Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6716

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/10/711208 / HA ZA 25-1051
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling zakelijke samenwerking en betaling resterende facturen na opzegging

Partijen hebben sinds 2022 samengewerkt op basis van meerdere overeenkomsten voor de bouw en installatie van een besturingssysteem. Gedaagde heeft de samenwerking rechtsgeldig opgezegd per 1 juli 2025. Eiser vordert betaling van drie openstaande facturen, waarvan gedaagde slechts gedeeltelijk erkent.

De rechtbank beoordeelt dat gedaagde de huur van de server tot juni 2025 heeft voldaan en de server tijdig heeft teruggegeven, waardoor de afkoopsom niet toewijsbaar is. Voor de douane-gerelateerde werkzaamheden is vastgesteld dat gedaagde de uren voor voorbereidende werkzaamheden op verzoek moet vergoeden, maar slechts voor 22 uren plus reiskosten, omdat overige uren onvoldoende zijn onderbouwd.

De factuur voor installatie en inbedrijfstelling van 19 tanks is grotendeels toewijsbaar, met uitzondering van uren besteed aan een gesprek met een concurrent, waarvoor geen grondslag bestaat. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 10.196,49 plus contractuele rente en € 876,96 aan buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde moet twee van de drie facturen deels voldoen, inclusief contractuele rente en buitengerechtelijke kosten; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711208 / HA ZA 25-1051
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Smit,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.R. van Manen.

1.De zaak in het kort

Partijen hebben gedurende enkele jaren samengewerkt. [gedaagde] heeft de samenwerking door middel van opzegging beëindigd. In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] de drie laatste facturen van [eiser] moet voldoen. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] twee van de drie facturen deels moet voldoen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 november 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de e-mail van de rechtbank van 21 april 2026 met een zittingsagenda;
- de akte overlegging aanvullende producties van [eiser] ;
- de akte overlegging aanvullende producties van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026;
- de spreekaantekeningen van de beide advocaten.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] bouwt en ontwikkelt hardware en software. [gedaagde] exploiteert een tankopslagbedrijf.
3.2.
Vanaf 2022 hebben partijen samengewerkt. De samenwerking had betrekking op de bouw en installatie door [eiser] van een besturingssysteem voor het laden en lossen van schepen en vrachtwagens. Hiertoe zijn tussen partijen een aantal overeenkomsten tot stand gekomen. Op deze overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing.
3.3.
Begin 2025 heeft [gedaagde] het bureau Auteq gevraagd een second opinion uit te voeren op het door [eiser] geleverde werk. Auteq is een concurrent van [eiser] en had eerder de automatisering verzorgd op een andere locatie van [gedaagde] .
3.4.
Tijdens een gesprek op 12 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten de samenwerking te willen beëindigen. Partijen zijn het vervolgens eens geworden over een einde van de samenwerking per 1 juli 2025.
3.5.
Op 16 mei 2025 heeft [eiser] drie facturen aan [gedaagde] gestuurd:
  • Factuur [factuurnummer 1] “Server [naam] Dordrecht” € 17.315,10
  • Factuur [factuurnummer 2] “Uitbreiding software ivm Douane” € 22.674,67
  • Factuur [factuurnummer 3] “Installatie en IBS op regie 19x tankpark” € 7.280,03
De facturen vermelden een betaaltermijn van dertig dagen.
3.6.
Het door [eiser] ontwikkelde besturingssysteem draaide op een server die zich bevond bij [gedaagde] en eigendom was van [eiser] . Voor het gebruik hiervan heeft [eiser] een maandelijks bedrag bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de maandelijkse vergoeding tot en met juni 2025 betaald. Op 27 juni 2025 heeft zij de server aan [eiser] teruggegeven.
3.7.
Tussen partijen is discussie ontstaan over de verschuldigdheid door [gedaagde] van de hiervoor genoemde bedragen. Ook hebben partijen discussie gekregen over een mogelijke inbreuk op de software van [eiser] door Auteq.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert, na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 44.057,25, vermeerderd met de contractuele rente, een bedrag tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] is het niet met de vordering eens. Volgens haar moet de vordering worden afgewezen en moet [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beoordeling

