Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6821

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
10.231540.17
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweerexces bij poging zware mishandeling

De rechtbank Rotterdam heeft bewezen verklaard dat de verdachte in maart 2016 heeft gepoogd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een metalen buis te slaan op hoofd, arm en hand. De verdediging voerde een beroep op noodweerexces aan, omdat de verdachte werd aangevallen door aangever en in paniek handelde.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich in een acute noodsituatie bevond en zich mocht verdedigen tegen de aanval. Hoewel de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreed door meerdere klappen met de metalen buis toe te brengen, was deze overschrijding het gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voortdurende aanval en eerdere incidenten binnen de gemeenschap.

Hierdoor slaagde het beroep op noodweerexces en werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf werd opgelegd en artikel 9a Sr niet van toepassing was.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweerexces.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.231540.17
Datum zitting en mondeling uitspraak: 26 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. L. Hu
Officier van justitie: mr. E.M. Loppé
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gepoogd [aangever] (hierna: aangever) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te slaan met een metalen buis tegen zijn hoofd, arm en hand. Het beroep van de verdediging op noodweerexces slaagt, omdat er door de voortdurende aanval op de verdachte in samenhang met de voorafgaande incidenten, een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte is ontstaan en het slaan van de aangever daar het gevolg van was. De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – heeft gepoogd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel aangever heeft mishandeld door met een metalen buis te slaan tegen zijn hoofd, arm en hand.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
primair
hij op of omstreeks 24 maart 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hij die [slachtoffer] met een metalen staaf (althans een hard voorwerp) meermalen op/tegen het hoofd en/of meermalen tegen de arm en/of een hand heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 maart 2016 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen met een metalen staaf, althans een hard voorwerp, meermalen op/tegen het hoofd en/of meermalen op tegen een arm en/of een hand te slaan.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het
primairtenlastegelegde. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het
primairtenlastegelegde. Ten aanzien van het
subsidiairtenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte heeft gepoogd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Op 24 maart 2016 kwam ik [slachtoffer] tegen. Ik heb hem geslagen.
2.
Verklaring van de verdachte [3]
Ik heb die man geslagen met een ijzeren staaf van 40 á 50 centimeter lang. Ik heb die man vier of vijf klappen gegeven.
3. Deskundigenverslag [4] Medische Informatie / Letselbeschrijving
[slachtoffer]
Het dossier vermeldt de aanwezigheid van meerdere (niet nader gespecificeerde) verwondingen in het aangezicht en op de schedel. Röntgenonderzoek toonde een breuk in de linker onderarm (de ellepijp) en in de linker middelvinger. Betrokkene werd ter observatie opgenomen. Letsels aan het hoofd werden met hechtingen gesloten. Er werd een bovenarmsgips aangelegd.
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 24 maart 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hij die [slachtoffer] met een metalen staaf op/tegen het hoofd en tegen de arm en een hand heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
poging zware mishandeling
3.2.
Strafbaarheid
3.2.1.
Strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
3.2.2.
Strafbaarheid van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging voert aan dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt dan wel een geslaagd beroep op noodweerexces. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Primair stelt de verdediging dat er sprake was van een noodweersituatie en dat aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan. De confrontatie is niet door de verdachte opgezocht maar hem opgedrongen door aangever. Toen de aanval van de aangever was ingezet, bevond de verdachte zich in een acute noodsituatie waarin van hem niet kon worden verlangd dat hij zich daaraan zou onttrekken. De verdachte heeft teruggeslagen met de metalen staaf en hierbij de grenzen van noodzakelijke verdediging niet overschreden. Subsidiair stelt de verdediging, indien de rechtbank van oordeel is dat de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging wel heeft overschreden, dat deze overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige door de aanval veroorzaakte gemoedsbeweging en dus sprake was van een situatie van noodweerexces.
