Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6687

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/10/703691
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 1:25 BWArt. 1:25b BWArt. 1:26 BWArt. 1:26b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning buitenlandse geboorteakte, gezamenlijk gezag en zorgregeling minderjarige

De rechtbank Rotterdam heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een familierechtelijke procedure over de erkenning van een in de Verenigde Staten opgemaakte geboorteakte en paternity acknowledgement van een minderjarige, het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie.

De rechtbank verklaarde de buitenlandse geboorteakte en de paternity acknowledgement van rechtswege erkend in Nederland en gelastte de inschrijving van de geboorteakte in het Nederlandse geboorteregister met een latere vermelding van erkenning. Tevens werd vastgesteld dat de man en vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen vanaf 27 maart 2025, de datum van registratie in het Nederlandse BRP.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarige werd bij de vrouw vastgesteld, omdat zij de primaire hechtingsfiguur is en de verzorging tot nu toe heeft gedragen. De zorgregeling werd uitgebreid zodat de minderjarige voortaan iedere donderdag tot en met zaterdag bij de man verblijft. De rechtbank legde de onderhoudsbijdrage van de man vast op €306 per maand met ingang van 1 augustus 2025, te verhogen met wettelijke indexering vanaf 1 januari 2026.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet hoeft te worden beëindigd, ondanks communicatieproblemen, omdat partijen zich inzetten voor het belang van het kind. De bijzondere curator werd met ingang van de beschikking beëindigd, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank erkent de Amerikaanse geboorteakte en paternity acknowledgement, stelt gezamenlijk gezag vast, bepaalt hoofdverblijfplaats bij de moeder, breidt de zorgregeling uit en legt kinderalimentatie van €306 per maand vast.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703691 / FA RK 25-5571
Beschikking van 27 mei 2026 over de afstamming, het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
advocaat mr. R.A.C.M. Jansen te Middelharnis,
t e g e n
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F.H. Kuiper te Heerlen.
de procedure gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , Amerika .
In deze zaak treedt op als bijzondere curator (artikel 1:250 BW Pro):
[bijzondere curator] , advocaat te Rotterdam, hierna te noemen: de bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 10 september 2025;
  • de tussenbeschikking van 15 december 2025, waarin de bijzondere curator is benoemd;
  • de berichten (met bijlagen) van de man van 12 (2x) en 13 januari 2026 en
23 maart 2026;
- de berichten (met bijlagen) van de vrouw van 12 en 13 januari 2026 en
20 en 23 maart 2026;
- het verslag van de bijzondere curator van 13 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] ;
  • de bijzondere curator.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Wat is er tot nu toe gebeurd?
2.1.1.
Bij tussenbeschikking van 10 september 2025 in deze procedure zijn de afspraken tussen partijen opgenomen over een voorlopige contactregeling en de hulpverlening, inhoudende dat:
  • de man rijdt iedere woensdag naar de vrouw in [plaats] en heeft daar vanaf ongeveer van 11:00 uur de zorg over de minderjarige tot ongeveer 14:00 uur, afhankelijk van het moment waarop de minderjarige wakker wordt en weer gaat slapen. Vervolgens heeft de man de zorg na het middagslaapje van de minderjarige tot ongeveer 20:00 uur. De minderjarige slaapt in het huis waar de vrouw ook verblijft. De vader van de vrouw mag tijdens de omgang aanwezig zijn, maar geen bemoeienis hebben met de man dan wel de minderjarige;
  • de vrouw rijdt iedere zaterdag naar de man in [woonplaats 1] en arriveert daar tussen 11:00 uur en 11:30 uur, waarbij de vrouw de man zal laten weten wanneer zij uit Heerlen vertrekt. Vervolgens heeft de man in zijn huis in [woonplaats 1] de zorg voor de minderjarige, waarbij de minderjarige ook in zijn huis zijn middagslaapje zal doen. De vrouw mag desgewenst in het huis van de man verblijven. De zorg duurt tot ongeveer 20:00 uur. De moeder van de man is tijdens de omgang aanwezig, maar heeft geen bemoeienis met de man of de minderjarige;
  • partijen kunnen in onderling overleg andere afspraken maken over de invulling van de zorg van de man voor de minderjarige;
  • partijen gaan een mediation- en/of ouderschapsbemiddelingstraject volgen waarbij de man op vrijdag 29 augustus 2025 een voorstel doet aan de vrouw voor drie mediators of ouderschapsbemiddelaars, bij voorkeur met een pedagogische achtergrond in de regio Eindhoven. Als de vrouw geen van de mediators of ouderschapsbemiddelaars geschikt acht, zal zij zelf met drie namen komen en kan de man vervolgens één van deze mediators of ouderschapsbemiddelaars kiezen.
