ECLI:NL:RBROT:2026:6779

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/4704
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid

Verzoekster, met haar meerderjarige zoon en drie minderjarige kinderen, heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. Verzoekster woont sinds mei 2026 in Nederland na een verblijf in Somalië en het Verenigd Koninkrijk. Het college oordeelt dat verzoekster zelfredzaam is en zelf voor huisvesting kan zorgen.

De voorzieningenrechter heeft op 9 juni 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en direct afgewezen. De rechter stelt dat het college voldoende heeft toegelicht dat maatschappelijke opvang niet bedoeld is voor het oplossen van huisvestingsproblemen en dat verzoekster geen psychische of andere problematiek heeft die haar zelfredzaamheid aantast.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij lichamelijke en psychische klachten heeft en problemen ervaart met de opvoeding van haar kinderen, maar heeft hiervoor geen onderbouwing geleverd. De rechter benadrukt dat deze punten in de bezwaarprocedure verder kunnen worden toegelicht. De voorlopige voorziening wordt afgewezen, en het college hoeft voorlopig geen opvang te bieden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens voldoende zelfredzaamheid van verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4704
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam verzoekster], zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoekster
(gemachtigde: mr. M.F.C. Gommans),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang [1] voor haar, haar meerderjarige zoon en drie minderjarige kinderen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, A. Abdirahman als tolk en de gemachtigde van het college.
3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft zes kinderen. Zij heeft van 2005 tot en met 2024 in het Verenigd Koninkrijk gewoond. Twee meerderjarige kinderen studeren op dit moment in London. Verzoekster is met een meerderjarige zoon en drie minderjarige kinderen in 2024 naar Somalië verhuisd, omdat haar zoon [naam zoon] onder druk werd gezet om drugs te verkopen. Verzoekster verbleef in Somalië bij haar broer. Omdat de situatie in Somalië onveilig was, is verzoekster met haar vier kinderen op 10 mei 2026 naar Nederland gekomen. Verzoekster en haar kinderen hebben de eerste periode bij Somalische kennissen verbleven. Vanaf 29 mei 2026 kan het gezin niet meer binnen de Somalische gemeenschap verblijven. Verzoekster en haar kinderen zijn via het Rode Kruis tijdelijk ondergebracht in een hotel, maar dit verblijf eindigt op 10 juni 2026.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Verzoekster heeft op 15 mei 2026 een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang voor haarzelf, haar meerderjarige zoon en drie minderjarige kinderen. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college is verzoekster in staat om zich op eigen kracht (met gebruikelijke hulp) te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in het onderdak van haar en haar kinderen te voorzien. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij per direct worden toegelaten tot de opvang.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. De voorzieningenrechter vindt dat het college voldoende heeft uitgelegd dat er geen recht bestaat op maatschappelijke opvang omdat verzoekster zelfredzaam is. Verzoekster heeft jarenlang in het Verenigd Koninkrijk gewoond en heeft zich daar weten te redden. Ook is ze zelfstandig naar Somalië en Nederland gereisd. In Nederland is er een groot huisvestingsprobleem en daar loopt verzoekster nu ook tegenaan. Maar dat betekent niet dat verzoekster dat niet zelf zou kunnen oplossen. De maatschappelijke opvang is niet bedoeld om een huisvestingsprobleem op te lossen. Verzoekster heeft bij de intake verklaard dat zij geen psychische klachten heeft en ook anderszins is het college niet gebleken van enige problematiek ten aanzien van verzoeksters zelfredzaamheid.
8. Verzoekster heeft een beroep gedaan op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Er heeft een kindintake plaatsgevonden, waarbij aandacht is besteed aan de situatie van de kinderen. Verzoekster heeft toen aangegeven dat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, dat ze gezond zijn en dat ze geen opvoedvragen heeft. Verzoekster heeft alleen aangegeven dat de situatie en het constante verhuizen een negatieve impact heeft op de kinderen. Het college heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat er voor de kinderen geen hulpvraag was.
9. Verzoekster heeft tijdens deze procedure aangevoerd dat zij lichamelijke en psychische klachten heeft, dat de kinderen opstandig en brutaal zijn en dat verzoekster niet meer in staat is om het gedrag van haar kinderen te handhaven. Er is echter geen enkele onderbouwing ingebracht die dit ondersteunt. Verzoekster kan dit verder in de bezwaarprocedure aan de orde stellen en als zij stukken ontvangt die haar verhaal onderbouwen, dan kan zij die tijdens de bezwaarprocedure inbrengen. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zou kunnen houden.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster en haar kinderen vooralsnog geen opvang hoeft te verlenen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026 door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)