Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6866

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/2092
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.4 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking urgentieverklaring woningzoekende

Verzoekster kreeg op medische gronden een urgentieverklaring voor woningzoekenden, die het college introk nadat zij een woning accepteerde maar kort daarna weer teruggaf zonder erin te wonen. Verzoekster betwist de intrekking en vraagt om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het onduidelijk is of de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 voorziet in een situatie waarin een woning wordt geaccepteerd maar niet daadwerkelijk bewoond, en of dit gelijkstaat aan verhuizing of weigering. Het college erkent deze onzekerheid en dat dit in de bezwaarprocedure zal worden behandeld.

Er is een spoedeisend belang omdat verzoekster door intrekking van de urgentieverklaring geen voorrang meer heeft bij woningtoewijzing, wat haar gezondheid schaadt. De voorzieningenrechter geeft verzoekster het voordeel van de twijfel en wijst het verzoek toe, waardoor de intrekking wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan verzoekster vergoed.

Uitkomst: De intrekking van de urgentieverklaring wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2092

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college,

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 23 december 2025, dat op 2 februari 2026 is verzonden (het bestreden besluit) heeft het college de urgentieverklaring van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. G. Arslan als waarnemer van haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Bij besluit van 23 juni 2025 is aan verzoekster op medische gronden een urgentieverklaring verleend, die geldig was vanaf deze datum. Aan de urgentieverklaring is het volgende zoekprofiel verbonden:
Soort woning: bovenwoning, flatwoning met lift, flatwoning zonder lift, maisonnettewoning
Minimaal aantal slaapkamers: 2
Maximaal aantal slaapkamers: 2
Minimale huur: € 0,00 (kale huurprijs)
Maximale huur: € 682,96 (kale huurprijs)
Regio: [locatie 1]
Urgentieregio: [locatie 2]
Verzoekster kan met de urgentieverklaring reageren op woningen die vallen binnen het zoekprofiel. Zij heeft dan voorrang op woningzoekenden die geen urgentieverklaring hebben. De eerste fase van de urgentie eindigde op 24 december 2025.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoekster heeft op of omstreeks 19 december 2025 gereageerd op de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Na bezichtiging heeft de woningbouwvereniging deze woning aan verzoekster aangeboden. Verzoekster heeft deze woning op 23 december 2025 geaccepteerd. Verzoekster heeft vervolgens drie tot vijf dagen na de afgifte van de sleutels de woning geannuleerd. Zij heeft de woning nooit daadwerkelijk bewoond en verblijft samen met haar dochter nog steeds bij haar ouders. Het college heeft de aan verzoekster verleende urgentieverklaring ingetrokken, omdat haar een passende woning is aangeboden en zij dit aanbod heeft geaccepteerd. Verzoekster is het niet eens met de intrekking van de urgentieverklaring. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij voorlopig weer beschikt over de urgentieverklaring.
Wat vindt verzoekster?
4. Volgens verzoekster heeft het college haar urgentieverklaring ten onrechte ingetrokken. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de intrekking niet kan worden gebaseerd op artikel 3.1.4, tweede lid, onder e, van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. Volgens verzoekster kan het accepteren van de woning haar niet worden toegerekend. Zij was door haar paniekstoornis en de angst dat zij geen andere woning meer aangeboden zou krijgen niet in staat rationele keuzes te maken. Daarnaast was ook geen sprake van een passende woning. De aangeboden woning biedt verzoekster geen geschikte leefomgeving om te herstellen van haar psychische klachten. Binnen het flatcomplex is namelijk sprake van ernstige geluidsoverlast, beschadigingen aan de gemeenschappelijke ruimten, het moedwillig negeren van huisregels en overlast gevende gedragingen. Bovendien valt de aangeboden woning volgens verzoekster buiten het zoekprofiel, omdat deze woning niet in de urgentieregio [locatie 2] ligt. Subsidiair doet verzoekster een beroep op de hardheidsclausule. Verzoekster moet als gevolg van het bestreden besluit bij haar ouders blijven wonen, dit betekent dat haar traumabehandeling niet kan worden opgestart.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordelingskader
6. Tussen partijen is niet in geschil dat op de intrekking van de aan verzoekster verleende urgentieverklaring de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening) van toepassing is. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook uit van het in die Verordening weergegeven kader.
Is er een spoedeisend belang?
7.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
7.2.
Verzoekster voert aan dat zij als gevolg van de intrekking van de urgentie niet langer voorrang krijgt bij het vinden van een voor haar geschikte woning, wat nadelige gevolgen heeft voor haar gezondheid. Onder overlegging van medische stukken heeft verzoekster gesteld dat zij op dit moment in een instabiele woonsituatie verblijft waardoor haar traumabehandeling niet kan worden gestart. Gelet hierop geeft de voorzieningenrechter verzoekster het voordeel van de twijfel bij het aannemen van een spoedeisend belang, ook al woont verzoekster (naar eigen zeggen) al sinds 2011 bij haar ouders en relativeert het college in het verweerschrift en tijdens de zitting het belang van verzoekster bij de urgentie. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het college de stelling dat verzoekster momenteel inmiddels 15 jaar staat ingeschreven bij [woningbouwvereniging] en bij vier woningen binnen haar zoekprofiel op nummer 1 zou staan niet met stukken heeft onderbouwd, terwijl verzoekster deze stelling heeft betwist.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
