Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
10/029800-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 51g Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk stichten van brand bij de woning van zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner op 29 januari 2026. Door het brandstichten ontstond levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aanwezige personen, evenals gemeen gevaar voor goederen in de woning en omliggende panden.

De verdachte bekende het feit, waarbij hij met een jerrycan benzine en aanstekers de voordeur in brand stak, wetende dat dit de enige vluchtroute was voor drie appartementen achter die deur. De rechtbank oordeelde dat het opzet van de verdachte zich richtte op het brandstichten zelf, niet noodzakelijkerwijs op de gevolgen daarvan. De verdediging stelde dat er slechts sprake was van voorwaardelijk opzet op levensgevaar, maar dit werd verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 28 maanden op, lager dan de eis van 42 maanden, mede vanwege het inzicht en de verantwoordelijkheid die verdachte toonde tijdens de zitting. Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende concretisering en te late indiening. De rechtbank veroordeelde verdachte tot de straf met aftrek van voorarrest en legde proceskostenveroordelingen op aan de benadeelde partijen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/029800-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Datum zitting: 13 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ([geboorteland])
ingeschreven op het adres
[adres 1]
gedetineerd in [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. M.D.A. Stam
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor opzettelijke brandstichting bij de woning van zijn exvriendin en haar nieuwe partner. Door de brandstichting heeft de verdachte levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 28 maanden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – opzettelijk brand heeft gesticht waardoor er gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Rotterdam,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een
ontbrandbare vloeistof in de dichte nabijheid van/voor het pand gelegen aan [adres 2]
[adres 2] in aanraking te brengen met open vuur,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemd pand en/of in
voornoemd pand aanwezige goederen en/of in de naastgelegen/omringende
woningen/panden aanwezige goederen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de aanwezige personen in de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de
aanwezige personen in de naastgelegen/omringende woningen/panden te duchten
was;

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging voert wel aan dat de verdachte geen vol opzet heeft gehad op het veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, maar hooguit voorwaardelijk opzet. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, waardoor gevaar voor de (goederen in de) woning en de omliggende woningen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen in die woningen is ontstaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Bekennende verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, forensisch onderzoek [3]
2.3.2.
Bewijsmotivering
Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij opzettelijk brand heeft gesticht. Het opzet van de verdachte behoeft slechts te zijn gericht op het brandstichten zelf en niet op het teweegbrengen van de tenlastegelegde gevolgen (HR 8 juli 1992, NJ 1993/13).
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 29 januari 2026 te Rotterdam,
opzettelijk
brand heeft gesticht, door een
ontbrandbare vloeistof voor het pand gelegen aan [adres 2]
[adres 2] in aanraking te brengen met open vuur,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en in
voornoemd pand aanwezige goederen en in de omringende
woningen aanwezige goederen te duchten was
en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de aanwezige personen in de woning gelegen aan de [adres 2] en de
aanwezige personen in de omringende woningen te duchten
was;

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat, erop gelet dat er geen sprake is van letsel, de bandbreedte van de richtlijn van het Openbaar Ministerie tussen de 24 en 30 maanden gevangenisstraf ligt, zodat de eis te hoog ligt. Daarbij komt dat de verdachte geen relevante documentatie heeft en dat hij inzicht heeft gegeven in zijn handelen. De verdediging verzoekt ten aanzien van de straf aansluiting te zoeken bij vergelijkbare zaken (zoals ECLI:NL:RBNHO:2026:4130). Daarnaast verzoekt de verdediging om rekening te houden met de onmogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling in het geval van de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht bij de woning van zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner. De verdachte is in de nachtelijke uren, doelbewust met een jerrycan met benzine en een groot aantal aanstekers naar de woning gefietst. Bij de voordeur van de woning heeft de verdachte kledingstukken overgoten met benzine en in brand gestoken waardoor de voordeur en de deurmat vlam hebben gevat. Daarna is de verdachte weggevlucht.
De verdachte wist dat er drie appartementen gelegen waren achter de voordeur die hij in brand heeft gestoken. Ook wist hij dat deze voordeur de enige vluchtroute was voor de bewoners van de drie appartementen. Door in de nachtelijke uren – een tijdstip waarop het te verwachten is dat er personen in de woningen aanwezig zijn en dat zij op dat moment slapen – brand te stichten en daarmee de enige aanwezige vluchtroute te versperren, heeft de verdachte het risico genomen dat personen gewond zouden raken of zelfs zouden komen te overlijden. Hierbij valt niet alleen te denken aan het vuur, maar ook aan giftige gassen die hierbij ontstaan.
Daarnaast veroorzaakt een dergelijke brandstichting maatschappelijke onrust en een groot gevoel van onveiligheid voor de bewoners en de buurtbewoners. Dit blijkt ook uit de verklaring van de ex-vriendin van de verdachte. Zij slaapt slecht en heeft last van nachtmerries.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet de intentie had om grote schade of leed te veroorzaken. Echter, het feit dat grotere schade en letsel of erger zijn voorkomen, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze zijn lager dan de door het Openbaar Ministerie gehanteerde richtlijn van 3 tot 4 jaar.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor- en inzicht heeft gegeven in zijn handelen. Om deze redenen wordt een gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Vordering van de benadeelde partijen

5.1.
Vordering [benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend zonder daarbij een schadebedrag te noemen.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat [benadeelde partij 1] niet aanwezig was in de woning tijdens de brandstichting. Hierdoor heeft hij geen aantoonbare rechtstreekse (immateriële) schade geleden.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Immateriële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering nu de omvang noch grondslag daarvan is geconcretiseerd. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging tegen de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
5.5.
Vordering [benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend zonder daarbij een schadebedrag te noemen. Na het requisitoir van de officier van justitie, heeft de benadeelde partij ten aanzien van het schadebedrag aansluiting gezocht bij hetgeen de officier van justitie hierover naar voren heeft gebracht.
5.6.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.7.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat er in eerste instantie geen geconcretiseerde vordering is ingediend en – in strijd met artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering – het alsnog gevorderde schadebedrag pas ná het requisitoir bekend is gemaakt, wat volgens dit artikel te laat is.
5.8.
Oordeel van de rechtbank
5.8.1.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een onvoldoende bepaalde vordering tot schadevergoeding ingediend. Voor zover deze vordering ter terechtzitting is geconcretiseerd door verwijzing naar het standpunt van de officier van justitie is dit te laat gebeurd omdat dit na het requisitoir van de officier van justitie is gedaan. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging tegen de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 28 (achtentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de [benadeelde partij 1] in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de [benadeelde partij 2] in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [proces-verbaalnummer 1].
2.Verklaard tijdens de zitting van 13 mei 2026.
3.Pagina 20 e.v. van het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2], met fotobijlage.