ECLI:NL:RBROT:2026:6809

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719060 / KG ZA 26-422
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 4:80 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag wegens strijd met artikel 21 Rv en ondeugdelijke vordering

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres, tevens executeur en erfgenaam, de opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde op haar onroerende zaak is gelegd. Partijen zijn broer en zus, waarbij gedaagde door testament is uitgesloten als erfgenaam. De moeder is in 2020 overleden en de nalatenschap is verdeeld, waarbij de onroerende zaak aan eiseres is gelegateerd.

Gedaagde heeft twee keer verlof gevraagd en gekregen voor het leggen van conservatoir beslag, waarvan het eerste beslag verviel door het niet aanbrengen van de dagvaarding. Het tweede beslag is gelegd in april 2026. Eiseres stelt dat het beslag onrechtmatig is omdat gedaagde niet aan zijn waarheidsplicht heeft voldaan en zijn vordering summierlijk ondeugdelijk is.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde in zijn beslagrekest niet heeft vermeld dat hij eerder een beslagrekest had ingediend, wat een schending van artikel 21 Rv Pro inhoudt. Daarnaast is de vordering onvoldoende onderbouwd en strookt niet met de notariële akte van 1981 waarin de nalatenschap van de vader is afgewikkeld. De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag, mede omdat eiseres de onroerende zaak heeft verkocht en levering binnenkort plaatsvindt.

Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het conservatoir beslag op de onroerende zaak wordt opgeheven wegens schending van artikel 21 Rv en summier ondeugdelijke vordering.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719060 / KG ZA 26-422
Vonnis in kort geding van 8 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
ZOWEL IN PRIVÉ ALS IN HOEDANIGHEID VAN EXECUTEUR EN ERFGENAAM IN DE NALATENSCHAP VAN [erflaatster],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te Den Haag,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 mei 2026;
- de 10 producties van [eiseres] ;
- de mondelinge behandeling op 28 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn broer en zus van elkaar. Zij hebben nog een zus (hierna: de zus).
2.2.
De vader van partijen (hierna: de vader) is vooroverleden op [overlijdensdatum 1] 1980. De scheiding en verdeling van de bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap tussen de ouders van partijen en de daarin vervatte nalatenschap van de vader is vastgelegd in een notariële akte van 14 augustus 1981.
2.3.
Bij testament van 9 maart 2015 heeft de moeder van partijen, [erflaatster] (hierna: de moeder), [gedaagde] uitgesloten als erfgenaam en [eiseres] en de zus benoemd tot de enige erfgenamen en executeurs. Daarnaast heeft de moeder het perceel met woonhuis gelegen aan de [adres] in [woonplaats 1] (kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] , sectie A, [kadasternummers], hierna: de onroerende zaak) gelegateerd aan [eiseres] .
2.4.
De moeder is op [overlijdensdatum 2] 2020 overleden.
2.5.
[eiseres] heeft met de zus een bodemprocedure gevoerd over de verdeling van de nalatenschap van de moeder, in het bijzonder over de waarde van de onroerende zaak. Bij vonnis van 6 augustus 2025 heeft deze rechtbank een beslissing genomen over de wijze van verdeling. Daarbij is de zus gemachtigd om de legitieme portie van [gedaagde] en de erfdelen met inachtneming van dat vonnis uit te keren. Over de hoogte van de legitieme portie staat in het vonnis:
“2.7. (…) Als schuld is er slechts de vordering van[ [gedaagde] ]
uit hoofde van zijn legitimaire aanspraak, te weten 1/6e deel van de activa, zijnde € 59.859,49, welke schuld[de zus en [eiseres] ]
als gezamenlijke erfgenamen gelet op het bepaalde in artikel 4:80 lid 1 BW Pro zijn gehouden aan hem uit de nalatenschap te voldoen. (…)”
2.6.
De afgifte van het legaat, de uitvoering van het vonnis van 6 augustus 2025 en de levering van de onroerende zaak aan [eiseres] zijn vastgelegd in een notariële akte van 29 oktober 2025. In die akte staat onder meer:
“Uit gemeld vonnis blijkt van een schuld aan[ [gedaagde] ]
van (…) € 59.859,49. Daarop moet nog in mindering worden gebracht de namens hem voorgeschoten erfbelasting ad (…) € 3.889,00, zodat[ [gedaagde] ]
voornoemd op grond van het vorenstaande ontvangt (…) € 55.970,49.”
2.7.
Op 29 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend aan [gedaagde] om conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak. Het conservatoir beslag is vervolgens gelegd en er is op 14 november 2025 een dagvaarding aan [eiseres] en de zus betekend. [gedaagde] heeft de dagvaarding echter niet aangebracht bij deze rechtbank, waarna dat beslag is komen te vervallen.
2.8.
Op 7 april 2026 heeft [gedaagde] wederom aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd hem verlof te verlenen om ten laste van [eiseres] conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak. Op 8 april 2026 is het gevraagde verlof verleend. Op 10 april 2026 is het conservatoir beslag op de onroerende zaak gelegd.
2.9.
Bij dagvaarding van 24 april 2026 heeft [gedaagde] [eiseres] en de zus opgeroepen om te verschijnen op de rolzitting van de rechtbank Rotterdam op 10 juni 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing van het op 10 april 2026 gelegde beslag, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.De beoordeling

