De rechtbank Rotterdam behandelde op 31 maart 2026 een beschikking over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en een geschil tussen de gecertificeerde instelling (GI) Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en de moeder van de minderjarige.
De minderjarige woont sinds november 2021 niet meer bij zijn ouders en verblijft sinds mei 2023 bij pleegouders. De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing, die steeds werd verlengd. De GI verzocht om verlenging van deze machtiging tot het einde van de ondertoezichtstelling op 14 september 2026. De moeder verzocht om het traject naar terugplaatsing bij haar te hervatten en de omgangsregeling te herstellen.
De GI stelde dat het traject naar terugplaatsing was stopgezet vanwege signalen van huiselijk geweld tussen de ouders, terwijl de ouders dit ontkenden en bewijs aanleverden dat het vermeende incident niet had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat de GI te vroeg had besloten het terugplaatsingstraject te beëindigen en dat het traject hervat moet worden. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd, maar het verzoek van de moeder tot geschillenregeling werd afgewezen.
De rechtbank benadrukte het belang van het waarborgen van de veiligheid van de minderjarige en het monitoren van de omgangsafspraken, en stelde dat het GTP-traject zo spoedig mogelijk hervat moet worden. Een bijzondere curator werd niet noodzakelijk geacht.