Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6793

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
10-750209-15
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte moord Berkel en Rodenrijs wegens onvoldoende bewijs

Op 1 januari 2014 werd het slachtoffer in Berkel en Rodenrijs doodgeschoten. Verdachte werd beschuldigd van moord, uitlokking en voorbereiding van moord. Na een langdurig onderzoek en meerdere getuigenverklaringen, waaronder van zogenaamde van-horen-zeggen bekentenissen, werd verdachte aangehouden in 2018.

De rechtbank beoordeelde de betrouwbaarheid van het bewijs kritisch. Verklaringen van getuigen als [naam 2], [naam 3] en anderen bleken summier, oncontroleerbaar en deels tegenstrijdig. Anonieme meldingen en informatie uit het criminele circuit waren onbetrouwbaar en hadden geen bewijskracht. Ook motiefverklaringen werden niet als bewijs gezien.

De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de moord had gepleegd. Daarom sprak zij verdachte vrij. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-750209-15
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Data zitting: 18 en 19 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. E. Manders
Officieren van justitie: mrs. M. Luijpen en L. Verhoeven
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. P. Leemans

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van de moord op [slachtoffer ] , subsidiair van de uitlokking daarvan en van de voorbereiding van de moord op [naam 1] .
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1. primair
hij op of omstreeks 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, welke later bleek te zijn [slachtoffer ] , van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s), meermalen, althans eenmaal, op, althans in de richting van, het hoofd en/of bovenlichaam, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer ] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden;
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, welke later bleek te zijn [slachtoffer ] van het leven heeft/hebben beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, op althans in de richting van het hoofd en/of het bovenlichaam, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden, welk strafbaar feit hij verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2014, te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, hebbende hij verdachte opzettelijk, zakelijk weergegeven,
  • een of meer anderen benaderd en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (vervolgens) medegedeeld dat een persoon (genaamd [naam 1] ) om het leven gebracht moest worden en/of
  • een of meer anderen een aanzienlijke geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor het om het leven brengen van een persoon (genaamd [naam 1] ) en/of - een of meer andere(n) informatie verstrekt over de woonplaats en/of verblijfplaats en/of gewoonte(n) en/of gebruiken van die persoon (genaamd [naam 1] ).
2.
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [naam 1] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen:
  • een of meer anderen benaderd en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (vervolgens) medegedeeld dat een persoon genaamd [naam 1] om het leven gebracht moest worden en/of
  • een of meer anderen een aanzienlijke geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor het om het leven brengen van [naam 1] en/of
  • een of meer andere(n) informatie verstrekt over de woonplaats en/of verblijfplaats en/of gewoonte(n) en/of gebruiken van [naam 1] .