De behandeling van de verzoeken in de bodemprocedure is aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.
2.1.2.
Het mediationtraject is niet van de grond gekomen. Partijen hebben kort een vorm van therapie gevolgd bij [therapeut] . Dit traject is na een aantal gesprekken beëindigd.
2.1.3.
Bij tussenbeschikking van 15 december 2025 is in deze procedure een bijzondere curator benoemd.
2.1.4.
Bij vonnis van 15 december 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank [woonplaats 2] is bepaald dat:
- tussen partijen een zorgregeling geldt waarbij de man de minderjarige iedere vrijdag tussen 10:00 uur en 11:00 uur ophaalt bij de vrouw in [woonplaats 2] en hem op zaterdag uiterlijk om 20:00 uur weer terugbrengt, met dien verstande dat de volgende opbouwregeling geldt:
o op zaterdag 20 december 2025 haalt de man de minderjarige tussen 9:00 uur en 10:00 uur op bij de vrouw in [woonplaats 2] en brengt de man hem dezelfde dag om uiterlijk 20:00 uur weer terug bij de vrouw;
o op zaterdag 27 december 2025 haalt de man de minderjarige tussen 9:00 uur en 10:00 uur op bij de vrouw in [woonplaats 2] en brengt de man hem dezelfde dag om uiterlijk 20:00 uur weer terug bij de vrouw;
o vanaf vrijdag 2 januari 2026 wordt de vastgelegde zorgregeling volledig nageleefd.
2.1.5.
Partijen staan op de wachtlijst voor het hulpverleningstraject Ouderschap Blijft in de regio [woonplaats 2] .
2.1.6.
De rechtbank moet in deze procedure nog een beslissing nemen over de afstamming, het ouderlijk gezag, over een definitieve zorg- of omgangsregeling en over de kinderalimentatie.
2.2.
Afstamming
2.2.1.
De man verzoekt om:
I. een verklaring voor recht dat de geboorteakte van de minderjarige en de ‘paternity acknowledgement’ (de verklaring van het juridisch ouderschap) van rechtswege in Nederland wordt erkend;
II. de inschrijving van de geboorteakte van de minderjarige te gelasten in het geboorteregister van de gemeente [gemeente 2] ;
III. te bepalen dat bij de inschrijving van de geboorteakte van de minderjarige een latere vermelding van erkenning plaatsvindt.
De man verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – subsidiair om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van de minderjarige.
2.2.2.
De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.2.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Verklaring voor recht (I.)
2.2.4.
Omdat verzoeker in Nederland woonachtig is, acht de rechtbank zich op grond van artikel 3 Rv Pro bevoegd om van de hiervoor genoemde kennis te nemen. Omdat in eerste instantie wordt verzocht om voor recht te verklaren dat de buitenlandse geboorteakte en de ‘paternity acknowledgement’ voor erkenning in aanmerking komen en naar hun aard vatbaar zijn voor opneming in de registers van de burgerlijke stand, zal de rechtbank haar interne recht toepassen.
2.2.5.
Op grond van artikel 1:26 lid 1 BW Pro kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak conform de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
2.2.6.
De man heeft reeds vóór indiening van zijn verzoek (21 juli 2025) bij de rechtbank een aanvraag bij de gemeente [gemeente 2] gedaan voor inschrijving van de buitenlandse geboorteakte. Hij heeft toegelicht dat een beoordeling van het verzoek bij de gemeente minimaal veertien tot vijftien maanden in beslag neemt, zodat hij zich op het standpunt stelt dat hij voor de tussenliggende periode een gerechtvaardigd belang heeft bij een verklaring voor recht. Zolang dat er niet is, wordt hij in Nederland niet erkend als juridisch ouder van de minderjarige en is het ook de vraag wie het gezag over de minderjarige uitoefent.