4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan, voor zover in dit geval relevant, worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht en wanneer de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro is geschonden.
4.2.
[eiseres] legt de twee hiervoor genoemde opheffingsgronden aan haar vordering ten grondslag. Beide gronden treffen doel.
Strijd met artikel 21 Rv Pro
4.3.
Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv Pro verplicht voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Voor een beslagrekest geldt in het bijzonder dat de verzoeker melding maakt van alle lopende of beëindigde procedures die relevant zijn voor een goede beoordeling van de zaak, waaronder eerder ingediende beslagrekesten. Zeker nu ex-parte (zonder dat de gerekwestreerde eerst wordt gehoord) op een beslagrekest wordt beslist, kan misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest de voorzieningenrechter reden geven om een latere vordering tot opheffing van het beslag reeds om die reden toe te wijzen. De voorzieningenrechter verwijst naar hoofdstuk A onder punt 2 van de Beslagsyllabus (versie januari 2025).
4.4.
[gedaagde] had in zijn beslagrekest van 7 april 2026 dus moeten vermelden dat hij in oktober 2025 al een beslagrekest had ingediend, en het eerdere beslagrekest (zonder bijlagen) en de beslissing daarop moeten overleggen. Door dat niet te doen, is sprake van een schending van artikel 21 Rv Pro die op zichzelf al een opheffing van het huidige beslag rechtvaardigt. Daarbij is in aanmerking genomen dat het beslagverzoek ook niet volledig was in die zin dat iedere onderbouwing van het, hierna nog uitgebreider te bespreken, gestelde vaderlijk erfdeel ontbrak.
Summierlijk ondeugdelijke vordering
4.5.
Daarnaast geldt dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering die [gedaagde] stelt te hebben op haar, ondeugdelijk is.
4.6.
[gedaagde] meent dat hij nog recht heeft op € 33.724,00 plus rente uit de nalatenschap van de vader. Volgens hem is de nalatenschap van de vader niet afgewikkeld en is zijn erfdeel doorgeschoven en gevallen in de nalatenschap van de moeder. Deze stelling heeft mevrouw echter [eiseres] gemotiveerd en onderbouwd betwist. Zij heeft als productie 10 een notariële akte van 14 augustus 1981 overgelegd, die ziet op de verdeling van de nalatenschap van de vader. Daaruit blijkt dat, anders dan [gedaagde] meent, de nalatenschap van de vader met die akte was afgewikkeld. Verwezen wordt naar de zinsnede op pagina 3 van de akte waarin staat:
“De comparanten verklaarden dat zij hiermee voorschreven onverdeeldheid naar ieders genoegen hebben gescheiden en verdeeld;
dat ieder het hem of haar uit deze scheiding toekomende waaronder voormelde aan de comparanten[de zus]
en[ [eiseres] ]
toebedeelde overbedelingssommen, met de daarop betrekking hebbende bescheiden heeft ontvangen of tot zich genomen, terwijl de comparant[ [gedaagde] ]
de door hem verschuldigde overbedelingssom voortaan zal schuldig zijn onder de titel van geleend geld, zodat zij elkander bij deze ter zake van deze scheiding volledige kwijting verlenen;”
