Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6845

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
10-016559-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor straatroof met geweld en poging tot woninginbraak in Rotterdam

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor een diefstal met geweld op straat en een poging tot diefstal in een woning, beide gepleegd in vereniging met anderen. Op 15 januari 2026 beroofde de verdachte samen met twee anderen het slachtoffer op de Spoorsingel te Rotterdam, waarbij geweld en bedreiging met een mes werden gebruikt. De volgende nacht probeerde de verdachte samen met een mededader in te breken in de woning van het slachtoffer.

De bewijsvoering bestond uit getuigenverklaringen van het slachtoffer, camerabeelden waarop de verdachte en mededaders herkenbaar waren, en een herkenning van de verdachte door de politie na aanhouding nabij de woning. De verdediging voerde een alibi aan, maar dit werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen.

De rechtbank kwalificeerde de feiten als diefstal met geweld en poging tot diefstal in een woning en achtte de verdachte strafbaar. Gezien de ernst van de feiten, de inzet van geweld, het gebruik van een mes, en het strafblad van de verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden op, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van onderbouwing en de onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het vonnis werd uitgesproken op 20 mei 2026 door de meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor straatroof met geweld en poging tot woninginbraak.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-016559-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Datum zitting: 23 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[slachtoffer] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. F. el Makhtari, waargenomen door mr. G.S.J. van Gestel
Officier van justitie: mr. R.J.E. Planken
Benadeelde partij: [benadeelde]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor een diefstal met geweld op straat en een poging tot diefstal in een woning, beide in vereniging gepleegd. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 15 maanden. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met anderen betrokken is geweest bij een diefstal met geweld op 15 januari 2026 en bij een poging tot een diefstal in een woning op 16 januari 2026.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
Feit 1
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, de Spoorsingel,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas (met als inhoud een mobiele telefoon en/of rijbewijs en/of bankpas en/of
autosleutels en/of huissleutels en/of kentekenbewijs), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- onverhoeds die [slachtoffer] van achteren in een wurggreep vast te pakken,
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op die [slachtoffer] af te
lopen en/of voor die [slachtoffer] te gaan staan en/of
- die [slachtoffer] naar de grond te werken;
Feit 2
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), enig goed en/of geld, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te
nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel,
-zich heeft begeven naar voornoemde woning,
-de voordeur van voornoemde woning heeft proberen te openen met een eerder door diefstal met geweld i.v. weggenomen huissleutel, althans een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was en/of
-heeft gestoten tegen de voordeur,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 15 januari 2026 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Spoorsingel,
tezamen en in vereniging met anderen, een tas met als inhoud een mobiele telefoon, rijbewijs, bankpas, autosleutels, huissleutels en kentekenbewijs, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:
- onverhoeds die [slachtoffer] van achteren in een wurggreep vast te pakken,
- met een mes op die [slachtoffer] af te lopen en voor die [slachtoffer] te gaan staan en
- die [slachtoffer] naar de grond te werken;
Feit 2
hij op 16 januari 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten aan de [adres] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, enig goed, dat aan [slachtoffer] toebehoorde
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- zich heeft begeven naar voornoemde woning,
- de voordeur van voornoemde woning heeft proberen te openen en
- heeft gestoten tegen de voordeur,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.3.2.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmiddelen voor feit 1
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] [2]
Ik ben beroofd onder bedreiging van een mes, van mijn schoudertas met daarin onder andere mijn Samsung S25 ultra. Ook is mijn rijbewijs, bankpas van ABN-Amro, autosleutels, huissleutels, kentekenbewijs van mijn Mercedes B-Klasse gestolen.
Op 15 januari 2026 even voor 01:30 uur liep ik vanaf mijn woning naar de Spoorsingel in Rotterdam. Ik zag dat twee mannen mij tegenmoet kwamen lopen. De eerste man omschrijf ik als man 1: een blanke man, kaal, ongeveer even groot dan mij. Ik ben 1.70 groot. Man 1 was gekleed in zwarte kleding. Ik schat man 1 einde 30 jaar oud.
Man 2 omschrijf ik als een blanke man die een stuk groter was dan man 1. Ik schat hem 2 meter groot. Man 2 schat ik ongeveer 35 tot 40 jaar oud. Man 2 had wel haar, maar in welke vorm of kleur weet ik niet meer. Man 2 droeg volgens mij ook donkere kleding.
