ECLI:NL:RBROT:2026:673

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
ROT-25_5361
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArt. 2:14 AwbArt. 2 Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing parkeervergunning bewoners wegens aangewezen parkeervoorziening in parkeergarage

Eiser vroeg een parkeervergunning voor bewoners aan voor zijn woning in Rotterdam, gelegen in een gebied met betaald parkeren. Verweerder wees de aanvraag af omdat er voor de woning een parkeergarage met parkeerplaatsen is aangewezen, waarvoor eiser de mogelijkheid had om een parkeerplaats aan te kopen. Omdat eiser hiervan geen gebruik had gemaakt en er geen beschikbare parkeerplaatsen meer waren, werd de vergunning geweigerd.

Eiser stelde dat de weigering onevenredig was omdat hij geen parkeerplaats kon kopen en dat hij daarom toch een vergunning had moeten krijgen. De rechtbank oordeelde dat eiser jaarlijks een tijdelijke parkeervergunning kan aanvragen indien de aangewezen parkeervoorziening vol is, wat eiser ook heeft gedaan. Dit is niet onevenredig omdat het de parkeerdruk in de sector moet beperken.

Verder werd vastgesteld dat eiser niet binnen de gestelde termijn had gereageerd op het aanbod tot hoorzitting, waardoor verweerder mocht afzien van een hoorzitting. Een foutieve passage in het besluit over het gebruik van het gebouw werd als kennelijke verschrijving beoordeeld en leidde tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de parkeervergunning, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de parkeervergunning, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een parkeervergunning voor bewoners. De rechtbank komt tot het oordeel dat de gevraagde parkeervergunning door verweerder om goede redenen is afgewezen.

Procesverloop

2. Verweerder heeft eisers aanvraag om een parkeervergunning met het besluit van 16 juni 2025 afgewezen. Met het besluit van 4 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de gronden van het beroep aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser, vergezeld van [persoon A] , deelgenomen. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen. Na de zitting is verweerder telefonisch bericht dat nadere stukken niet nodig zijn.

Beoordeling door de rechtbank

De aanvraag van eiser
3. Eiser woont in een koopflat aan de [adres] in Rotterdam. De Helen Suzmanhof ligt in een sector waar betaald parkeren geldt (parkeersector 33). Eiser wil zijn auto op straat parkeren en heeft om die reden op 16 juni 2025 een parkeervergunning aangevraagd.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser een parkeervergunning voor bewoners heeft aangevraagd en dat verweerder de aanvraag ook als zodanig heeft beoordeeld. Verweerder heeft over de passage in het bestreden besluit waarin sprake is van “een gebouw waarin u werkt”, verklaard dat het hierbij gaat om een verschrijving waar moet worden gelezen “een gebouw waarin u woont”. Dit geldt ook voor het tweemaal foutief opgenomen ‘parkeervergunning voor bedrijven’. Voor zover eiser hierdoor op het verkeerde been is gezet, zal de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, nu het een kennelijk foutieve passage betreft en eiser door het inlezen van de juiste tekst niet in zijn belang is geschaad. Wel ziet de rechtbank in de stelling van eiser dat hij door deze onjuiste vermeldingen meende dat een onjuist toetsingskader wat toegepast, wat de reden heeft gevormd om beroep in te stellen, aanleiding om het bepalen dat verweerder aan eiser et griffierecht vergoedt.

