedragen.
De behandeling van de zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om overleg met elkaar te voeren over de verdeling van de beperkte gemeenschap.
2.1.2.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de beperkte gemeenschap en de overige verzoeken van de vrouw die zien op de huwelijksgemeenschap. Dat betekent dat de rechtbank nog moet beslissen nemen op de verzoeken.
2.2.
Verdeling
2.2.1.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de beperkte huwelijksgemeenschap wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.
2.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt om de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap te gelasten op de door hem voorgestelde wijze.
2.2.3.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de gemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BWPro.
2.2.4.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BWPro).
Huwelijksvermogensregime
2.2.5.
Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
2.2.6.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BWPro alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen samen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd:
goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhefPro en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BWPro omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
2.2.7.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BWPro slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
2.2.8.
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BWPro alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onderPro a tot en met c BW.
2.2.9.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BWPro als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.
Peildatum omvang
2.2.10.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhefPro en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. In afwijking hiervan, zijn partijen eerder al overeengekomen dat
3 november 2023 als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de eerder genoemde tussenbeschikking.
Waardering
2.2.11.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
2.2.12.
Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
2.2.13.
Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Omvang huwelijksgemeenschap
2.2.14.
Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:
het huurrecht van de woning aan [adres 1] [plaats] ;
de vakantiewoning [vakantiewoning] [adres 2] , [plaats] ;
de inboedelgoederen;
e auto van het merk Volkswagen Tiguan met kenteken [kentekennummer] ;
de aandelen in de besloten vennootschap [bedrijf] (nadere gegevens bij partijen genoegzaam bekend);
het saldo op bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van partijen samen;
het saldo op bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van partijen samen;
et saldo op bankrekening [rekeningnummer 3] op naam de vrouw;
het saldo op bankrekening op naam de man, nadere gegevens bij de man genoegzaam bekend;
het saldo op bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van de minderjarige dochter van partijen;
het saldo op bankrekening [rekeningnummer 5] op naam van de minderjarige zoon van partijen;
diverse schulden.
2.2.15.
Ondernemingen op naam van derden vallen, anders dan de vrouw heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank niet in de beperkte gemeenschap van goederen.
2.2.16.
In tegenstelling tot wat de vrouw lijkt te veronderstellen, behoort ook het huurrecht van de woning aan [adres 1] [plaats] (a.) niet tot de beperkte huwelijksgemeenschap van partijen. Er is bovendien sprake geweest van een ontruiming door de verhuurder en partijen wonen als gevolg daarvan inmiddels elders, zodat de rechtbank hierover geen beslissing hoeft te nemen.
2.2.17.
De rechtbank is van oordeel dat de saldi van de bankrekening van de minderjarigen (j. en k.) ook niet binnen de beperkte huwelijksgemeenschap van partijen valt, maar de minderjarigen toekomt. Op grond van artikel 1:253i BW hebben partijen gezamenlijk het bewind over het vermogen van de minderjarigen en moeten zij zich bij een geschil hierover tot de kantonrechter wenden. Alle verzoeken van de vrouw die gaan over deze rekeningen worden daarom afgewezen. De rechtbank merkt nog op dat de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat partijen over dit punt vorig jaar in maart hebben gesproken en dat hij in dat gesprek zou hebben aangegeven dat de vrouw de rekening(en) mag beheren.
2.2.18.
Het verzoek van de vrouw om activa en passiva, opgekomen na indiening van het verzoek, toe te delen aan degene die het betreft, zonder enige verrekening, is geen verzoek waar de rechtbank op kan beslissen. De rechtbank verdeeld de gemeenschap en beslist niet over wat daar niet in valt.
b) de vakantiewoning [plaats]
2.2.19.
Partijen zijn het erover eens dat de vakantiewoning tijdens het huwelijk is verkregen. Volgens de man maakt deze woning deel uit van de beperkte huwelijks-gemeenschap, wat de vrouw op haar beurt betwist. Zij stelt zich op het standpunt dat de vakantiewoning (alleen) aan haar geschonken is en legt ter onderbouwing daarvan een akkoordverklaring over. In dat stuk is te lezen is dat de vakantiewoning op het recreatiepark in [plaats] aan [adres 2] “voor het symbolische bedrag van € 1,- mag worden overgedragen” aan de vrouw. De woning was eerder in eigendom van [persoon A] . Na haar overlijden hebben de erfgenamen de akkoordverklaring opgesteld en getekend. De man lijkt met de stelling dat de vakantiewoning € 30.000,- waard is ook te onderkennen dat het meer waard is € 1,-.