Ik wilde eigenlijk weglopen, toen er plots een derde persoon mij van achteren in een soort van wurggreep nam. Deze derde man, man 3, kan ik omschrijven als een blanke man, ongeveer even groot dan man 2. Ik denk dat alle drie de mannen uit Oost-Europa komen.
Ik zag toen dat man 1 op mij afgelopen kwam met een mes in zijn hand. Het lemmet van dit mes was ongeveer 10 tot 15 cm lang. Hij stond vlak voor mij. Voordat ik het wist lag ik op de grond en was mijn schoudertas verdwenen.
Ik ben hen achterna gelopen. De drie mannen liepen van de Klein-Coolstraat naar het Baljuwplein. Dit was aan de linkerzijde van de Klein-Coolstraat. Na het Baljuwplein zag ik dat ze de Walenburgerweg overstaken in de richting van de Schepenstraat. Ze bleven wel op de Walenburgerweg lopen in de richting van het Bentinckplein. Ik zag dat ze bij de supermarkt Dirk, weer terug de Walenbugerweg overstaken in de richting van de Statentunnel.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Ik was belast met het bekijken van camerabeelden.
C5002 - Spoorsingel - Harddraverstraat-2026-01-15_01 h30min00s000ms.g64Ik zag dat het camerabeeld zicht gaf op de openbare ruimte vanaf de kruising van de Spoorsingel met de Harddraverstraat, over de Spoorsingel in de richting van de Klein-Coolstraat. Ik zag dat er beeld beschikbaar was vanaf 01:30 uur tot 01:43 uur op 15 januari 2026.
Ik zag dat vanuit links, komende uit de Harddraverstraat, op 01:30 uur een persoon de Spoorsingel inliep in de richting van de Klein-Coolstraat. Ik vermoed dat dit het slachtoffer betrof. Ik zag dat vanuit rechts op 01:31 uur twee personen in beeld verschenen, lopend over het voetpad rechts van de Spoorsingel gaande in de richting van de Klein-Coolstraat.
Ik zag dat deze personen de volgende signalementen hadden:
NN1
- kleiner dan NN2;
- donkere bovenkleding met capuchon op;
- donkere lange broek;
- lichte schoenen.
NN2
- langer dan NN1;
- donkere bovenkleding met capuchon op;
- lichtblauwe lange broek;
- lichte schoenen.
Ik zag dat op 01:32 uur het slachtoffer de Spoorsingel overstak en in het donker verdween. Ik zag dat NN1 en NN2 in de richting van het slachtoffer bleven lopen en in het donker uit beeld verdween. Ik zag dat hierna diverse contouren van personen in het donker bewogen.
C5008 - Stationsingel thv 39-2026-01-15_01 h39min45s000msIk zag dat op 01:40 uur bewegende schimmen zichtbaar werden op het Statenpad. Ik zag dat het duidelijk werd dat deze schimmen de personen NN1, NN2 en NN3 waren, zoals beschreven bij het volgende camerabeeld.
B4090 - Provenierstunnel NZ boven fietspad-2026-01-15_01h42min43s000msIk zag dat deze persoon een overeenkomstig signalement had als de eerdergenoemde NN2 en dat dit camerabeeld meer details weergaf dan het andere camerabeeld. Ik kan derhalve het signalement van NN2 aanvullen:
NN2:
- man,
- langer dan NN1,
- witte huidskleur;
- tengere lichaamsbouw;
- geen gezichtsbeharing;
- zwarte pet met oranje opdruk;
- zwarte trui met capuchon;
- zwarte horizontaal gewatteerde jas;
- zwarte handschoenen;
- loszittende lange blauwe spijkerbroek;
- beige schoenen.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Op 15 januari 2026 kregen wij de opdracht om te gaan naar de Spoorsingel. Hier zou een man zojuist beroofd zijn. De verdachten zijn gezien op camera's van cameratoezicht. Van deze beelden zijn stills gemaakt. Deze stills zijn getoond aan het slachtoffer. Ik verbalisant [naam verbalisant] hoorde het slachtoffer zeggen dat dit 100 procent zeker de mannen waren die hem beroofd hadden.
