Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer mr. V.T.E. Kuijpers, advocaat van verzoekster.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 8 april 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank heeft op 23 april 2026 de zaak behandeld en op 30 april 2026 uitspraak gedaan.
Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en toeslagen, en heeft een betalingsachterstand op de huur van € 714,93 per maand. Hoewel zij zich niet volledig aan de betalingsregeling kon houden, zijn de lopende huurtermijnen wel voldaan. Schuldhulpverlening is bezig met het stabiliseren van haar financiële situatie en het voorbereiden van een schuldregeling.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 13 april 2026. Het moratorium biedt verzoekster een adempauze om een schuldregeling te treffen. De belangenafweging leidt tot toewijzing van het moratorium voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De ontruiming wordt geschorst en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium. Schuldhulpverlening dient uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uit te brengen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning, terwijl verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.