De hoorzitting over het bezwaar

5. De rechtbank stelt verder vast dat eiser door verweerder niet is gehoord over zijn bezwaar tegen de afwijzing van de gevraagde parkeervergunning. Verweerder meent dat van een hoorzitting mocht worden afgezien omdat eiser niet binnen 14 dagen heeft gereageerd op het toegezonden e-mailbericht van 16 juni 2025 waarin gevraagd werd om aan te geven of eiser een hoorzitting wenste. Eiser stelt zich op het standpunt dit bericht nooit te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat eisers standpunt niet aannemelijk is.
5.1.
In artikel 7:3, onder d, van de Awb staat dat het bestuursorgaan van het horen over het bezwaar mag afzien als de bezwaarde niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
5.2.
In artikel 2:14, eerste lid van de Awb staat dat een bestuursorgaan een bericht elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Niet in geschil is dat verweerder zijn berichten aan het door eiser opgegeven emailadres mocht sturen en eiser daarop bereikbaar was.
5.3.
Op 16 juni 2025, om 16:38 uur, heeft verweerder eiser een e-mail gestuurd met als onderwerp “Ontvangstbevestiging bezwaarschrift [kenmerk bezwaarschrift] ”. In het bericht zelf staat onder meer: “In de bijlage vindt u de ontvangstbevestiging van het bezwaar. Graag ontvangen wij het door u ingevulde antwoordformulier hoorzitting (bijlage 1 van de ontvangstbevestiging) retour.” In de bijgevoegde brief staat onder andere: “Bij de behandeling van uw bezwaarschrift kan een hoorzitting worden gehouden. Ook kunt u mogelijk telefonisch worden gehoord. Als u over uw bezwaarschrift gehoord wilt worden, moet u het bijgevoegde antwoordstrookje invullen. Stuur dit binnen 14 dagen na dagtekening van deze ontvangstbevestiging aan ons toe. Wij kunnen besluiten u niet te horen en uw bezwaar uitsluitend op de stukken te behandelen als u niet binnen 14 dagen dit antwoordstrookje aan ons heeft opgestuurd.”
5.4.
Eiser heeft niet binnen deze gegeven redelijke termijn verklaard over zijn bezwaar te willen worden gehoord. Verder moet eiser dit bericht van verweerder hebben ontvangen, nu hij daarop kennelijk met zijn e-mail van 17 juni 2025 per ommegaande heeft gereageerd. Dit e-mailbericht van eiser vermeldt immers als onderwerp “ [kenmerk bezwaarschrift] : Update My Contact Information”. Het door eiser in zijn e-mail genoemde kenmerk van zijn bezwaar heeft verweerder voor het eerst en het laatst in zijn e-mail van 16 juni 2025 aan eiser gecommuniceerd. In zijn reactie heeft eiser opnieuw zijn bezwaargronden genoemd en de volverklaring van de vereniging van eigenaren van zijn flat toegestuurd, maar niet aangegeven dat hij een hoorzitting wenst. Voor zover eiser door een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal niet heeft begrepen dat hij dat moest doen, moet dat voor zijn rekening blijven. Het antwoord op de vraag of verweerder hierna al dan niet nog heeft getracht eiser telefonisch te bereiken, kan verder in het midden blijven, omdat alleen al vanwege het niet tijdig terugsturen van het antwoordstrookje verweerder van het horen mocht afzien.
De afwijzing van de aangevraagde parkeervergunning
6. Verweerder heeft de aangevraagde parkeervergunning geweigerd op grond
van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2025
(het Uitvoeringsbesluit 2025). Daarin staat dat geen parkeervergunning wordt verleend als iemand woont in een gebouw met een daarbij behorende parkeervoorziening.
7. Verweerder heeft in zoverre terecht de gevraagde parkeervergunning geweigerd. In het bouwplan is voorzien in parkeergelegenheid voor de flats in eisers bouwblok in een parkeergarage in een naastgelegen bouwblok. Dat deze parkeergarage niet onder eisers flat is gelegen maar onder een ander bouwblok, doet er niet aan af dat dit de voor eisers woning aangewezen parkeervoorziening betreft. Niet relevant is dat het daarbij gaat om aan te kopen parkeerplaatsen. Ter zitting is door eiser bevestigd dat hem bij de aankoop van zijn woning de mogelijkheid is geboden een parkeerplaats in de aangewezen parkeervoorziening aan te schaffen.
8. Eiser heeft bij het aankopen van zijn flat afgezien van het aankopen van zo’n parkeerplaats, zodat hij daarover niet beschikt. Vast staat verder dat ten tijde van de aanvraag om de bewonersparkeervergunning geen aan te kopen parkeerplaatsen in de aldus aangewezen parkeervoorziening meer beschikbaar waren. Eiser betoogt in beroep dat verweerder onder die omstandigheid in weerwil van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit 2025 hem toch een parkeervergunning voor bewoners had moeten verlenen. Daarmee betoogt hij in de kern dat verweerder die bepaling buiten toepassing had moeten laten omdat die in zijn geval onevenredig uitwerkt.
9. Verweerder is in dat betoog naar het oordeel van de rechtbank terecht niet meegegaan. Eiser kan immers na het overleggen van een verklaring dat de toegewezen parkeergelegenheid vol is, jaarlijks op grond van artikel 2, veertiende lid, van het Uitvoeringsbesluit een tijdelijke parkeervergunning aanvragen. Een dergelijke vergunning heeft eiser inmiddels op grond van de door hem overgelegde “volverklaring” aangevraagd en verkregen. Het is eiser dus niet onmogelijk om zijn auto in de buurt van zijn woning te parkeren. Dat eiser op die manier wel jaarlijks opnieuw een tijdelijke vergunning moet aanvragen en in dat verband moet laten zien dat de toegewezen parkeergelegenheid vol is, acht de rechtbank niet onevenredig. Op deze manier beoogt verweerder immers bewoners van een gebouw met een daarbij behorende parkeervoorziening te dwingen die parkeervoorziening te benutten en zo de parkeerdruk in een sector tegen te gaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de gevraagde parkeervergunning in stand blijft. In de fout in de motivering van het bestreden besluit waardoor eiser op het verkeerde been is gezet, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht (€ 194,-) aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht (€ 194,-) aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.