5.1.
Deze procedure gaat over de financiële afwikkeling van de samenwerking die partijen hebben gehad. Daarbij is uitgangspunt dat partijen gedurende enige tijd hebben samengewerkt op basis van verschillende overeenkomsten. [gedaagde] heeft de samenwerking in mei 2025 beëindigd. Partijen zijn het erover eens dat deze beëindiging in juridische zin moet worden begrepen als opzegging van de op dat moment nog lopende overeenkomsten. Partijen zijn het er ook over eens dat deze opzegging rechtsgeldig is. Zij zijn het eens geworden over 1 juli 2025 als datum waartegen is opgezegd.
5.2.
Volgens [eiser] staan nog drie facturen open die [gedaagde] niet heeft voldaan. Met deze procedure wil [eiser] bereiken dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de gefactureerde bedragen. De vordering strekt dus tot nakoming door [gedaagde] van haar verbintenissen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. [gedaagde] betwist dat zij verplicht is tot voldoening van de facturen.
5.3.
In hun processtukken besteden partijen veel aandacht aan (vermeende) gebeurtenissen waaruit zou blijken dat de wederpartij fouten heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Deels ziet dit op gebeurtenissen die [gedaagde] (mede) aanleiding hebben gegeven om tot opzegging over te gaan (zoals een incident met een pomp die uit zichzelf ging draaien), deels gaat het om gebeurtenissen van na de opzegging (zoals de vermeende inbreuk op de software van [eiser] ). Het is de rechtbank duidelijk dat deze (vermeende) gebeurtenissen voor partijen van belang zijn en (mede) de dynamiek tussen partijen hebben bepaald. Voor het oordeel over de vordering zijn deze gebeurtenissen echter niet van belang. Het gaat immers om nakoming door [gedaagde] van nog resterende verbintenissen uit de overeenkomst, gegeven de rechtsgeldige opzegging per 1 juli 2025. Het gaat niet om schadevergoeding wegens tekortkomingen in de nakoming van verbintenissen of uit onrechtmatige daad.
Factuur [factuurnummer 1] (de server)
5.4.
Deze factuur heeft betrekking op de huur van de server tot 1 juli 2025 en de afkoop van de server tegen de per die datum resterende waarde. Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat [gedaagde] de huur tot en met juni 2025 heeft voldaan, zodat [eiser] in zoverre geen vordering meer heeft. Zij heeft haar vordering met het daarmee gemoeide bedrag verminderd.
5.5.
Het resterende bedrag van de factuur (€ 14.102,55 inclusief BTW) heeft betrekking op een afkoopsom voor de server. Hieraan heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de server speciaal voor [gedaagde] is ontwikkeld, dat de kosten voor aanschaf en gebruik gedekt hadden kunnen worden als [gedaagde] de samenwerking niet voortijdig zou hebben beëindigd en dat [gedaagde] daarom verplicht is de waarde van de server per 1 juli 2025 aan [eiser] te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering niet toewijsbaar is. Zij licht dit toe als volgt.
5.6.
Vast staat dat [eiser] aan [gedaagde] gedurende de duur van de samenwerking een maandelijks bedrag in rekening heeft gebracht en dat [gedaagde] dit heeft betaald. [eiser] heeft dit zelf huur genoemd. De overeenkomst is per 1 juli 2025 tot een einde gekomen en daarmee eindigde ook deze huur. Daarbij past dat [gedaagde] de server eind juni weer aan [eiser] heeft teruggegeven. Bij het einde van de huur is een huurder immers verplicht de gehuurde zaak terug te geven aan de eigenaar. Hiermee heeft [gedaagde] in beginsel voldaan aan haar verplichtingen.
5.7.
Partijen zijn niet uitdrukkelijk overeengekomen dat [gedaagde] de server bij het einde van de samenwerking diende over te nemen (tegen de dan geldende restwaarde). [eiser] meent dat dit wel ‘de partijbedoeling’ was. Waaruit die partijbedoeling volgt, heeft [eiser] echter niet concreet gesteld. Het enkele feit dat [eiser] er bij aanvang van de samenwerking vanuit ging dat deze lang genoeg zou duren om de kosten van de server door middel van verhuur terug te verdienen, is onvoldoende om te kunnen aannemen partijen een dergelijke overnameverplichting bij een eerder einde van de samenwerking hebben bedoeld overeen te komen. Gelet hierop kan, anders dan [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, ook niet worden aangenomen dat partijen in wezen een huurkoopovereenkomst hebben gesloten, waarvan deze overnameverplichting deel zou uitmaken. [eiser] heeft het risico genomen dat de samenwerking voortijdig zou eindigen. Dat risico komt voor haar rekening.