2.Bewijswaardering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf van 24 jaar.
Oordeel van de rechtbank
a.
Inleiding
Op 1 januari 2014 werd [slachtoffer ] beschoten terwijl hij zijn honden aan het uitlaten was. [slachtoffer ] overleed ter plekke als gevolg van een schot in het hoofd. Gedurende het politieonderzoek ontstonden er vrij snel aanwijzingen dat niet [slachtoffer ] , maar zijn buurtgenoot [naam 1] – volgens het dossier destijds actief in het criminele circuit – het doelwit was.
Er volgde een opsporingsonderzoek dat meerdere jaren duurde en dat in eerste instantie voor een groot deel leunde op anonieme meldingen (MMA-meldingen) en informatie vanuit het Team Criminele Inlichtingen (TCI-informatie). Meerdere getuigen, voornamelijk personen binnen hetzelfde criminele circuit als het beoogde slachtoffer en de verdachte, werden gehoord. Een en ander leidde op 24 september 2015 tot de verdenking tegen de verdachte van betrokkenheid bij de moord en uiteindelijk tot zijn aanhouding op 20 november 2018.
Na dagvaarding van de verdachte overwoog de rechtbank op de eerste zitting op 22 februari 2019 dat de ernstige bezwaren tegen hem staan of vallen met de toetsing van de betrouwbaarheid daarvan. Het was, aldus de rechtbank, van belang dat de informatie en (getuigen)verklaringen die tot dan toe in het dossier zaten, werden geverifieerd en werden onderzocht op betrouwbaarheid. Vervolgens zijn diverse personen (nogmaals) bij de politie en/of bij de rechter-commissaris gehoord en is één van hen op de zitting als getuige meermalen gehoord.
De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding tot op de zittingen van mei 2026 iedere betrokkenheid bij de feiten ontkend.
De verdenking tegen de verdachte werd vooral gevoed door verklaringen over een mogelijk motief van de verdachte, namelijk een conflict tussen de verdachte en [naam 1] in de periode rond de moord. De redenen voor die ruzie lopen in de verklaringen uiteen, dat varieert van financiële geschillen over vastgoed of over in beslag genomen partijen cocaïne, tot huwelijksproblemen en het alleenrecht op een corrupte douanier. Hoewel een motief voor een moord een niet onbelangrijk gegeven is, kan het enkel bestaan daarvan geen bewijs vormen voor het daderschap van de verdachte.
De vraag die in dit vonnis centraal staat is of de verklaringen en de overige informatie over de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn en of deze voldoende bewijskracht hebben. In dat licht zullen hierna achtereenvolgens de zogenaamde van-horen-zeggen bekentenissen, de overige verklaringen en de MMA-meldingen en TCI-informatie worden besproken. Hierbij zal ook worden ingegaan op de visie van de officier van justitie op deze informatie. Een en ander leidt – kort gezegd – tot de conclusie dat heel weinig betrouwbaar bewijsmateriaal voorhanden is en dat de bewijskracht daarvan ook nog uiterst beperkt is. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.
Van-horen-zeggen bekentenissen
De officieren van justitie stellen dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] belangrijk bewijs vormen, omdat de verdachte aan hen zou hebben bekend dat hij de opdrachtgever van de moord was. Bij de beoordeling van dergelijke van-horen-zeggen bekentenissen moet ten eerste de betrouwbaarheid van de inhoud van de bronverklaringen worden getoetst: hoe geloofwaardig zijn de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] , wat heeft de verdachte tegen hen precies gezegd en wat betekent dat eigenlijk? Maar daarnaast is ook de betrouwbaarheid van de ‘bekentenis’ op zichzelf bezien van belang. Sprak de verdachte wel de waarheid en vormen zijn uitspraken dus wel een bekentenis? De enkele verklaring ‘ik heb de opdracht gegeven tot moord’ geeft op zichzelf namelijk, zonder nadere toetsing van de betrouwbaarheid dáárvan, geen bewijskracht aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] .
-
[naam 2]
heeft verklaard dat de verdachte hem kort na de moord vertelde dat hij de opdrachtgever van de moord was. De officieren van justitie wegen zwaar mee dat [naam 2] deze verklaring zes keer en steeds consistent bij de politie heeft afgelegd. Voor zover de rechtbank kan nagaan bevat het dossier vier processen-verbaal van de politie waarin een heel korte verklaring van [naam 2] over het daderschap van de verdachte is opgenomen en de verklaringen op de zittingen van 9 oktober 2024 en 21 november 2025. [naam 2] heeft ook nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris, maar die is door de rechter-commissaris in de kluis gelegd omdat [naam 2] veiligheid in gevaar zou zijn als deze verklaring zou worden vrijgegeven. Ook na nader onderzoek in opdracht van de rechtbank is de rechter-commissaris bij dit standpunt gebleven. De rechtbank en de procespartijen kennen de inhoud van deze kluisverklaring dan ook niet.