2.2.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen met de minderjarige in Nederland verblijven. De man beoogt met zijn verzoek dat het in Amerika vastgestelde juridisch ouderschap in Nederland wordt erkend en geregistreerd, zodat hij hier zonder hinder zijn ouderlijke rechten en verplichtingen kan uitoefenen. De man heeft dan ook een gerechtvaardigd belang bij de verzochte verklaringen voor recht.
Erkenning Amerikaanse geboorteakte en de ‘paternity acknowledgement’
2.2.8.
De rechtbank zal als eerst beoordelen of de Amerikaanse geboorteakte en de ‘paternity acknowledgement’ van rechtswege erkend kunnen worden.
2.2.9.
Op grond van de artikelen 10:100 lid 1 jo 10:101 lid 1 worden in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege erkend, tenzij:
er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;
aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
2.2.10.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de geboorteakte overeenkomstig plaatselijke voorschriften en door een bevoegde instantie is opgemaakt. ‘Certificate of Live Birth, State of California ’ is opgemaakt door de ‘County of Los Angeles, Departement of Public Health’ en is voorzien van een apostille. De namen van partijen staan erop vermeld als de vader en moeder van de minderjarige.
2.2.11.
In artikel 7611 van Pro de Family Code wordt aangenomen dat iemand de biologische ouder van een minderjarige is als die persoon voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 7540 of Pro artikel 7571 van Pro de Family Code. Artikel 7540 is Pro voor de situatie dat de minderjarige is geboren staande het huwelijk, waar in dit geval geen sprake van is. De rechtbank valt daarom terug op artikel 7571 van Pro de Family Code, waarin is opgenomen dat het juridisch ouderschap tot stand komt door ondertekening van een ‘vrijwillige verklaring’. De overgelegde ‘Paternity acknowledgement’ is getekend door beide partijen. De ondertekende verklaring is vervolgens binnen twintig dagen na ondertekening toegezonden naar de Department of Child Support Services, zodat naar het recht van California (Amerika) juridisch vaderschap tot stand is gekomen.
Artikel 7571 van Pro de Family Code luidt als volgt:
“(a) On and after January 1, 1995, upon the event of a live birth, prior to an
Unmarried mother or a mother who gave birth to a child conceived through assisted reproduction leaving a hospital, the person responsible for registering live births under Section 102405 of the Health and Safety Code shall provide to the woman giving birth and shall attempt to provide, at the place of birth, to the person identified by the woman giving birth as either the only possible genetic parent other than the woman who gave birth or the intended parent of a child conceived through assisted reproduction, a voluntary declaration of parentage together with the written materials described in Section 7572. Staff in the hospital shall witness the signatures of parents signing a voluntary declaration of parentage and shall forward the signed declaration to the department of Child Support Services within 20 days of the date the declaration was signed. A copy of the declaration shall be made available to each of the attesting parents.”
2.2.12.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de Amerikaanse geboorteakte en de ‘paternity acknowledgement’ van rechtswege in Nederland kunnen worden erkend, evenals de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming. De rechtbank zal de verzochte verklaring voor recht dan ook uitspreken.
Inschrijving van de geboorteakte met daarop de latere vermelding van erkenning (II. en III.)
2.2.13.
Omdat verzoeker (de man) in Nederland woonachtig is, acht de rechtbank zich op grond van artikel 3 Rv Pro bevoegd om van de hiervoor genoemde kennis te nemen. Omdat wordt verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de buitenlandse geboorteakte in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten en te bepalen dat een latere vermelding van erkenning plaatsvindt, zal de rechtbank haar interne recht toepassen.
2.2.14.
Op grond van artikel 1:26b BW in samenhang gelezen met artikel 1:25 lid 1 BW Pro kan de rechtbank de inschrijving gelasten van een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte van geboorte in het register van geboorten van de gemeente Den Haag, indien de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is. De minderjarige is Nederlander, zodat wordt voldaan aan de voorwaarde voor inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte in de Nederlandse registers. Omdat hiervoor al is overwogen dat de geboorteakte is opgemaakt overeenkomstig de plaatselijke voorschriften en door een bevoegde instantie wordt het verzoek van de man om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de Amerikaanse geboorteakte in te schrijven toegewezen. De rechtbank bepaalt dat bij de inschrijving van de geboorteakte van de minderjarige een latere vermelding van erkenning wordt opgemaakt op grond van artikel 1:25b BW. De rechtbank ziet daartoe – hoewel zij de ambtenaar van de burgerlijke stand in deze procedure per abuis niet heeft aangemerkt als belanghebbende – geen bezwaren.
