Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6763

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
10/243887-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 197 SrArt. 300 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en mishandeling met mes in Rotterdam

Op 16 september 2025 heeft de verdachte in Rotterdam met een jachtmes [slachtoffer 1] in de borststreek gestoken en [slachtoffer 2] in de arm, wat leidde tot een poging tot zware mishandeling en mishandeling. De verdachte verbleef bovendien als ongewenst vreemdeling in Nederland ondanks een inreisverbod.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van getuigen, medische rapporten en het mes dat als wapen werd gebruikt. De verdachte bekende het verblijf als ongewenst vreemdeling, maar ontkende opzet op doodslag. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van opzet op doodslag, maar wel van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel en mishandeling.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht. De vordering van één benadeelde partij werd gedeeltelijk toegewezen met een schadevergoeding van €2.500,-, terwijl de andere vorderingen niet-ontvankelijk werden verklaard. De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling en mishandeling met mes; schadevergoeding van €2.500,- toegewezen aan één benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/243887-25
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Datum zitting: 5 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] in [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.T. Schrama,
officier van justitie: mr. S.S.S. Heinermans,
benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ,
advocaat van de [benadeelde partij 2] : mr. O.J. Much (ter terechtzitting waargenomen door mr. M.S.L. Leeflang),
Advocaat van de [benadeelde partij 3] : mr. M.S.L. Leeflang.
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan mishandeling door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te steken. Daarnaast is de verdachte ongewenst vreemdeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 9 maanden. De vordering van de [benadeelde partij 2] wordt gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes in de borstreek heeft gestoken en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1), dat hij [slachtoffer 2] opzettelijk met een mes in de arm heeft gestoken en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 2) en dat hij als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven (feit 3).
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 16 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermaals, althans
eenmaal in/op/tegen de borststreek heeft gestoken en/of (een) krachtige
steekbeweging(en) heeft gemaakt in de richting van de borststreek, althans het
lichaam van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 16 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 2]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de arm, althans het
lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden en/of
meermalen steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de arm, althans het
lichaam van die [slachtoffer 2] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 16 september 2025 te Rotterdam, athans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een mes, althans een
scherp en/of puntig voorwerp in de arm, althans het lichaam te steken/snijden;
3
hij op of omstreeks 16 september 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
als vreemdeling heeft verbleven,
terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod
was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de
Vreemdelingenwet 2000