De wel bekende verklaringen van [naam 2] hebben een summier karakter. Er worden geen details gegeven over de door de verdachte afgelegde bekennende verklaring. Zo heeft [naam 2] niet kunnen verklaren wanneer precies hij dit van de verdachte heeft gehoord en op welke plaats (‘ergens op straat’). De verdachte heeft steeds stellig ontkend een ontmoeting met [naam 2] te hebben gehad waarbij hij een bekentenis zou hebben afgelegd. De verdachte heeft zelfs verklaard dat hij [naam 2] in die periode langere tijd niet heeft gezien of gesproken en dit is – ook na navraag in het criminele circuit – niet weersproken. De ontmoeting op zichzelf kan dus al niet worden geverifieerd. Dat geldt ook voor de verdere inhoud van de verklaringen. [naam 2] heeft in de verklaringen bij de politie de naam van een schutter genoemd, hetgeen hij overigens op de zitting weer heeft ontkend, de politie zou ‘heel veel dingen hebben verzonnen’. De strafvervolging van deze schutter is geëindigd in een sepot wegens onvoldoende bewijs. Dit deel van de verklaring kan dus ook niet worden getoetst. Ook het detail dat de verdachte uit paniek enkele weken bij zijn broer zou hebben geslapen kon niet worden geverifieerd. Voor het overige heeft [naam 2] de verklaring verder (ook) geen handen en voeten gegeven. Hij heeft voor details verwezen naar de kluisverklaring, maar zoals gezegd is de inhoud daarvan onbekend.
Maar dat is het niet alleen. Ook de bekentenis van de verdachte op zichzelf dat hij de opdrachtgever van de moord was, is summier en is zonder nadere handvatten en verificatie niet op betrouwbaarheid te toetsen. Dit leidt ertoe dat de verklaringen van [naam 2] uiterst weinig bewijskracht toekomt.
Al met al raken het summiere karakter, het ontbreken van details en de onmogelijkheid van verificatie de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] hard. In samenhang met het gebrek aan bewijskracht van die verklaringen is het gebruik daarvan in feite onmogelijk.
-
[naam 3]
De tweede getuige die volgens de officieren van justitie de verdachte heeft horen bekennen, is [naam 3] . Deze getuige is echter niet zo stellig als de officieren van justitie doen voorkomen. Een verbalisant heeft in een proces-verbaal vastgelegd dat [naam 3] heeft verteld dat de verdachte pochte dat hij opdracht gegeven zou hebben tot liquidatie van ‘ [naam 1] ’ op 1 januari in Berkel. In de daarop volgende politieverhoren verklaart [naam 3] echter dat hij dat ‘zo niet heeft gezegd’. Wel zegt hij dan nog dat de verdachte ‘heeft zitten pochen om mij te intimideren’. Na verdere bevraging is daarvan in het laatste verhoor overgebleven dat de verdachte intimiderende opmerkingen had gemaakt zoals ‘Kijk maar naar [naam 1] ’. [naam 3] zou daaruit hebben
begrependat de verdachte de opdracht zou hebben gegeven om [naam 1] dood te schieten. Met deze ontkleuring blijft van de bewijskracht van de verklaring van [naam 3] al heel weinig over.
Los daarvan is ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 3] allesbehalve sterk, als de omstandigheden waaronder hij deze verklaringen aflegt, worden meegewogen. [naam 3] legt zijn ‘poch-verklaring’ af in april 2015 bij de balie van het politiebureau als hij zich komt melden omdat hij drie weken eerder de verdachte heeft beschoten. Hij schetst daarbij een noodweerscenario, waarin de verdachte hem eerst zou willen beschieten. Dat betekent dat hij de verdachte van het opdrachtgeverschap van de moord beschuldigt op het moment dat hij er zelf alle belang bij heeft om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen om zijn eigen hachje te redden. [naam 3] is overigens door de rechtbank veroordeeld voor deze poging tot liquidatie van de verdachte, met verwerping van het noodweerverweer.
De bewijskracht van de verklaring van [naam 3] is dus heel klein en de verklaring is bovendien niet heel betrouwbaar. Daarmee is het gebruik van de verklaring van [naam 3] voor het bewijs niet mogelijk.
De overige verklaringen