2.3.
Gezag
2.3.1.
De man verzoekt om voor recht te verklaren dat door de (latere) vermelding van de ‘Paternity Acknowledgement’, het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige van
rechtswege tot stand is gekomen en – zo begrijpt de rechtbank – subsidiair om het ouderlijk gezag te wijzigen, zodat dat de man samen met de vrouw wordt belast met de uitoefening van het gezag over minderjarige.
2.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Als er sprake is van gezamenlijk gezag, dan verzoekt de vrouw om dit te beëindigen en om haar alleen te belasten met het gezag.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.3.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (hierna: HKBV) Nederlands recht op het verzoek toe.
De huidige gezagsverhouding
2.3.4.
Voordat de rechtbank het verzoek van de man en de vrouw inhoudelijk en naar het Nederlands recht kan beoordelen, moet de voorvraag beantwoord worden of de man en de vrouw met het gezamenlijk ouderlijk gezag zijn belast over de minderjarige of dat één van hen belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag. Om te bepalen welk recht van toepassing is op deze voorvraag wordt aansluiting gezocht bij artikel 16 HKV Pro.
2.3.5.
Op grond van lid 1 van dat artikel HKV wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid (waaronder: het gezag), zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Omdat de minderjarige op het moment van de geboorte zijn gewone verblijfplaats had in de staat California , Amerika, is dat recht van toepassing. Conform de Family Code komt het ouderlijk gezag alleen tot stand door tussenkomst van de rechter. Dit is in dit geval niet gebeurd, zodat het gezamenlijk gezag in eerste instantie niet tot stand is gekomen.
2.3.6.
Op grond van lid 4 van dat artikel HKBV wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijk gezag van een persoon die dit gezag niet al heeft, beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. Door de vestiging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland, is later Nederlands recht van toepassing geworden en naar Nederlands recht zijn partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag na erkenning.
2.3.7.
De rechtbank is van daarom oordeel dat de man vanaf het moment dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft gevestigd het gezag heeft verkregen. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat partijen vanaf 27 maart 2025, namelijk de datum van de eerste registratie van de minderjarige in het Basisregistratie Personen (BRP) in Nederland, samen het gezag uitoefenen. Gelet op deze beslissing komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man.
Het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag
2.3.8.
Omdat de rechtbank hiervoor voor recht heeft verklaard dat partijen vanaf 27 maart 2025 het gezag samen uitoefenen, komt zij toe aan het verzoek van de vrouw om haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag.
2.3.9.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
2.3.10.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan zijn.
2.3.11.
De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding om te beslissen dat het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd en dat de vrouw voortaan het gezag alleen zal uitoefenen. Sinds de uitspraak van de voorzieningenrechter in Amsterdam zijn er positieve ontwikkelingen geweest. De voorlopig zorgregeling wordt uitgevoerd en er hebben de afgelopen maanden geen noemenswaardige incidenten plaatsgevonden. Partijen lijken in rustiger vaarwater terecht te zijn gekomen. De communicatie tussen hen is verbeterd en zij proberen op een meer constructieve manier met elkaar om te gaan, wat door partijen zelf ook wordt onderkend. Recent zijn zij buiten de regeling om samen naar een spelinloop voor de minderjarige in [woonplaats 2] geweest. Het lukt hen om daar samen afspraken over maken. Hoewel er stappen vooruit zijn gezet, begrijpt de rechtbank ook dat er nog winst te behalen valt en er meer tijd nodig is om het vertrouwen te herstellen. De huidige ontwikkeling is immers pril. Dit is echter onvoldoende reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat ouders samen het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Het is uiterst belangrijk dat partijen zich binnen het aankomende hulpverleningstraject inzetten om de stijgende lijn voort te zetten. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen.
2.4.
Verblijfplaats
2.4.1.