8.1.
Bij de vraag of de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zal treffen, beoordeelt zij of het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft.
8.2.
Artikel 3.1.4, tweede lid, onder e, van de Verordening biedt het college de bevoegdheid om een urgentieverklaring in trekken als de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven niet is opgelost.
Artikel 3.1.4, tweede lid, onder c, van de Verordening biedt het college de bevoegdheid om een urgentieverklaring in te trekken als de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd.
8.3.
Het college heeft de urgentieverklaring van verzoekster ingetrokken op grond van
artikel 3.1.4, tweede lid, onder e, van de Verordening.
8.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand niet zeker is of de Verordening in een situatie zoals die van verzoekster voorziet. Dit blijkt ook uit de tijdens de zitting namens het college gegeven toelichting op de in het betreden besluit gehanteerde intrekkingsgrond. In dit geval heeft verzoekster de woning immers niet geweigerd, ook is zij feitelijk niet verhuisd naar de woning. Verzoekster heeft kort na afgifte van de sleutels de woning weer teruggeven. De vraag rijst of deze ‘acceptatie’ van de woning kan worden gelijkgesteld met een ‘verhuizing’ als bedoeld in sub e van het tweede lid van artikel 3.1.4 van de Verordening. Ook rijst de vraag of dit ‘teruggeven’ van de woning mogelijk kan worden opgevat als een ‘weigering’ als bedoeld in sub c van het tweede lid van artikel 3.1.4 van de Verordening. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat dit een atypisch geval betreft, dat het college ook met deze vragen worstelt en dat dit aan de orde zal komen in de bezwaarprocedure. Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in deze procedure niet (goed) beoordeeld worden of de in het bestreden besluit gebezigde intrekkingsgrond stand zal houden en/of dit eventuele gebrek in bezwaar kan worden hersteld.
8.5.
In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college nog opgemerkt dat verzoekster met een toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening niet het door haar gewenste resultaat kan bereiken, omdat schorsing van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de urgentieverklaring met het daaraan gekoppelde zoekprofiel herleeft terwijl verzoekster zelf heeft aangegeven dat de woningen conform dat zoekprofiel niet altijd passend zijn vanwege haar nieuwe medische klachten. Bovendien is de urgentieverklaring inmiddels negen maanden geleden verleend (23 juni 2025), zodat de medische situatie van verzoekster in beginsel opnieuw moet worden beoordeeld. De voorzieningenrechter constateert dat dit aspecten zijn die aan de orde moeten komen tijdens de bezwaarprocedure en op deze aspecten kan dan ook niet vooruit worden gelopen bij de beoordeling van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening.
8.6.
De voorzieningenrechter overweegt tot slot nog het volgende. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het college bij het vaststellen van het zoekprofiel heeft voldaan aan het eerdere verzoek van verzoekster om geen woningen op de begane grond op te nemen. De woning die verzoekster toegewezen kreeg, zorgde echter voor extra stress in verband met de hoogte van de woning en gebruikmaking van de lift. Verzoekster voert aan dat zij hierdoor en door de onveiligheid die zij door de leefomgeving in het complex ervoer, duizeligheidsklachten kreeg. Verzoekster heeft ook informatie van haar fysiotherapeut overgelegd. Gelet hierop zal in de bezwaarprocedure aan de orde moeten komen of het zoekprofiel nog aansluit op de medische behoeften van verzoekster, aldus het college. Daar komt bij dat het voor het college niet werkbaar is als zowel een woning op de begane grond als een hoger gelegen woning geen optie zouden zijn voor verzoekster. Dan is in feite geen enkele woning geschikt. De gemachtigde van verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat het zoekprofiel in de verleende urgentieverklaring wel degelijk op de medische behoeftes van verzoekster aansluit. Verzoekster heeft de aangeboden woning teruggeven, omdat zij vanuit die woning zicht had op de werkplek van haar ex-partner. Deze ex-partner heeft verzoekster in het verleden slecht behandeld, haar angst is daardoor een stoornis geworden. Volgens de gemachtigde van verzoekster is dit wat haar toen heeft getriggerd. De voorzieningenrechter constateert dat onduidelijkheid bestaat over de precieze reden waarom de toegewezen woning niet passend werd geacht door verzoekster. Aan verzoekster wordt dan ook meegegeven om volledig mee te werken aan het eventuele onderzoek naar en/of bij het vaststellen van het behoud van het recht op urgentie. Verzoekster kan dit doen door volledig openheid van zaken te geven, ook zou zij in de bezwaarprocedure de pas tijdens de zitting genoemde stelling dat zij vanuit de aangeboden woning zicht had op de werkplek van de ex-partner kunnen onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter constateert dat op dit moment niet worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Er is daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit vanaf de datum van deze uitspraak tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Het gevolg daarvan is dat de urgentieverklaring met het daaraan gekoppelde zoekprofiel herleeft. De voorzieningenrechter wijst verzoekster erop dat een aangeboden woning dat voldoet aan het zoekprofiel op grond van de Verordening niet kan worden geweigerd.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoedt.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt het college verder in de door verzoekster gemaakt proceskosten. Toegekend wordt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- bij wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit vanaf heden tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • draagt het college op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoekster te vergoeden; en
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.