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] ook het standpunt ingenomen dat [gedaagde] schadeplichtig is geworden, omdat zij al tijdens de looptijd van de overeenkomst Auteq heeft ingeschakeld zonder [eiser] daarover te informeren. De rechtbank verwerpt dit betoog. [eiser] heeft niet toegelicht waarom het [gedaagde] op grond van de met [eiser] gesloten overeenkomsten verboden zou zijn geweest om Autec in te schakelen, waarom [gedaagde] verplicht zou zijn geweest om [eiser] daarover te informeren en waarom een handelen in strijd met deze verplichtingen heeft geleid tot een schade die overeenkomt met de restwaarde van de server.
Factuur [factuurnummer 2] (werkzaamheden douane-eisen)
5.9.
[eiser] heeft gesteld dat zij op verzoek van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht die verband hielden met specifieke eisen die de douane stelt voor de opslag van eetbare oliën. De daarmee gemoeide uren dient [gedaagde] nog tegen het gebruikelijke tarief te vergoeden. Dergelijke verzoeken om extra (voorbereidende) werkzaamheden uit te voeren kwamen binnen de samenwerking vaker voor en werden altijd op urenbasis gefactureerd en betaald, aldus [eiser] .
5.10.
Het standpunt van [gedaagde] komt neer op het volgende. Het klopt dat [gedaagde] met [eiser] in gesprek is gegaan over wat er moest gebeuren om te kunnen voldoen aan de eisen die de douane stelde voor de opslag van eetbare oliën in het douane-entrepot van [gedaagde] . Een medewerker van [eiser] heeft daartoe op verzoek van [gedaagde] een voorbereidende analyse op papier gezet en hierop aanpassingen doorgevoerd na feedback van [gedaagde] . Tot een daadwerkelijke opdracht op dit punt is het vanwege de beëindiging van de samenwerking echter niet gekomen. Een grondslag voor de vordering ontbreekt daarom. Omdat [gedaagde] wel onderkent dat [eiser] op verzoek van [gedaagde] hier tijd in heeft gestoken, was zij in het buitengerechtelijke traject wel bereid om een vergoeding voor die uren te betalen.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] verplicht is de door [eiser] aan de douane-werkzaamheden bestede uren te vergoeden. Dit baseert de rechtbank op het volgende.
5.12.
Op basis van de stellingen van [eiser] en de verklaring van (de bestuurder van) [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat het hier ging om voorbereiding van specifieke werkzaamheden in aanvulling op een al in 2024 tussen partijen tot stand gekomen opdracht. Tot het daadwerkelijk uitvoeren van die beoogde werkzaamheden is het als gevolg van de opzegging niet gekomen, maar vast staat dat de voorbereidende werkzaamheden op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] zijn verricht. Zou hier sprake zijn van een situatie waarin partijen nog niet of slechts incidenteel met elkaar samenwerkten, dan zou mogelijk aangenomen moet worden dat het voor risico van [eiser] komt dat het niet tot een daadwerkelijke opdracht is gekomen. Hier deed [gedaagde] het verzoek om de voorbereidende werkzaamheden te verrichten echter in de context van een al lopende intensieve samenwerking, waarbinnen – zoals [eiser] gemotiveerd heeft gesteld – al eerder sprake was geweest van aanvullende werkzaamheden die op urenbasis werden afgerekend. In deze omstandigheden moet [gedaagde] hebben geweten dat zij niet van [eiser] kon verlangen ‘gratis’ voorbereidende werkzaamheden te verrichten. Daarbij komt dat het [gedaagde] is geweest die het initiatief tot de opzegging heeft genomen. Zij heeft het dus zelf verhinderd dat het op het punt van de douane-eisen tot een daadwerkelijke opdracht is gekomen.
5.13.
Dit brengt mee dat [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid verplicht is om [eiser] te betalen voor de door haar aan deze werkzaamheden bestede tijd.
5.14.
[eiser] stelt dat hiermee een bedrag van € 18.739,40 (exclusief BTW) is gemoeid. Dit bedrag is gebaseerd op een reiskostenvergoeding van € 160,00 en 161 gewerkte uren tegen een uurtarief van € 115,40. Als onderbouwing van de bestede uren heeft [eiser] een urenoverzicht overgelegd. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] aangevoerd dat (naast de reiskosten) slechts 22 van de op dat overzicht vermelde uren in verband kunnen worden gebracht met de hier relevante werkzaamheden. [eiser] heeft dat niet betwist. Daarom oordeelt de rechtbank dat [eiser] in verband met de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de douane-eisen recht heeft op vergoeding van die 22 uren plus de gedeclareerde reiskosten. Inclusief BTW komt dit neer op een totaalbedrag van € 3.265,55.
5.15.