Bewijsmiddelen voor feit 2
4.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] [5]
Op 16 januari 2026 lag ik te slapen in mijn woning aan de [adres] in Rotterdam en werd ik rond 02:30 uur wakker van gerommel aan de voordeur. Ik kan dit gerommel omschrijven als stoten tegen mijn voordeur. Ik hoorde toen ook duidelijk meerdere mannenstemmen. Ik ben vervolgens naar de slaapkamer boven het souterrain gelopen. Vanuit de ramen van deze slaapkamer heb ik goed zicht over de straat en ook op het trottoir voor de voordeur. Ik zag gelijk twee mannen staan, welke naar de voordeur aan het kijken waren. Deze mannen stonden op ongeveer een afstand van 2 meter van mij vandaan. Ik herkende beide mannen voor 100% als zijnde twee van hen die mij gisteren op de Spoorsingel hadden beroofd. Ik zag dat de twee mannen die nu voor mijn woning stonden, er één klein van lengte was en deze heb ik in mijn aangifte van de beroving omschreven als man 1. Ik zag dat de andere man die nu voor mijn woning stond een stuk groter was dan man 1 en dat hij iets op zijn hoofd had. Omdat man 2 en 3 in mijn aangifte van de beroving veel op elkaar leken, wist ik nu niet of deze langere man, man 2 of man 3 was van de eerdere aangifte. Ik herkende beiden wel voor 100% van de beroving.
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
Ik ben op 15 januari 2026 ter plaatse geweest bij de melding van de straatroof aan de Spoorsingel te Rotterdam. Hierbij waren camerabeelden ter beschikking gesteld van de verdachte. Ik heb deze toen tot mij genomen.
Op 16 januari 2026 kwamen wij na een melding omstreeks 2.40 uur ter plaatse op de Spoorsingel te Rotterdam. Ik zag op de Spoorsingel een man lopen op dezelfde locatie als waar gisteravond de straatroof was gepleegd. Ik zag dat deze man uit de richting gelopen kwam van de [adres] . Ik zag dat dit op ongeveer 20 tot 30 meter vanuit de Harddraverstraat was. Ik zag dat de man het volgende signalement had:
- man;
- blanke huidskleur;
- rond de 190 centimeter lang;
- rond de 20 jaren oud;
- zwarte jas;
- zwarte pet met rode opdruk;
- blauwe jeans;
- licht bruine schoenen.
Ik hield de man staande en herkende de man als één van de verdachten die ik op de camerabeelden van de straatroof had gezien die was gepleegd op 15 januari 2026.
Bewijsmiddel voor feit 1 en 2
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
Op 18 januari 2026 heb ik de collega's van de arrestantentaken gevraagd een foto te maken van de kleding die de verdachte [slachtoffer] bij zich had en aan had op het moment van de aanhouding op 16 januari 2026. Ik ontving de foto met hierop zijn jas, schoenen en pet. Ik zag dat de kleding van bovenstaande foto overeenkwam met de foto die afkomstig is van de veiliggestelde camerabeelden.
2.3.3.
Bewijsmotivering
Uit de aangifte blijkt dat er drie personen betrokken waren bij de beroving van aangever op straat op 15 januari 2026 omstreeks 1.30 uur. De aangever is de overvallers gevolgd tot de Walenburgerweg. De verdachten liepen toen richting de Statentunnel. Op camerabeelden die beschikbaar zijn van genoemde dag in het tijdsbestek van 1.30 tot 1.43 uur zijn drie personen te zien, samen komend uit de richting waar de aangever ze uit het oog is verloren. De personen die op de beelden zijn te zien kunnen passen in de beschrijving die aangever van de overvallers heeft gegeven. Bovendien zijn stills van de camerabeelden zeer kort na het feit aan de aangever getoond, waarbij de aangever verklaarde de mannen op de beelden voor honderd procent te herkennen als de personen die hem hebben beroofd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de drie mannen op de camerabeelden dezelfde mannen zijn als die de aangever op straat hebben beroofd.