De man en de vrouw verzoeken allebei om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem of haar te bepalen.
2.4.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek.
2.4.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
2.4.4.
De rechtbank zal bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. Zij volgt daarin het advies van de raad. De vrouw is tot nu toe de primaire hechtingsfiguur van de minderjarige geweest, die inmiddels ruim een jaar oud is. Zij heeft gedurende dit eerste levensjaar het merendeel van de verzorging en opvoeding voor haar rekening genomen. Er zijn geen zorgen over de minderjarige bij de vrouw. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarige om de situatie nu te veranderen, ook al zijn er in [woonplaats 2] bij de vrouw allerlei praktische obstakels met opvang en huisvesting terwijl dat in [woonplaats 1] bij de man niet is. De minderjarige heeft daar, net als al die andere minderjarigen in [woonplaats 2] geen weet of last van. Hij heeft er belang bij dat er in zijn leven zo min mogelijk grote dingen veranderen.
2.5.
Zorgregeling
2.5.1.
De man verzoekt, na vermeerdering van het verzoek ter zitting, een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij toegewerkt gaat worden naar een co-ouderschapsregeling van drie om vier dagen in de week.
2.5.2.
De vrouw vraagt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt om een regeling vast te stellen, nadat de raad onderzoek heeft gedaan naar de frequentie en duur van de omgang die het meest tegemoet komt aan het belang van de minderjarige.
2.5.3.
Voor zover er geen concrete verzoeken voorliggen, verzoekt de bijzondere curator namens de minderjarige om een regeling vast te stellen waarbij de minderjarige één nacht extra bij de man verblijft, te weten van donderdag tot en met zaterdag of van vrijdag tot en met zondag.
2.5.4.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek.
2.5.5.
Zoals hiervoor reeds is benoemd wordt de voorlopige zorgregeling uit het vonnis van de voorzieningenrechter in Amsterdam uitgevoerd. De rechtbank heeft gehoord en gelezen dat er tussen de man en de vrouw veel beschadigd is geraakt, maar niet is gebleken dat er zorgen zijn over de verzorging en opvoeding van de minderjarige door de man. De minderjarige verblijft nu iedere vrijdag en zaterdag bij de man. Dat gaat goed. Partijen gunnen de minderjarige om contact te hebben met zijn beide ouders en zetten zich daar actief voor in, waarvoor zij beiden een compliment verdienen. De rechtbank vindt dat er niets aan in de weg staat om de zorgregeling verder uit te breiden, zodat de man en de minderjarige ook een volledig dag samen kunnen doorbrengen zonder bezig te hoeven zijn met de reis tussen [woonplaats 1] en [woonplaats 2] (>100 km). Hierdoor ontstaat er voor de minderjarige en de man gelegenheid om meer kwalitatieve tijd met elkaar door te brengen, wat volgens de bijzondere curator ook bijdraagt aan het behoud en de verdere ontwikkeling van de ouder-kindrelatie. Een extra dag geeft de minderjarige bovendien meer rust in het contact. Hij krijgt tijd om te kunnen landen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een uitbreiding in het belang van de minderjarige moet worden geacht en zal daarom beslissen dat de minderjarige voortaan iedere donderdag tussen 10.00 uur en 11.00 uur tot en met zaterdag om uiterlijk 20.00 uur bij de man verblijft. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen over de verdeling van de vakanties en feestdagen afspraken maken binnen het hulpverleningstraject. Omdat beide partijen daarover geen verzoeken hebben geformuleerd, kan de rechtbank daarover ook geen beslissing nemen.
2.5.6.
De rechtbank zal beslissen dat partijen het halen en brengen voortaan verdelen. De bijzondere curator heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te wijken van het uitgangspunt, omdat de vrouw veel op haar bordje heeft en het belangrijk is dat zij overeind blijft. De rechtbank ziet dat het leven van de vrouw aanzienlijk is veranderd sinds zij terug is in Nederland en dat zij op het moment veel ballen in de lucht te houden heeft. Toch ziet de rechtbank daarin onvoldoende redenen om af te wijken van de hoofdregel. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om het halen en brengen op een ander moment te doen, zodat het haar in staat zou stellen om te gaan werken. Als de vrouw in staat is om betaalde arbeid te verrichten, is zij naar het oordeel van de rechtbank ook in staat om een deel van het halen en brengen voor haar rekening te nemen.