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor het onder feit 1 impliciet primair, het onder feit 2 primair en het onder feit 3 ten laste gelegde.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes in de borststreek te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door [slachtoffer 2] in de arm te steken en heeft hij als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleven. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. De verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde bekend en er is wat dit feit betreft geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen (5 en 6) hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring van de [getuige] [1]
U zegt mij dat het gaat om een incident dat zou hebben plaatsgevonden op 16 september 2025. Dat klopt.
(…)
[verdachte] trok een mes. [verdachte] hield [naam 1]
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] )bij zijn kraag. Ik zei dat het klaar was. Ik vroeg aan [naam 2] of zij de politie kon bellen. [verdachte] zei dat dit niet nodig was en dat er niets aan de hand was. Na een worsteling raak je uitgeput. [naam 1] had een schrammetje op zijn borst.
(…)
Ik kwam toen tussen hen in. [verdachte] duwde mij weg. Ik mocht mij er niet mee bemoeien. [verdachte] maakte op dat moment een zwaaiende beweging met het mes. Die kwam direct in mijn arm. Ik voelde er niets van, maar ik zag er veel bloed uitkomen
(…)
Het handvat van dit mes was bruin. Toen hij de kleding van [naam 1] had gepakt, trok hij al dat mes. De metalen kant was tussen de 10 en 12 centimeter. Het was wel breed. Ik heb met messen gewerkt in de metaalhandel. Het was een soort survival mes.
(…)
U vraagt mij hoe [verdachte] met het mes zwaaide. [verdachte] duwde mij weg. Ik trok aan hem. Toen maakte hij een zwaaiende beweging. Het mes kwam daardoor direct in mijn arm. Ik weet 1 miljoen procent zeker dat dit niet bewust was.
(...)
U vraagt mij of ik heb gezien dat [naam 1] met een mes is geraakt. Ja. Tijdens de worsteling. Ik zag alleen een schrammetje bij hem op zijn borst. [verdachte] had een mes in zijn hand en maakte daarmee stekende bewegingen. [naam 1] had op dat moment de hand van [verdachte] vast. [naam 1] werd geraakt op zijn borstkas.
2.
Schriftelijk stuk [2]
Medische Informatie / Forensisch Medische Letselrapportage zonder benoeming als gerechtelijk deskundige.
Betreffende:
[slachtoffer 1]
Rotterdam, 26-11-2025
  • Informatie ontvangen van de chirurg van het Erasmus MC over het bezoek aan de SEH op 13-11-2025.
  • Patiënt was bij aankomst van de ambulance stabiel. Bij onderzoek werd op de SEH een bloeduitstorting rondom het linkeroog gezien. Tevens werd er een steekwond onder het borstbeen gezien, bij aanvullend röntgen- en CT-onderzoek was te zien dat de wond oppervlakkig was en dat er geen inwendig letsel in de borstkas of in de buik was. Patiënt werd opgenomen ter observatie en kort na de opname tegen medisch advies in het ziekenhuis verlaten.
  • Een steekverwonding in de borstkas kan ernstige gevolgen hebben en bij inwendig letsel potentieel dodelijk zijn.
  • Genezingsduur ongeveer 2 weken en kans op een blijvend litteken.
3.
Schriftelijk stuk [3]
Forensisch Medische Letselrapportage
Betreffende:
[slachtoffer 2]
Rotterdam, 05-12-2025
  • Informatie ontvangen van huisarts over consult aldaar op 16-9-2025.
  • Er was sprake van een snijwond op de linker onderarm van ongeveer 5 centimeter lang.
  • Twee hechtingen werden geplaatst.
  • Bij ongecompliceerd beloop +/- 3 weken met kans op vorming blijvend litteken.
4.
Proces-verbaal van politie [4]
Het mes betreft een jachtmes van het merk PUMA TEC. Dit betreft een fors vaststaand mes met een totale lengte van 24 cm. Een vaststaand mes betekent dat het heft en het lemmet uit 1 stuk staal bestaat wat het merk sterker maakt dan bijvoorbeeld een klapmes met een scharnierpunt. Het lemmet is van roestvrij staal en is ongeveer 13 centimeter. Het mes is bestemd en uitermate geschikt om jachtwild mee te bewerken. De vorm van het lemmet is ontworpen om wild mee te ontwijden. De breedte van het lemmet is ongeveer 3 centimeter.
5.
Proces-verbaal van politie
Uit de verklaringen/bevindingen is op te maken dat er gestoken is met het PUMATEC mes.
6.
Schriftelijk stuk, inhoudende een beschikking van de Immigratie- en naturalisatiedienst, 19 april 2026, met het bijbehorende uitreikingsblad.
7.
Bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 5 maart 2026.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Vast staat dat de verdachte in de vroege ochtend van 16 september 2025 met een jachtmes een woning aan de [adres 2] is binnen gegaan omdat hij vond dat [slachtoffer 1] hem geld schuldig was en hij dat bij [slachtoffer 1] wilde halen. [slachtoffer 2] heeft bij de rechter-commissaris uitgebreid en gedetailleerd verklaard over het incident en de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan zijn verklaring dat de verdachte [slachtoffer 1] met een mes in de borststreek heeft gestoken. De rechtbank gaat voorbij aan de lezing van de verdachte dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zichzelf zouden hebben gestoken. De rechtbank vindt hiervoor geen enkele aanwijzing in het dossier en acht deze geschetste toedracht onaannemelijk.
Ten aanzien van de vraag of dit handelen moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag overweegt de rechtbank het volgende. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte vol opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] heeft gehad. De vraag is vervolgens of uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan hem.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (dus op de koop toe heeft genomen).
De rechtbank stelt voorop dat niet elke steekbeweging in de borstkas een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De rechtbank overweegt dat uit de medische verklaring van de forensisch arts blijkt dat de steekwond die de verdachte heeft toegebracht oppervlakkig was en dat er geen inwendig letsel in de borstkas of in de buik was. Daaruit maakt de rechtbank op dat de verdachte niet met grote kracht heeft gestoken. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden gesteld dat de aanmerkelijke kans bestond dat de stekende beweging van de verdachte [slachtoffer 1] fataal zou worden.
Dat ligt anders voor de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De borstkas is een kwetsbaar lichaamsdeel, waarin zich vitale organen bevinden. De verdachte heeft [slachtoffer 1] daar gestoken met een jachtmes. Daarmee is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel door het met een jachtmes.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzet had, in voorwaardelijke zin, op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] . Omdat zijn handelingen niet daadwerkelijk tot zwaar letsel hebben geleid, is het gebleven bij een poging. Daarom komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Daarnaast heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het mishandelen van [slachtoffer 2] . Door binnenshuis in een kamer te zwaaien met het mes in de nabijheid van [slachtoffer 2] heeft hij namelijk willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] lichamelijk letsel zou toebrengen.
Op het verweer van de verdediging over haar recht om [slachtoffer 1] te ondervragen, gaat de rechtbank niet in omdat zij zijn verklaring(en) niet gebruikt voor het bewijs.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 16 september 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1]
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes,
eenmaal in de borststreek heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
subsidiair
hij op 16 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een mes in de arm te steken
3
hij op 16 september 2025 te Rotterdam,
als vreemdeling heeft verbleven,
terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod
was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de
Vreemdelingenwet 2000