2.2.20.
Gelet op de tekst van de akkoordverklaring kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat de woning alleen aan de vrouw is geschonken. Dat betekent dat de woning op grond van artikel 1:94 lid 2 BWPro geen onderdeel uitmaakt van de beperkte huwelijksgemeenschap van partijen, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen. Dat partijen later samen huurder zijn geworden van de grond waar de woning op staat maakt het oordeel niet anders.
b) de inboedelgoederen
2.2.21.
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan [adres 1] op de peildatum nog niet was ontruimd door de verhuurder. Zij zijn het er ook over eens dat de inboedel op die peildatum in tact was en dat de inboedelgoederen grotendeels tijdens het huwelijk zijn verkregen. De man stelt dat de inboedelgoederen nog niet bij helfte zijn verdeeld. Hij wenst dat de vrouw nog een bedrag van € 3.500,- aan hem voldoet, omdat zij diverse inboedelgoederen heeft toegeëigend of verkocht. De vrouw is het niet eens met de man. Zij heeft onweersproken gesteld dat zij enkele inboedelgoederen heeft verkocht en dat zij met de opbrengst daarvan een deel van de huwelijkse schulden heeft afgelost. Volgens de vrouw zijn de goederen reeds verdeeld en/of zijn de resterende inboedelgoederen door ontruiming van de woning aan de straat gezet en op die manier verloren geraakt.
2.2.22.
De rechtbank kan op basis de ingebrachte stukken niet vaststellen of alle inboedelgoederen reeds verdeeld zijn en of sprake is van een overbedeling aan de zijde van de vrouw. Het had op de weg van de man gelegen om zijn stellingen nader te onderbouwen. Omdat hij daarin niet geslaagd is wijst de rechtbank zijn verzoek af. De rechtbank gaat ervan uit dat de inboedelgoederen bij helfte zijn verdeeld.
c. de auto van het merk Volkswagen
2.2.23.
Partijen zijn het erover eens dat de auto tijdens het huwelijk is aangeschaft. De vrouw heeft tot voor kort in de auto gereden. De auto is na de peildatum door de vrouw verkocht. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de auto geen onderdeel uitmaakt van de beperkte huwelijksgemeenschap van partijen, omdat de auto door de man aan haar is geschonken. Zij heeft het model uitgezocht en de auto stond op haar naam. De man betwist dat sprake is geweest van een schenking. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Omdat de vrouw daar niet in geslaagd is, wordt de auto op grond van artikel 1:94 lid 8 BWPro aangemerkt als een gemeenschapsgoed. Dat de vrouw het model heeft uitgezocht en de auto op haar naam stond is in dit kader niet relevant.
2.2.24.
De vrouw heeft zich later ook nog op het standpunt gesteld dat de auto die zij voor het huwelijk had is ingeruild voor de Volkswagen. Ook die stelling volgt de rechtbank niet. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat beide partijen voor het huwelijk een auto in bezit hadden en hebben ingeruild en dat zij tussen deze privé auto’s en de Volkswagen verschillende auto’s in hun bezit hebben gehad. Dat de Volkswagen in plaats van de auto van de vrouw is gekomen en daarmee haar eigendom, volgt de rechtbank niet.
2.2.25.
De rechtbank deelt de auto toe aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde met de man. Partijen twisten ook over de waarde van de auto. Als peildatum heeft te gelden de datum dat de auto feitelijk alleen werd gebruikt door de vrouw. Auto’s worden minder waard en de vrouw heeft vanaf het moment dat zij de auto gebruikt ook invloed op de waarde, bijvoorbeeld als zij schade rijdt. De rechtbank stelt de waarde van de auto in redelijkheid vast op € 8.000,-, te weten het gemiddelde van de door partijen gestelde waardes. De rechtbank sluit daarbij ook aan bij de waarde waarvoor de auto na de peildatum is verkocht. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag aan de man moet voldoen.
d) de aandeel van de man in [bedrijf] B.V.
2.2.26.
Partijen zijn het erover eens dat het aandeel van de man in [bedrijf] B.V. tot de huwelijksgemeenschap behoort. Ter discussie staat niet dat de man enig aandeelhouder was. De rechtbank zal het aandeel aan de man toedelen. Tussen partijen is de waarde van het aandeel in geschil.