2.5.7.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
2.6.
Onderhoudsbijdrage
2.6.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen, met een bedrag door de rechtbank te bepalen. De rechtbank leest in het bericht van de vrouw van 12 januari 2026 dat haar conclusie is dat de man minimaal met een bedrag van € 404,- per maand dient bij te dragen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter beslist hierin het verzoek van de vrouw te lezen en daarop te zullen beslissen.
2.6.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.6.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.6.4.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
2.6.5.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. De vrouw heeft op 25 augustus 2025 verzocht om een bijdrage met ingang van 1 augustus 2025. De man heeft vanaf die datum rekening kunnen houden met een vast te stellen kinderbijdrage. Hoewel de man geen rekening heeft kunnen houden met een concrete bijdrage, is de rechtbank het in deze zaak met de vrouw eens dat het late uitwisselen van financiële gegevens niet ten nadele van de minderjarige mag werken. De man wist dat de minderjarige geld kost en had hiervoor kunnen en moeten reserveren. Daarom zal de rechtbank de verzochte datum als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
2.6.6.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot de eerste helft van 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2025.
2.6.7.
De man drijft op zijn naam een onderneming. Partijen zijn het erover eens dat voor berekening van zijn netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) uitgegaan moet worden van een gemiddelde bruto winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024. In 2022 bedroeg zijn bruto winst een bedrag van € 47.787,-. In 2023 was dit € 44.269,- en in 2024
€ 50.330,-. De gemiddelde bruto winst uit onderneming becijfert de rechtbank daarmee op
€ 46.795,- per jaar. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het NBI van de man aan de hand van deze gegevens op
€ 3.222,- per maand. De zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en een arbeidskorting.
2.6.8.
De vrouw is eveneens ondernemer. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat zijn berekening van het NBI van de vrouw onjuist is, omdat hij ten onrechte ervan is uitgegaan dat de vrouw het volledige jaar een zwangerschapsuitkering heeft ontvangen. De rechtbank ziet hierin aanleiding uit te gaan van de berekening die de vrouw heeft gemaakt, welke door de man onvoldoende is weersproken. De vrouw gaat daarin uit van een bruto winst uit onderneming van € 13.476,- per jaar en een resultaat uit overige werkzaamheden van € 1.224,- per jaar.
2.6.9.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook aan de orde geweest dat de vrouw een vermogen heeft van ongeveer € 400.000,-. Dit bedrag zou op een rekening in Amerika staan. De vrouw is voornemens om met dit vermogen in de toekomst een woning te kopen. Zij heeft desgevraagd verklaard dat zij daaruit een inkomen ontvangt of zou kunnen ontvangen van circa € 7.000,- per jaar. De rechtbank vindt het redelijk om het inkomen van de vrouw te vermeerderen met het hiervoor genoemde bedrag. De vrouw heeft in haar eigen berekening hier geen rekening mee gehouden.
2.6.10.
Met de hiervoor genoemde gegevens bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 1) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.127,- per maand.
2.6.11.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 4.349,- per maand. Er wordt geen rekening gehouden met een kindgebonden budget, omdat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daar gelet op haar vermogen geen recht op heeft gehad. Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 594,- per maand in 2025. De rechtbank stelt de behoefte van de minderjarige vast op dat bedrag.
Draagkrachtberekening
2.6.12.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
Draagkracht man
2.6.13.
Partijen zijn het erover eens dat voor berekening van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van zijn bruto winst uit onderneming over 2025 van € 33.476,-. In geschil is de reservering die de man jaarlijks wil doen voor pensioen en arbeidsongeschiktheid. Zijn voorstel is om rekening te houden met een reservering van
€ 23.000,- per jaar. Dit is gelijk aan het bedrag dat hij de afgelopen jaren op zijn rekening heeft gehad. De rechtbank kan de man daarin niet volgen. Niet is aangetoond dat hij méér dan de helft van zijn bruto winst moet reserveren, ten laste van zijn draagkracht in de kosten van zijn zoon. In dat kader had van de man verwacht mogen worden dat hij offertes van pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen had overgelegd waarmee hij de hoogte van de kosten onderbouwt. Omdat de man heeft nagelaten om zijn stelling te onderbouwen, zal de rechtbank bij bepaling van zijn draagkracht geen rekening houden met een reservering.