Er zijn in deze zaak ook veel anderen gehoord. De officieren van justitie hechten in het bijzonder waarde aan de verklaringen van [naam 4] , [naam 5] en een anonieme bedreigde getuige.
-
[naam 4]
De officieren van justitie hebben [naam 4] aangemerkt als de derde persoon die een rechtstreekse bekentenis van de verdachte zou hebben gehoord. Hij zou in een Whatsapp-gesprek met een zekere ‘ [naam 8] ’ hebben geschreven dat de verdachte hem persoonlijk heeft verteld dat hij de opdrachtgever van de moord was. Uit de context in het gesprek is echter volstrekt duidelijk dat de zinnen
‘ [verdachte] opdrachte gever [naam 6] uitvoerder. Dat is mijn info en [verdachte] heeft persoonlijk verteld om mij te intimideren’zien op de liquidatie van [naam 7] . ‘ [naam 8] ’ vraagt namelijk pas daarna of dezelfde schutter ook op [slachtoffer ] heeft geschoten. [naam 4] zegt dan dat hij dat niet weet, maar dat
‘ [verdachte] sowieso opdracht heeft gegeven ivm zijn ruzie met [naam 1]’. De rechtbank leest daarin slechts dat [naam 4] de verdachte verdenkt als opdrachtgever van de moord omdat hij daarvoor een motief heeft. Daar komt bij dat uit het gesprek blijkt dat [naam 4] graag wil dat ‘ [naam 8] ’ zijn vrouw en dochter bescherming biedt en dat ‘ [naam 8] ’ hem onder druk zet om in ruil daarvoor informatie te verstrekken. Daarmee dringt de vraag zich op of deze informatie überhaupt betrouwbaar is. Van een rechtstreekse bekentenis van de verdachte tegenover [naam 4] rept dit Whatsapp-gesprek in elk geval niet.
Dat geldt ook voor het opgenomen gesprek tussen [naam 4] en een onbekende man ‘ [naam 9] ’, waarin [naam 4] volgens de officieren van justitie over de moord heeft gezegd dat de verdachte die op zijn geweten heeft met de toevoeging
‘dat heb tie tegen mij gezegd’. Ook hier volgt uit de uitwerking van het gesprek dat [naam 4] dit zegt over de liquidatie van [naam 7] . Pas daarna komt ook in dat gesprek de moord op [slachtoffer ] aan de orde. Dan zegt [naam 4] nogmaals dat de verdachte die op zijn geweten heeft, maar niet dat hij dit rechtstreeks van de verdachte heeft gehoord. Dat ‘ [naam 9] ’ bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [naam 4] het van de verdachte zelf heeft gehoord, legt nauwelijks gewicht in de schaal, nu daarover in het geheel niet is doorgevraagd. Zo is niet duidelijk wanneer [naam 4] dit aan hem zou hebben verteld. Goed mogelijk is dat ‘ [naam 9] ’ dezelfde vergissing heeft gemaakt als de officieren van justitie en de uitspraak van [naam 4]
‘dat heb tie tegen mij gezegd’ten onrechte aan deze moord heeft gekoppeld. Daar komt nog bij dat [naam 4] zelf over het gesprek met ‘ [naam 9] ’ heeft verklaard dat het een gestuurd gesprek was vanuit de TCI en dat hij benieuwd was hoe de rechter hier naar zou kijken. De rechtbank leidt hier uit af dat er tenminste vraagtekens zijn te plaatsen bij het waarheidsgehalte van die verklaring.
Uiteraard blijft staan dat [naam 4] in deze gesprekken bespreekt dat volgens hem de verdachte de opdrachtgever van de moord zou zijn. Deze ‘verdenking’, meer lijkt het niet te zijn, werkt hij echter verder niet uit. Hij wijst bij de politie – anders dan in het Whatsapp-gesprek met ‘ [naam 8] ’ – [naam 3] als schutter aan. Los van het feit dat de strafvervolging tegen [naam 3] als schutter is geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs, vermeldt hij niet hoe hij aan deze informatie is gekomen en geeft hij geen details. Daarom heeft het enkele feit dat [naam 4] de verdachte als opdrachtgever van de moord aanwijst geen bewijskracht voor de beschuldigingen aan het adres van de verdachte.
-
[naam 5] en de anonieme bedreigde getuige
De officieren van justitie zien verder ondersteuning voor hun conclusies in de verklaring van [naam 5] , omdat hij heeft verklaard over de ruzie tussen de verdachte en [naam 1] . De rechtbank beschouwt het enkele feit dat hij verklaart over een motief niet als bewijs. De OVC-gesprekken die zijn opgenomen in het kantoor van [naam 5] hebben evenmin bewijskracht, omdat [naam 5] daarin slechts zegt dat de verdachte achter de moord zou zitten, zonder dat daarbij wordt verteld wie of wat de bron van deze informatie is. In zijn politieverhoor zegt [naam 5] daarover dat hij dit ‘uit de krant en uit de wandelgangen’ heeft.
Ook de anonieme bedreigde getuige die is gehoord bij de rechter-commissaris heeft slechts verklaard dat hij ‘