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
poging tot zware mishandeling
Feit 2:
mishandeling
Feit 3:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van art. 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000
3.2.
Strafbaarheid van het de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de straf(maat) geen standpunt ingenomen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en mishandeling. Hij heeft [slachtoffer 1] midden in de nacht opgezocht en aangevallen met een mes, waarbij hij ook [slachtoffer 2] heeft verwond. De verdachte is daarmee zonder noemenswaardige aanleiding over gegaan tot excessief geweld. Dit moet voor de slachtoffers en voor de aanwezige partner van [slachtoffer 2] zeer beangstigend zijn geweest. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hij mag van geluk spreken dat zij slachtoffers geen ernstiger letsel aan zijn handelen hebben overgehouden
Verder heeft de verdachte als vreemdeling in Nederland verbleven in strijd met een aan hem
opgelegd inreisverbod. De verdachte heeft daarmee een beslissing van de Nederlandse
overheid, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2024 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS- oriëntatiepunten.
Aangezien de rechtbank het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen acht, komt zij tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Alles overziend wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Vorderingen van de benadeelde partijen

5.1.1.
Vordering [benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor het onder 2 ten laste gelegde feit € 9.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattings-bevoegdheid voor wat betreft het (gedeeltelijk) toewijzen van de immateriële schade.
5.1.3.
Standpunt van de verdediging
De gevorderde schade moet worden gematigd. Er dient aansluiting te worden gezocht bij jurisprudentie, die laat een bandbreedte zien van € 500,- tot € 1.000,-.
5.1.4.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen als bedoeld in van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Hij is medisch behandeld voor de opgelopen steekwond en heeft aan het steekincident een litteken op zijn arm overgehouden. Verder is hij nog steeds angstig en ervaart hij nog steeds de psychische gevolgen van het incident, wat voor de hand ligt gezien de aard en ernst van de normschending.
De schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
5.2.1 Vordering [benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor het onder 1 ten laste gelegde feit € 500 als vergoeding voor materiële schade en € 20.000 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.2. Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij aangaande de materiële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het (gedeeltelijk) toewijzen van de immateriële schade.
5.2.3 Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
5.2.4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De vordering is niet onderbouwd.
5.3.1 Vordering [benadeelde partij 3]
heeft als benadeelde partij voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit € 300,- als vergoeding voor materiële schade en € 1.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattings-bevoegdheid voor wat betreft het (gedeeltelijk) toewijzen van de immateriële schade. De materiële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.3.3. Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering omdat de benadeelde partij geen schade heeft geleden die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen feiten.
5.3.4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. Niet zonder meer vast te stellen dat de benadeelde partij Grozdanov rechtstreeks schade door de bewezenverklaarde feiten heeft opgelopen. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is op de artikelen 36f, 45, 197, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering [benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van
€ 2.500,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 16 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van zijn vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat
€ 2.500,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 16 september 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
Vordering [benadeelde partij 1]
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
Vordering [benadeelde partij 3]
verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en D.M. Douwes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 19 maart 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 10 februari 2026.
2.Forensisch Medische Letselrapportage betreffende [slachtoffer 1] van 26 november 2025 opgemaakt door [naam 3], forensisch arts.
3.Forensisch Medische Letselrapportage betreffende [slachtoffer 2] van 5 december 2025 opgemaakt door [naam 4], forensisch arts.
4.Omschrijvingsproces-verbaal Wet wapens en munitie, [proces-verbaalnummer].