2.6.14.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2) het NBI van de man aan de hand van de hierboven genoemde winst op € 2.567,- per maand. De zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en een arbeidskorting. De rechtbank komt hiermee lager uit dan de vrouw in haar laatste berekening. Het verschil verklaart de rechtbank doordat bij post 65 en 113 in de berekening van de vrouw met een hoger inkomen wordt gerekend dan waarmee zij heeft ingestemd.
2.6.15.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 341,- per maand.
2.6.16.
De man stelt dat er aan zijn zijde rekening gehouden moet worden met de werkelijke woonlasten in plaats van met een forfaitair woonbudget van 30% van zijn NBI.
Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan de rechtbank met die extra lasten rekening houden als zij kan vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De man heeft in deze procedure zijn werkelijke woonlasten berekend op € 749,- per maand. De rechtbank is hiervoor uitgegaan van een woonbudget van € 770,- per maand (30% van € 2.567,-). De werkelijke woonlasten van de man zijn daarmee niet duurzaam en aanmerkelijk hoger dan het woonbudget, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de draagkracht van de man te berekenen aan de hand van de werkelijke woonlasten.
Draagkracht vrouw
2.6.17.
De man stelt zich op het standpunt dat voor berekening van het NBI van de vrouw uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit. De rechtbank volgt de man daarin niet. De vrouw is pas een jaar geleden terugverhuisd vanuit Amerika naar Nederland, terwijl dat niet haar bedoeling was. De minderjarige was nog maar twee maanden oud toen hij naar Nederland kwam met de vrouw. De minderjarige is nu ruim een jaar oud en de vrouw heeft tot voor kort het grootste gedeelte van de verzorging en opvoeding gedragen. De vrouw moet de tijd krijgen om zich hier opnieuw te kunnen settelen, werk te vinden en het is daarbij belangrijk dat zij overeind blijft. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij op het moment veel ballen in de lucht moet houden en mentale klachten ervaart waarvoor zij nu (trauma)therapie krijgt. De rechtbank vindt het daarom nog te vroeg om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit. Dat zou namelijk ook betekenen dat de vrouw een groter deel van de kosten van de minderjarige moet dragen dan waar zij feitelijk over beschikt. Voor berekening van haar NBI gaat de rechtbank uit van haar huidige inkomen.
2.6.18.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij voor de berekening van haar draagkracht is uitgegaan van een bruto winst uit onderneming van
€ 3.655,- en dat zij daarbij aansluiting heeft gezocht bij de Btw-aangiftes van 2025 (producties 26h tot en met 26k van de vrouw). Omdat voor de rechtbank onduidelijk is gebleven hoe de vrouw met de hiervoor genoemde stukken op een bruto winst van € 3.655,- is uitgekomen, ziet zij geen andere mogelijkheden dan voor het inkomen van de vrouw uit te gaan van dezelfde gegevens als in het kader van de behoefte. De rechtbank acht het ook redelijk dat de vrouw tenminste dat bedrag moet kunnen verdienen. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening als bijlage 2) het NBI hiermee op € 1.127,- per maand. De zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn daarbij in aanmerking genomen. Ook is rekening gehouden met de algemene heffingskorting en een arbeidskorting.
2.6.19.
Omdat het inkomen van de vrouw op bijstandsniveau ligt moet haar draagkracht vastgesteld moet worden op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
2.6.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.
Zorgkorting
2.6.21.
Gezien de zorgregeling stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%. Omdat de behoefte van de minderjarige € 594,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 149,- per maand.
2.6.22.
Omdat de draagkracht van beide ouders samen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt. Het tekort bedraagt € 228,- zodat de helft daarvan is
€ 114,-. Dat bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting zodat resteert € 35,- (€ 149,- minus € 114,-). Het restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 341,- minus € 35,- = € 306,-. De aan de man op te leggen bijdrage in 2025 wordt dus: € 306,- per maand.
Conclusie
2.6.23.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 306,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
2.6.24.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
2.6.25.
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering. Partijen hebben zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.7.