heeft gehoord’dat de verdachte opdrachtgever zou zijn van de moord. Van wie, hoe en waar hij dat dan heeft gehoord en hoe betrouwbaar die boodschap is geweest, is niet duidelijk. Daar is de getuige overigens ook niet over bevraagd.
Dit maakt dat de inhoud van deze verklaringen geen bewijskracht heeft. Het lijkt er eerder op dat binnen het circuit steeds dezelfde informatie wordt rondgepompt en zo heeft iedereen ‘iets gehoord’.
-
Andere getuigen
Laatstgenoemd oordeel geldt ook voor alle andere verklaringen in deze zaak, voor het grootste deel afgelegd door personen die zich (destijds) in hetzelfde criminele circuit bewogen als de verdachte. Voor zover men iets kan verklaren met betrekking tot de moord, wisselt de informatie en worden meerdere namen als betrokkenen genoemd. Als de naam van de verdachte wordt vermeld, lijkt dat gebaseerd te zijn op vermoedens, meningen of ‘de wandelgangen’. Gelet op de eigen belangen van personen in het criminele circuit is los daarvan ook nog voorzichtigheid geboden. Tot slot valt niet uit te sluiten dat de verklaringen te herleiden zijn naar dezelfde (wellicht onbetrouwbare) bron. Ook deze verklaringen hebben dus, nog los van de betrouwbaarheid, geen bewijskracht voor de betrokkenheid van de verdachte bij de moord.
MMA-meldingen en TCI-informatie
In hetzelfde licht als hiervoor besproken moeten ook de MMA-meldingen en TCI-informatie in het dossier worden beschouwd. De betrouwbaarheid van dergelijke informatie hangt in zijn algemeenheid af van de bron (indien bekend), de wijze van verzameling en de context waarin de informatie is verkregen. Daarover is meestal weinig bekend. Daarom wordt deze informatie doorgaans al niet zelfstandig als bewijs gebruikt.
Er zijn in deze zaak door de jaren heen sinds 2014 verschillende anonieme meldingen over de moord binnengekomen met daarin vaak wisselende informatie over de betrokkenen en bijpassende motieven. Pas vanaf april 2015 wordt de naam van de verdachte genoemd. Van sommige meldingen staat inmiddels vast dat die informatie niet klopt. De meldingen spreken elkaar soms ook tegen. De bron van de informatie (bijvoorbeeld de informant) is steeds onbekend en de rechtbank kan ook hier niet uitsluiten dat de informatie van dezelfde bron (of van één van de in deze zaak gehoorde getuigen) afkomstig is. De betrouwbaarheid is dus ook hier een punt en de bewijskracht van deze informatie is ook nihil.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de verklaringen en overige informatie in het dossier onvoldoende betrouwbaar zijn en/of onvoldoende bewijskracht hebben en daarom niet tot wettig en overtuigend bewijs leiden voor wat de verdachte wordt verweten, ook niet in samenhang bezien.
Tot slot
Het onderzoek in deze zaak en de behandeling van de zaak bij de rechtbank hebben zeer lang geduurd. Pas twaalf jaar na de dood van het slachtoffer ligt er nu een vonnis in deze zaak. De rechtbank heeft gezien en gehoord dat dit voor [naam familie slachtoffer] een hele zware periode is geweest. Uit de slachtofferverklaring van het gezin, op de zitting voorgedragen door de echtgenote van het slachtoffer, werd pijnlijk duidelijk dat zij niet alleen het ondragelijke verlies van hun man en vader moeten verwerken, maar dat zij ook boos zijn dat zij de allerhoogste prijs hebben moeten betalen voor de daden van een ander. De rechtbank realiseert zich dat het zeer pijnlijk is dat de uitkomst van de zaak voor [naam familie slachtoffer] met zich meebrengt dat er, ook na zo’n lange tijd, nog steeds geen duidelijkheid is over de schuldige, over het motief voor de moord en de precieze omstandigheden daarvan.

3.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 22 februari 2019 geschorst. De rechtbank heft het geschorste bevel tot de voorlopige hechtenis van de verdachte op.

4.Vordering van de benadeelde partijen

De nabestaanden van het [slachtoffer ] , zijn echtgenote en twee kinderen, hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. Zij maken aanspraak op vergoeding van schade van gederfd levensonderhoud voor een bedrag van € 577.019,- en de echtgenote van het slachtoffer, op het vergoeden van zogeheten shockschade van € 30.000,- omdat zij direct geconfronteerd werd met de dood van haar man.
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken. De rechtbank bepaalt dat beide partijen hun eigen proceskosten zullen dragen.

5.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. M.V. Scheffers en T.M. Riemens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.