Standpunt van de officier van justitie
Van een noodweersituatie is geen sprake, zodat het beroep op noodweer en noodweerexces dient te worden verworpen. Dat de aangever de verdachte zou hebben aangevallen vindt geen steun in het dossier.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank dient vast te stellen wat er de desbetreffende dag is gebeurd. Aangever heeft bij de politie en later ook bij de rechter-commissaris over het incident verklaringen afgelegd. Deze verklaringen verschillen op essentiële punten van elkaar, onder andere over wat voor slagwapen is gebruikt en wat de rol zou zijn geweest van de medeverdachte. Dit maakt dat de rechtbank deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar vindt en onbruikbaar acht voor de vaststelling van de feiten. De verdachte heeft ook meerdere verklaringen afgelegd over het incident. Deze verklaringen zijn consistent en eenduidig. De rechtbank zal daarom uitgaan van de lezing van de verdachte over het gebeurde.
De verdachte heeft verklaard dat hij onderweg naar huis een groep mensen zag die hij kende van eerdere incidenten. De aangever kwam uit deze groep met een andere man op hem af en vervolgens werd hij aangevallen door de aangever met een metalen staaf. Op enig moment wist hij deze staaf van de aangever af te pakken. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat achter hem auto’s en fietsen geparkeerd stonden waardoor er weinig ruimte was en hij niet weg kon. Vervolgens probeerde de aangever de verdachte met zijn vuisten te slaan. Op dat moment heeft de verdachte de aangever met de metalen staaf geslagen.
De rechtbank stelt vast dat zich een situatie voordeed waarin de verdachte zichzelf mocht verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam door de aangever. De verdachte heeft evenwel door de wijze waarop hij zich heeft verdedigd – door meerdere keren te slaan met de metalen staaf tegen het hoofd en lichaam van de aangever - de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. De verdachte werd immers op dat moment door de aangever niet meer aangevallen met een (soortgelijk) voorwerp als een metalen staaf maar met diens blote vuisten. Het slaan met de metalen staaf door de verdachte stond daarmee niet in verhouding. Echter kan deze overschrijding de verdachte niet worden aangerekend. De verdachte heeft steeds verklaard dat hij in paniek was door de aanval van de aangever. De rechtbank begrijpt dat aan die paniek ook bijdroeg dat andere mannen in de omgeving aanwezig waren. De verdachte heeft daarover immers verklaard dat hij ondertussen achterom keek omdat hij bang was om te worden aangevallen door de vrienden van de aangever uit de groep. Voor die paniekreactie ziet de rechtbank steun in het dossier blijkens de voorgeschiedenis van meerdere gewelddadige incidenten waarvan ook de verdachte slachtoffer is geworden en die zich afspeelden binnen de gemeenschap, waarvan zowel de verdachte als de aangever onderdeel uitmaakten. De hevige gemoedsbeweging van de verdachte is daarmee rechtstreeks veroorzaakt door een van buiten komende oorzaak. Het overschrijden van de grenzen van noodzakelijke verdediging is de verdachte hierdoor niet te verwijten. Het beroep op noodweerexces slaagt. De verdachte is niet strafbaar. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.Vordering van de benadeelde partij

4.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 500,- als vergoeding voor materiële schade en € 5.155,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij dient voor het materiële deel niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat dit deel onvoldoende onderbouwd is met stukken. De immateriële schade dient begroot te worden op een bedrag van € 2.500,-.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de verdachte geen strafbare dader is ter zake het tenlastegelegde feit. Subsidiair, dient de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat deze onvoldoende is onderbouwd en dient de immateriële schade aanzienlijk gematigd te worden.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in diens vordering, omdat aan de verdachte geen straf, maatregel of zorgmachtiging wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast.

5.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

6.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. de Veld, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt gedoeld op paginanummers uit het procesdossier [proces-verbaalnummer 1].
2.Verklaard tijdens de zitting van 26 mei 2026.
3.Verklaard tijdens het verhoor van de politie van 19 april 2016, [proces-verbaalnummer 2], pagina 25 e.v. van het procesdossier.
4.Rapport FARR (Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond) opgesteld door [naam], forensisch arts, op 13 april 2016, pagina 13 van het procesdossier.