Proceskosten
2.7.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart voor recht dat de buitenlandse geboorteakte van de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ( Amerika ) van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 2] ;
3.2.
verklaart voor recht dat de ‘paternity acknowledgement’ (de verklaring van het juridisch ouderschap), waarin familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen de man en de minderjarige zijn vastgesteld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand;
3.3.
gelast inschrijving van de buitenlandse geboorteakte van de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ( Amerika ), in het geboorteregister van de gemeente [gemeente 2] en bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand op de geboorteakte een latere vermelding plaatst van de erkenning door de man plaatst;
3.4.
verklaart voor recht dat partijen met ingang van 27 maart 2025 samen het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenen;
3.5.
bepaalt dat van de beslissing onder punt 3.4., aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
3.6.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
3.7.
bepaalt dat de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken iedere donderdag tot en met zaterdag bij de man zal zijn. De vrouw brengt de minderjarige iedere donderdag tussen 10.00 en 11.00 uur bij de man en de man brengt de minderjarige op zaterdag uiterlijk om 20.00 uur weer terug bij de vrouw;
3.8.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
3.9.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 augustus 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 306,- per maand en met ingang van 1 januari 2026
€ 320,- per maand;
3.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.11.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.12.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 27 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Alimentatieberekening
Bijlage 1: behoefteberekening
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
46.795
70
Winst uit onderneming
46.795
Specificaties voor post: 65 (Gemiddelde)
2022
47.787
jaar
2023
42.269
jaar
2024
50.33
jaar
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
5.629
75
Belastbare winst uit onderneming
38.696
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
38.696
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
95
95
Inkomensheffing box 1
13.864
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
46.795
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
13.864
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.773
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
6.091
Inkomen na aftrek inkomensheffing
40.704
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.416
jaar
Arbeidskorting
5.357
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
38.696
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
38.696
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
38.696
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
2.035
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
2.035
Totale inkomsten
38.669
120
Besteedbaar inkomen
38.669
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
38.669
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.222
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
13.476
70
Winst uit onderneming
13.476
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
1.398
75
Belastbare winst uit onderneming
9.608
Overige werkzaamheden (76-81)
76
Resultaat uit overige werkzaamheden
1.224
78
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
1.224
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
10.832
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
3.88
95
Inkomensheffing box 1
3.88
Box 3 Inkomen uit sparen en beleggen (102-112)
111
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
7
112
Inkomstenbelasting box 3
2.52
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
14.7
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.4
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.789
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
611
Inkomen na aftrek inkomensheffing
14.089
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
1.741
jaar
Combinatiekorting
980
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
9.608
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
1.224
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
10.832
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
10.832
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
570
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
570
Totale inkomsten
13.519
120
Besteedbaar inkomen
13.519
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
13.519
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.127
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige
3.222
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde
1.127
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
4.349
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
4.349
Tabel aantal kinderen
1
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
594
#
Indexeren
nee
Bijlage 2: draagkrachtberekening
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
33.476
70
Winst uit onderneming
33.476
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
3.938
75
Belastbare winst uit onderneming
27.068
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
27.068
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
9.695
95
Inkomensheffing box 1
9.695
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
33.476
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
9.695
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.451
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
1.244
Inkomen na aftrek inkomensheffing
32.232
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
5.383
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
27.068
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
27.068
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
27.068
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
1.424
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
1.424
120
Besteedbaar inkomen
30.808
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
30.808
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.567
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.567
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
770
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.08
136a
Draagkrachtruimte
487
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
341
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
341
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
13.476
70
Winst uit onderneming
13.476
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
1.398
75
Belastbare winst uit onderneming
9.608
Overige werkzaamheden (76-81)
76
Resultaat uit overige werkzaamheden
1.224
78
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
1.224
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
10.832
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
3.88
95
Inkomensheffing box 1
3.88
Box 3 Inkomen uit sparen en beleggen (102-112)
111
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
7
112
Inkomstenbelasting box 3
2.52
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
14.7
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.4
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.789
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
611
Inkomen na aftrek inkomensheffing
14.089
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
1.741
jaar
Combinatiekorting
980
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
9.608
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
1.224
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
10.832
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
10.832
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
570
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
570
120
Besteedbaar inkomen
13.519
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
13.519
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.127
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
1.127
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
25