Op 16 januari 2026 ’s nachts vindt een poging tot inbraak plaats in de woning van de aangever. De aangever verklaart dat hij vanuit zijn woning goed zicht had op de twee mannen die voor zijn woning stonden en dat hij hen herkende als dezelfde personen als die hem die nacht daarvoor hadden beroofd. De verdachte wordt die nacht en zeer kort na deze poging inbraak in de directe omgeving van die woning staande gehouden door de politie. Door de betreffende verbalisant wordt hij herkend als een van de personen die ook op de camerabeelden van die nacht ervoor te zien is. Na de aanhouding van de verdachte is de kleding die hij aan had bij zijn aanhouding vergeleken met de kleding van NN2 op de camerabeelden. Dit kwam volledig met elkaar overeen. Er heeft aldus een herkenning plaats gevonden van de verdachte in persoon met de persoon op de beelden en een vergelijking van de kleding van de verdachte bij aanhouding en van de persoon die op de beelden is te zien en wordt aangeduid als NN2. Anders dan de verdediging aanvoert, acht de rechtbank de herkenning van NN2 als dezelfde persoon als de verdachte voldoende overtuigend.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande dus vast dat de verdachte de persoon is die op de camerabeelden wordt aangeduid als NN2 en concludeert dat de verdachte een van de drie personen was die aangever in de nacht van 15 januari 2026 heeft beroofd. Het verweer van de verdediging dat de verdachte voor die nacht een alibi heeft opgegeven en dat daar ten onrechte geen onderzoek naar is gedaan, wordt verworpen. Gelet op de bewijsmiddelen is dat alibi volstrekt ongeloofwaardig.
Op basis van de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank eveneens dat de verdachte een van de (in ieder geval twee) personen was die in de nacht van 16 januari 2026 heeft geprobeerd in te breken in de woning van de aangever. Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking de herkenning door de aangever van de inbrekers als dezelfde personen als die hem die nacht ervoor hadden beroofd en de aanwezigheid van de verdachte kort na de poging tot inbraak in de buurt van de woning van de aangever.
Over de reden van zijn aanwezigheid nabij de woning van de aangever in de nacht van 16 januari 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij aan het wandelen was. Hij wilde desgevraagd geen antwoord geven op de vraag waar hij vandaan kwam of hoe hij daar gekomen was. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt niet geloofwaardig. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de verdachte zich op dat moment op 2 uur loopafstand van het door hem opgegeven verblijfsadres bevond.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2
poging tot diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
3.2.
Strafbaarheid de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte moet, in geval van een veroordeling, maximaal tot een gevangenisstraf van 9 maanden worden veroordeeld.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met twee anderen ’s nachts schuldig gemaakt aan een straatroof. Hierbij is geweld tegen de aangever gebruikt en een mes getoond. Dit moet voor de aangever al zeer beangstigend zijn geweest. De volgende nacht maakt de verdachte zich echter ook nog schuldig aan een poging diefstal in de woning van de aangever, iets waar de aangever al bang voor was nu onder meer zijn huissleutels bij de straatroof waren gestolen. Een woning is bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Het is algemeen bekend dat strafbare feiten als deze een grote impact hebben op de slachtoffers en de gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterken.
4.3.2.
Strafblad
Uit het Letse strafblad van de verdachte van 27 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zoals deze onder meer volgen uit de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverzwarende zin wordt meegenomen dat de feiten in vereniging zijn gepleegd, ’s nachts, op de openbare weg en bij een woning, en dat er geweld is gebruikt, waarbij ook een mes is getoond. Ook wordt in aanmerking genomen dat de verdachte al meermaals is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Alles afwegende komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, en wel tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde]
Voor alle feiten is € 2.101,15 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
Hoewel de vordering niet is onderbouwd met stukken, staat vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden. De officier van justitie geeft de rechtbank in overweging gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid ten aanzien van de materiële schade. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering of de vordering moet worden afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd. Als de rechtbank de schattingsbevoegdheid inzet, moet de vordering gematigd worden tot maximaal € 500,-.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële en immateriële schade
De vordering is niet met stukken onderbouwd en is gemotiveerd betwist door de verdediging. De beoordeling van de vordering vraagt aldus om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 47, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 15 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feiten 1 en 2).

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.
Mr. Karakus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummers [nummer proces-verbaal 1] en [nummer proces-verbaal 2] .
2.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
3.Pagina 10 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
4.Pagina 6 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
5.Pagina 26 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .
6.Pagina 29 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .
7.Pagina 34 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] .