De rechtbank Rotterdam heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 9 februari 2026 te Rotterdam bijna 2 kilogram heroïne bij zich had en beschikte over een personenauto met een verborgen ruimte, bestemd om opsporing te bemoeilijken.
De verdachte, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, bekende de feiten. Hij verklaarde dat hij de drugs had aangenomen op verzoek van een persoon in Duitsland om schulden af te lossen, en dat hij wist dat er drugs in de tas zaten, maar niet dat het bijna 2 kilo heroïne betrof. De auto was uitgerust met een speciale verborgen ruimte om de drugs te verbergen.
De rechtbank achtte de feiten bewezen en strafbaar. Gelet op de ernst van de feiten, de aanzienlijke hoeveelheid drugs en het gebruik van een verborgen ruimte, werd een gevangenisstraf noodzakelijk geacht. De rechtbank hield rekening met de jonge leeftijd van de verdachte, zijn blanco strafblad en zijn proceshouding, en legde een gevangenisstraf van 7 maanden op, lager dan de eis van 12 maanden.
Daarnaast werd de auto met de verborgen ruimte onttrokken aan het verkeer, omdat deze was ingericht om strafbare feiten te faciliteren. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht, werd in mindering gebracht op de straf.