Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6856

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/2695
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 APV RotterdamArt. 3:9a APV Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting woning wegens illegale seksinrichting voor drie maanden bevestigd

De burgemeester van Rotterdam besloot de woning van eiser te sluiten vanwege de exploitatie van een illegale seksinrichting zonder vergunning. Na een spoedsluiting van één maand werd de sluiting verlengd tot drie maanden. Eiser voerde bezwaar aan tegen deze besluiten, onder meer met het argument dat hij niet verantwoordelijk was voor de illegale activiteiten en dat de sluiting onevenwichtig was gezien zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De aanwezigheid van meerdere vrouwen die aangaven in de prostitutie te werken en de aanloop van klanten vormden een ernstige situatie. De burgemeester volgde het beleid uit de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015, waarin een spoedsluiting van één maand gevolgd door een verlenging tot drie maanden is voorzien.

De rechtbank weegt ook de persoonlijke omstandigheden van eiser mee, waaronder zijn psychische problematiek en detentieverleden, maar stelt dat hij als huurder verantwoordelijk is voor wat er in zijn woning gebeurt. Het feit dat hij de woning aan een derde ter beschikking stelde zonder toezicht, weegt zwaar. De civielrechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de eigenaar is niet uitsluitend het gevolg van de sluiting.

De rechtbank concludeert dat de belangen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de drie maanden durende sluiting van de woning wegens illegale prostitutie en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2695

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.C. Lensen),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de burgemeester

(gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning van eiser aan de [adres] in [woonplaats] voor de duur van drie maanden. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning voor drie maanden noodzakelijk en evenwichtig was
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 25 september 2024 (het primaire besluit I) heeft de burgemeester met spoed besloten om eisers woning aan de [adres] te sluiten, omdat in de woning sprake was van een illegale seksinrichting.
2.2.
Met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit II) heeft de burgemeester de sluiting van de woning verlengd voor de duur van twee maanden.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Eiser huurde sinds 5 november 2021 de woning aan de [adres] in [woonplaats] . [stichting] is de eigenaar van de woning.
3.2.
In september 2024 zijn er diverse meldingen geweest over illegale prostitutie vanuit de woning. Naar aanleiding daarvan is een onderzoek ingesteld en zijn politieambtenaren op diverse momenten bij de woning geweest. De bevindingen zijn neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 25 september 2024. Op 21 september 2024 trof de politie na een melding over een mishandeling van een Roemeense vrouw door haar vriend, deze vrouw in de woning aan. Daarnaast heeft de politie drie andere Roemeense vrouwen aangetroffen in de woning, die verklaarden werkzaam te zijn in de prostitutie. De politie trof vervolgens vijf vrouwen aan. Deze vrouwen verklaarden allen werkzaam te zijn in de prostitutie. Zij verklaarden € 120,- per persoon per dag aan een tussenpersoon te betalen, als huur voor de woning. Vier van de vrouwen verklaarden dat zij vrijwillig dit werk doen. Een van de vrouwen verklaarde zojuist drugs te hebben gebruikt en dit werk niet meer te willen doen. Zij is opgevangen door de politie. Op de website [naam website] werd een drietal advertenties van de aanwezige vrouwen aangetroffen. Hierbij stond onder andere vermeld dat de vrouwen 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikbaar zijn. Tijdens de verschillende huisbezoeken in september 2024 heeft de politie verder, naast het aantreffen van meerdere vrouwen, de volgende voorwerpen waargenomen in de woning: een open koffer met lingerie in de woonkamer, een open vuilnistas met zakdoeken en gebruikte condooms in de slaapkamers, een doosje condooms en een flesje glijmiddel. Voor eisers adres was geen vergunning verleend voor de exploitatie van een seksinrichting.
3.3.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester met het besluit van 25 september 2024 de woning met spoed voor de duur van één maand gesloten (op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012, hierna: APV). Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van dit besluit. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 17 oktober 2024 afgewezen (ROT 24/9195).
3.4.
De burgemeester heeft met het besluit van 24 oktober 2024 een verlenging van de sluiting van de woning noodzakelijk geacht om de openbare orde te herstellen (op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV). De sluiting is verlengd tot een totale duur van drie maanden. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van dit besluit. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 2 december 2024 afgewezen (ROT 24/10102).
3.5.
Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen voornoemde besluiten.
3.6.
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De burgemeester heeft daarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen.