2.2.27.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij de onderneming in 2019 is gestart met als doel om evenementen te organiseren. Door de coronapandemie is dit niet van de grond gekomen. Hij stelt dat hij nooit activiteiten heeft verrichten dat de onderneming op 16 mei 2025 is opgeheven. De waarde moet op nihil worden bepaald. De vrouw betwist dit. Volgens haar is het aandeel weldegelijk van waarde. De man heeft jaren geleden een Tozo-uitkering aangevraagd en gekregen. Deze uitkering krijg je alleen als een bedrijf omzet maakt. Inmiddels is er bij de vrouw beslag gelegd voor terugbetaling van de uitkering.
2.2.28.
Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank niet vaststellen wat de waarde van het aandeel is. De vrouw heeft in de loop van de procedure ook geen concreet standpunt ingenomen over de waarde van het aandeel. Dat had wel van haar verwacht mogen worden, zeker nu er bij haar beslag zou zijn gelegd voor de Tozo-uitkering, opgelegd op basis van een bepaalde omzet, aldus de vrouw. Uit het uittreksel van het Kamer van Koophandel volgt dat bij ontbinding van de besloten vennootschap geen bekende baten meer aanwezig waren. Dat was echter twee jaar na de peildatum. De rechtbank heeft bij deze stand van zaken drie keuzes: de vrouw volgen en een onbepaalde waarde vaststellen, de man volgen en de waarde op nihil bepalen of een deskundige benoemen om de waarde te bepalen. Dit laatste is door partijen niet naar voren gebracht, door de rechtbank niet besproken en het is ook de vraag of de kosten van een deskundige, die door partijen bij wijze van voorschot gedragen moeten worden, opwegen tegen de uitkomst. Omdat de rechtbank, los van de vraag wiens taak het is om een betwiste waarde te motiveren en onderbouwen, het aandeel niet op een onbepaald bedrag kan vaststellen, zal de rechtbank de waarde op de peildatum op nihil bepalen.
Saldi op diverse bankrekeningen
2.2.29.
De rechtbank zal beslissen dat ieder de bankrekening houdt die op zijn of haar naam staat. Zij gaat ervan uit dat de bankrekeningen op naam van partijen gezamenlijk worden opgeheven. Omdat de rechtbank onvoldoende inzage heeft gekregen in het saldo op de peildatum kan zij de bedragen niet opnemen in deze beschikking. Zij zal bepalen dat de man en de vrouw elkaar binnen twee weken na de datum van de beschikking alsnog een afschrift van hun eigen rekening moeten verschaffen waarop het saldo op de peildatum (3 november 2023) zichtbaar is. Het saldo moet vervolgens in beginsel bij helfte worden gedeeld. Voor zover sprake is van een negatief saldo op de peildatum dan zijn partijen daarvoor in beginsel draagplichtig bij helfte. Dat de rechtbank de wijze van verdeling in beginselop vorenstaande wijze gelast, houdt verband met de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de benadeling van de gemeenschap die hierna worden behandeld.
Diverse schulden
2.2.30.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat partijen elkaar over en weer vrijwaren, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge ‘deze overeenkomst’ ten laste van de andere partij komt. Dit is geen verzoek dat door de rechtbank kan worden toegewezen.
2.2.31.
De rechtbank heeft begrepen dat er huwelijkse schulden zijn. Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank echter niet vaststellen welke huwelijkse schulden er precies waren op de peildatum en evenmin wat de hoogte daarvan was. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden die op de peildatum aanwezig zijn. In wat door de vrouw is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt.
2.3.
Benadeling van de huwelijksgemeenschap
2.3.1.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de man haar moet voldoen:
een bedrag van € 25.000,- ter zake verzwegen inkomsten;
een bedrag van € 25.000,- ter zake bedrijven waarvan hij de inkomsten tijdens het huwelijk heeft verkregen en verzwegen;
een extra bedrag van € 1.000.000,- wegens verzwijgen van bezit door de man.
2.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.3.3.
De rechtbank begrijpt dat de vrouw een beroep doet op artikel 3:194 lid 2 BWPro en zal de rechtsgronden aldus aanvullen. Op grond van dit artikel verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Voor de sanctie van dit artikel is aanleiding wanneer een van de deelgenoten het bestaan van een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, terwijl hij wist dat het goed tot de gemeenschap behoort. Omdat de vrouw een beroep doet op het rechtsgevolg van haar stelling, moet zij die stelling onderbouwen en daarmee aantonen. Zij draagt op grond van artikel 150 RvPro daarvoor de bewijslast.
2.3.4.