Dat [gedaagde] een schuld had aan de vader, rijmt ook met de aangifte successierechten die de notaris in mei 1981 met betrekking tot de nalatenschap van de vader heeft opgesteld namens partijen, de zus en de moeder (productie 9 van [eiseres] ). Op pagina 4 van de aangifte is te lezen onder punt 8. dat [gedaagde] aan de vader een schuld had van 50.000 gulden, die viel in de huwelijksgoederengemeenschap van de ouders.
4.7.
Verder staat op pagina 5 van de aangifte successierechten dat uit de nalatenschap van de vader een bedrag van 101.072 gulden resteert voor de erven om te verdelen, en dat dit neerkomt op 25.268 gulden voor iedere erfgenaam. Het door [gedaagde] gestelde bedrag van € 33.724,00 rijmt daar niet mee en hij maakt ook niet duidelijk hoe dat bedrag is opgebouwd. Hij stelt enkel dat de notaris dat bedrag heeft genoemd in een mailbericht van 11 mei 2022. Ter zitting heeft hij het mailbericht voorgelezen, maar dat bericht is niet overgelegd. Ook heeft hij nagelaten dat bericht bij het beslagrekest of de betekende dagvaardingen te voegen.
4.8.
In haar vonnis van 6 augustus 2025 heeft deze rechtbank de vordering van [gedaagde] uit hoofde van zijn legitimaire aanspraak op de nalatenschap van de moeder bepaald op € 59.859,49. Niet in geschil is dat daar uitvoering aan is gegeven, doordat de notaris na aftrek van de erfbelasting het bedrag van € 55.970,49 heeft uitgekeerd aan [gedaagde] (zie 2.5. en 2.6.). Het betoog van [gedaagde] dat de rechtbank daarbij geen rekening heeft gehouden met schenkingen die de moeder heeft gedaan aan [eiseres] – in die zin dat [eiseres] vanaf 1980 zonder het betalen van huur aan de moeder in de onroerende zaak verbleef – slaagt niet. Enige onderbouwing van de stelling dat moet worden uitgegaan van een schenking, de in aanmerking genomen periode en het bedrag ontbreekt.
4.9.
Ook de op 24 april 2026 betekende dagvaarding ten behoeve van de bodemprocedure biedt geen aanknopingspunt voor een vorderingsrecht van [gedaagde] . De dagvaarding is heel summier opgesteld, bevat geen enkele productie of een aankondiging daarvan, en ook een bewijsaanbod ontbreekt.
4.10.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de gepretendeerde vordering op [eiseres] wegens gebrek aan concretisering en onderbouwing summierlijk ondeugdelijk is.
Belangenafweging
4.11.
De voorzieningenrechter ziet daarom voldoende grond om het beslag op de onroerende zaak op te heffen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.
4.12.
[eiseres] heeft verklaard dat zij de onroerende zaak heeft verkocht aan een derde en dat de levering op 15 juni 2026 plaatsvindt, zodat zij er belang bij heeft dat het beslag vóór de leveringsdatum wordt opgeheven. Zeker in het licht van de schending van artikel 21 Rv Pro en de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] , weegt het belang van [eiseres] bij opheffing van het beslag zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van het beslag in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
heft op het op 10 april 2026 ten laste van [eiseres] gelegde beslag op de onroerende zaak gelegen aan de Oud-[adres] in [woonplaats 1] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.
2091 / 2009