Relevante wet- en regelgeving

4. Op grond van artikel 3:3, eerste lid, van de APV is het verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.
4.1.
Op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning danwel een van de in artikel 3:9, tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.
4.2.
In de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015 heeft de burgemeester zijn beleid voor het sluiten van een seksinrichting in een woning neergelegd. Hieruit volgt dat in het geval een illegale seksinrichting wordt aangetroffen de woning in principe drie maanden wordt gesloten. Na de constatering van een seksinrichting wordt allereerst overgegaan tot een spoedsluiting van één maand, waarna de zienswijzeprocedure wordt opgestart. De burgemeester kan besluiten dat de woning slechts één maand gesloten blijft, wanneer de pandeigenaar met concrete maatregelen de illegale situatie heeft beëindigd. Deze sluiting kan vervolgens worden verlengd tot drie maanden, wanneer er ondanks de maatregelen van de pandeigenaar toch overlast en loop op de woning wordt geconstateerd.

Beoordeling door de rechtbank

Noodzakelijkheid
5. Eiser voert aan dat onvoldoende is gebleken dat er sprake was van een
zodanige aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat rondom de woning
dat een sluiting voor de duur van drie maanden noodzakelijk was. De burgemeester had, gegeven de omstandigheden, kunnen volstaan met een minder vergaande maatregel.
5.1.
Bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
5.2.
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er aanloop was van mannen op de woning. Er is in de woning een aantal vrouwen aangetroffen en zij hebben verklaard werkzaam te zijn in de prostitutie. Daarbij komt dat er tenminste een vrouw werkzaam was die heeft verklaard niet langer als prostituee werkzaam te willen zijn. Zoals de voorzieningenrechters ook hebben geoordeeld, heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat de sluiting is gericht op het herstel van de openbare orde en op het voorkomen van een verdere verstoring van de openbare orde. Er was sprake van een ernstige situatie, zodat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verlenging van de sluiting noodzakelijk was. Verder wordt met de sluiting een signaal afgegeven dat het geconstateerde feit onacceptabel is en wordt beoogd de bekendheid van de locatie als een locatie waar seksuele diensten worden aangeboden ongedaan te maken. De rechtbank merkt, net als de voorzieningenrechter, daarbij op dat het door eiser verwijderen van de stickers gedurende de spoedsluiting afbreuk heeft gedaan aan dit signaal. Gelet op de ernst van de situatie, heeft de burgemeester het noodzakelijk mogen achten om de woning langer dan één maand te sluiten, om op die manier definitief een eind te maken aan de aanloop op de woning. In wat eiser naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank, net als de voorzieningenrechters, geen aanleiding om, in afwijking van de Nota, de sluiting van de woning in duur te beperken. In de Nota staat immers beschreven dat de burgemeester eerst besluit tot een spoedsluiting van één maand, waarna de zienswijzeprocedure wordt doorlopen. Vervolgens kan de burgemeester de woningsluiting verlengen met twee maanden. In dit geval heeft de burgemeester de in de Nota omschreven stappen doorlopen.
Evenwichtigheid
6. Eiser voert aan dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden onevenwichtig was in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Hij verbleef in de periode voorafgaand aan september 2024 tijdelijk bij zijn vriendin en had geen zicht op wat er in zijn woning afspeelde. Hij had toen tijdelijk onderdak geboden aan [persoon A] , die destijds dakloos was. [persoon A] erkent dat hij volledig verantwoordelijk was voor de illegale prostitutie in de woning en dat dit zonder medeweten van eiser heeft plaatsgevonden.
Volgens eiser is in het kader van de beoordeling van de (mate van) verwijtbaarheid en dus de zorgplicht ook zijn psychische en mentale toestand van belang. [1] Gelet op eisers gediagnosticeerde PTSS, kan van hem niet dezelfde mate van oplettendheid worden verwacht als van een gemiddeld persoon. Hij verwijst hierbij naar het meest recente behandelplan van [persoon B] , psycholoog bij [naam zorginstelling 1] te Rotterdam en een verklaring van [persoon C] , praktijkondersteuner huisarts bij [naam zorginstelling 2] en nauw betrokken bij de behandeling van eiser. Uit deze laatste verklaring volgt dat eiser door zijn (psychische) problematiek moeite heeft met het overzien van de gevolgen van zijn handelen. Verder is van belang dat eiser een detentieverleden heeft en reeds vanaf 2021 