De vrouw heeft uitgelegd dat partijen twee gezamenlijke rekeningen hadden, welke op den duur door de bank zijn geblokkeerd en opgeheven wegens een vermoeden van frauduleus handelen. Alleen de man zou toegang hebben gehad tot deze rekeningen. Zij heeft in samenwerking met de bank uiteindelijk diverse afschriften kunnen verkrijgen. Die stukken laten volgens de vrouw verbazingwekkende feiten zien. In zeer korte tijd zou een bedrag van € 1.117.733,25 zijn ingekomen en in nagenoeg dezelfde periode zou een bedrag van € 965.536,55 zijn afgeschreven. De vrouw stelt dat de man de bedragen heeft ontvangen en verzwegen, onder andere door het via de rekening van hun zoon door te sluizen naar andere rekeningen. Zij heeft een opstelling gemaakt en als excelbestand overgelegd in de procedure. De vrouw biedt aan om aan de hand van de bankafschriften die aan de opstelling ten grondslag liggen het verzwegen inkomen en bezit nader te bewijzen.
2.3.5.
De door de vrouw overgelegde overzichten roepen op z’n minst vragen op. De rechtbank ziet dat daarin aanzienlijke bedragen binnen zijn gekomen en ook weer uit zijn gegaan. Partijen zijn op 10 augustus 2018 getrouwd. In dat derde kwartaal is er afgerond
€ 118.000,- bijgeboekt en afgerond € 18.000,- afgeboekt. In het vierde kwartaal is er afgerond € 175.000,- bijgeboekt en ook weer afgeboekt. In ongeveer het eerste half jaar 2019 is er afgerond € 234.000,- bijgeboekt en ook weer afgeboekt. De bedragen nadien zijn weliswaar lager maar laten nog steeds een beeld zien waarbij er, op een aantal maanden na, per maand ten minste € 10.000,- bij- en afgeboekt wordt. Als dat klopt, dan is dat lastig te verklaren tegen de achtergrond dat er (huwelijkse) schulden zijn en gelet op het feit dat de huurwoning op enig moment is ontruimd door de verhuurder vanwege een betalingsachterstand. De man betwist dat sprake is geweest van frauduleus handelen, maar hij heeft niet weersproken dat er op enig moment twee rekeningen door de bank zijn geblokkeerd en opgeheven. Hij heeft de rechtbank niet uitgelegd hoe de situatie volgens hem zou zijn gegaan. Wel heeft hij naar voren gebracht dat hij ook nieuwsgierig is naar de bankafschriften waar de vrouw over spreekt.
2.3.6.
De rechtbank houdt de behandeling van alle verzoeken die zien op de beperkte gemeenschap, gelet op de onderlinge samenhang, aan en zal de vrouw in de gelegenheid stellen om de bankafschriften in het geding te brengen en om haar stellingen ten aanzien van de benadeling van de gemeenschap nader te onderbouwen. De vrouw moet inzichtelijk maken wat zij op de afschriften ziet en waarom daaruit moet volgen dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen, zoek heeft maakt of verborgen heeft gehouden. De vrouw moet daarbij een koppeling maken naar de bedragen die zij noemt in haar verzoeken.
2.3.7.
De vrouw kan de gevraagde informatie alleen indienen via een advocaat. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat de vrouw met ingang van 12 april 2026 niet meer wordt bijgestaan door een advocaat. De rechtbank zal de vrouw daarom een iets langere termijn geven, zodat de vrouw ook de gelegenheid krijgt om op zoek te gaan naar een nieuwe advocaat. De vrouw krijgt twee maanden de tijd om haar verzoeken nader te onderbouwen. De man krijgt vervolgens, gelet op de zomervakantie, vier weken om te reageren. De rechtbank doet de zaak daarna in beginsel af op de stukken.
2.4.
Proceskosten
2.4.1.
Omdat de rechtbank nu geen eindbeslissing over de benadelingsverzoeken, neemt zij ook nog geen beslissing over de proceskosten.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verzoekt de vrouw om de rechtbank binnen twee maanden na de datum van deze beschikking, dus uiterlijk op 27 juli 2026, via een advocaat, nader te informeren als bedoeld in rechtsoverweging 2.3.6. van deze beschikking en stelt de man daarna in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van het bericht te reageren. Hierna wordt in beginsel op een zo kort mogelijke termijn een eindbeschikking gegeven;
en voordat verder wordt beslist:
3.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak over de verdeling van de beperkte gemeenschap, benadelingsverzoeken en de proceskosten wordt aangehouden tot
1 september 2026 PRO FORMA;
3.3.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de pro-formadatum niet behoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 27 mei 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.