Het restant van de uren die met factuur [factuurnummer 2] in rekening zijn gebracht is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke overeenkomst of meerwerkopdracht [eiser] deze uren in rekening heeft gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] betoogd dat het in de samenwerking van partijen gebruikelijk was dat voor ontwikkelkosten een vaste prijs werd gerekend en dat alle installatie- en servicewerkzaamheden op urenbasis in rekening werden gebracht. Deze werkwijze ontsloeg [eiser] niet van de verplichting om binnen het kader van deze procedure, gelet op de betwisting van de verschuldigdheid door [gedaagde] , voldoende duidelijk te onderbouwen op welke (meerwerk)opdracht de uren betrekking hebben. Die onderbouwing heeft [eiser] niet geboden. Haar vordering is in zoverre daarom niet toewijsbaar.
Factuur A25VF0135 (installatie en inbedrijfstelling 19 tanks)
5.16.
Volgens [eiser] is dit deel van de vordering gebaseerd op de overeenkomst die partijen hebben gesloten onder nummer [kenmerknummer] . Volgens die overeenkomst is bepaald voor welk deel van de werkzaamheden (namelijk de ontwikkelkosten) een vaste prijs gold en welk deel van de werkzaamheden op regiebasis (ook wel: nacalculatie) werd uitgevoerd.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] dit deel van de vordering voldoende heeft onderbouwd. Het verschil met wat is overwogen in 5.15 is dat [eiser] voor de onderhavige factuur specifiek inzichtelijk heeft gemaakt op welke overeenkomst deze is gebaseerd. De desbetreffende overeenkomst is ook door [eiser] overgelegd en daaruit volgt inderdaad het door [eiser] gestelde onderscheid tussen werk waarvoor een vaste prijs gold en werk dat op urenbasis in rekening zou worden gebracht. [gedaagde] heeft op haar beurt niet betwist dat [eiser] de uren genoemd op het overzicht daadwerkelijk zijn gewerkt. Niet van belang acht de rechtbank dat de omschrijving bij die uren niet steeds strikt valt te herleiden tot “installatie” of “in bedrijf stellen”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht, met verwijzing naar de manier waarop de samenwerking in de praktijk plaats vond, dat onder deze begrippen allerhande werkzaamheden vallen die verband houden met – in dit geval – de 19 tanks waarop genoemde overeenkomst ziet en die niet horen bij de ontwikkelkosten. [gedaagde] heeft hierop niet of in elk geval niet concreet gereageerd.
5.18.
Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] het met factuur [factuurnummer 3] in rekening gebrachte bedrag grotendeels toewijsbaar is. Een uitzondering geldt voor de tijd (2,5 uur) die besteed is aan een gesprek van de bestuurder van [eiser] met Auteq. Niet valt in te zien dat de in 5.16 genoemde overeenkomst een grondslag biedt voor de verplichting van [gedaagde] om de door [eiser] aan een gesprek met Auteq bestede tijd te vergoeden. [eiser] heeft ook geen andere grondslag hiervoor gesteld. Dit betekent dat op het totaalbedrag van de factuur een bedrag van (2,5 x 115,40 plus BTW =) € 349,09 in mindering moet worden gebracht.
Conclusie: hoofdsom deels toewijsbaar
5.19.
Van het gevorderde bedrag is op grond van het voorgaande toewijsbaar:
  • factuur [factuurnummer 2] € 3.265,55
  • factuur [factuurnummer 3]
totaal € 10.196,49
Contractuele rente verschuldigd
5.20.
[eiser] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] op grond van haar algemene voorwaarden een contractueel overeengekomen rente is verschuldigd over achterstallige bedragen, welke rente overeenkomt met de wettelijke handelsrente vermeerderd met drie punten. [gedaagde] wordt tot betaling van deze rente over het toewijsbare bedrag veroordeeld met als ingangsdatum de vervaldatum van de facturen (16 juni 2025).
Vergoeding buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd
5.21.
[eiser] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft gemaakt, onder andere door een concept-vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen die volgens haar door haar advocaat is gemaakt en die [eiser] in het buitengerechtelijke traject aan [gedaagde] heeft voorgelegd. Dat het hier een “summier” document betreft, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, doet hier niet aan af. [eiser] heeft recht op vergoeding van deze kosten. De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de gebruikelijke staffel op basis van de toewijsbare hoofdsom. Dit komt neer op een bedrag van € 876,97.
Compensatie proceskosten
5.22.
Beide partijen krijgen deels ongelijk. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 10.196,49, te vermeerderen met de contractuele rente (de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW plus drie punten) met ingang van 16 juni 2025 tot aan de dag van betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 876,96;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
1980/3669