bezig is met zijn leven weer op de rails te krijgen. Stichting Humanitas heeft eiser samen met de reclassering ondersteund bij dit traject en het vinden van een bijpassende woning door middel van een urgentieverklaring. De sluiting van de woning heeft grote gevolgen gehad voor het re-integratietraject dat eiser aan het doorlopen is. Hoewel de bezwaarschriftencommissie heeft overwogen dat de ontbinding van de huurovereenkomst door [stichting] geen direct gevolg is van de sluiting op last van de burgemeester, is het onmiskenbaar dat de sluiting gevolgen heeft voor het verdere verloop van de civielrechtelijke ontbindingsprocedure. Daarnaast zal eiser bij handhaving van het bestreden besluit op een 'zwarte lijst' worden geplaatst en zal de sluiting wegens illegale prostitutie een aanzienlijke impact hebben op de toekomstige mogelijkheden van eiser om woonruimte te verkrijgen. Aan deze gevolgen dient zwaarwegende betekenis te worden toegekend, aldus eiser.
6.1.
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlenging van de sluiting van de woning noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
6.2.
Net als de voorzieningenrechters, volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat hem niet kan worden verweten dat [persoon A] in zijn afwezigheid en zonder dat hij daarvan wist in zijn woning een illegale seksinrichting heeft ingericht. Eiser is als huurder zelf verantwoordelijk voor wat er in zijn woning gebeurt als hij zijn woning beschikbaar stelt aan een derde, ook als hij afwezig is. Hij heeft er zelf voor gekozen de woning in gebruik te geven aan – zoals hij stelt – een vriend. Het was dan ook aan eiser om te controleren wat er in zijn woning gebeurde tijdens zijn afwezigheid. Eiser stelt al te weinig om daar anders over te oordelen. Hij stelt bijvoorbeeld niet waar hij en [persoon A] elkaar van kenden, hoe vaak zij contact hadden, hoe lang [persoon A] al dakloos was en welke alternatieven er waren voor het volledig in gebruik geven van de woning aan [persoon A] . Eiser heeft bijvoorbeeld ook geen redenen gegeven waarom hij [persoon A] niet in de woning bezocht ondanks dat dit een vriend zou zijn die hulp nodig had.
6.3.
De burgemeester stelt zich verder terecht op het standpunt dat de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:314) hem niet kan baten, omdat de daarin weergegeven situatie niet vergelijkbaar is met de situatie van eiser. In tegenstelling tot de situatie zoals die voordeed in de uitspraak van de Afdeling, komt in de bestuurlijke rapportage naar voren dat er sprake was van overlast in de omgeving door aanloop op de woning en ruzie. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich in een dermate kwetsbare positie bevond dat hij niet in staat was om te verhinderen wat er in zijn woning is gebeurd.
6.4.
Het gevolg van een sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. [stichting] heeft in dit geval al voordat de burgemeester besloot tot verlenging van de woningsluiting aangekondigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Uit de brief van [stichting] van 26 september 2024 volgt dat eiser in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden die daarop van toepassing zijn, omdat hij de woning bedrijfsmatig gebruikt en/of laat gebruiken, hij zijn hoofdverblijf daar niet hield en hij de woning heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven aan derden en dit redenen zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. De civielrechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst is dus niet (alleen) omdat de woning voor drie maanden door de burgemeester is gesloten.
6.5.
Het is mogelijk dat eiser op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan, waardoor hij gedurende een aantal jaren niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. De rechtbank begrijpt dat de gevolgen van het besluit groot zijn voor eiser, die na een eerdere detentie zijn leven met behulp van hulpverleners weer op de rit had en ook een woning had gekregen. Toch is de rechtbank, net als de voorzieningenrechters, van oordeel dat de verlenging van de woningsluiting niet onaanvaardbaar was. Het had immers op de weg van eiser gelegen om iemand niet zonder toezicht in zijn woning te laten verblijven. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de sluiting van de woning voor drie maanden op zichzelf onevenredige gevolgen voor eiser heeft gehad.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester het belang dat was gediend met de sluiting van de woning om de inbreuk op de openbare orde en op het woon- en leefklimaat van omwonenden te herstellen, in dit geval zwaarder mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:314.