Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6867

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/1803
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2014 tot en met 2019. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend in die periode.

Eiser stelde dat de Dienst Toeslagen niet alle relevante systemen had geraadpleegd en verzocht om inzage in zoekresultaten van het Digitaal Archiefsysteem (DAS) en het Heidi-systeem. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen voldoende onderzoek had gedaan, waaronder het overleggen van screenshots uit het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) en de KOI-viewer, waaruit bleek dat het burgerservicenummer van eiser geen zoekresultaten opleverde.

Daarnaast heeft eiser geen feitelijke verklaring gegeven over de opvang van zijn kinderen, terwijl de bewijslast voor het recht op compensatie bij hem ligt. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was om nadere inzage te eisen in de zoekresultaten of aanvullende gegevens te overleggen.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, wat betekent dat eiser geen recht heeft op compensatie. Tevens krijgt eiser het griffierecht niet terug en worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de compensatieaanvraag op grond van de Wht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1803

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiser om compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2019 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met een besluit van 13 juni 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2014 tot en met 2019 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 13 juni 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft op 17 juni 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd in de jaren 2014 tot en met 2019.
4. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie ten onrechte heeft afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft niet alle relevante systemen geraadpleegd. Mogelijk is de aanvraag van eiser uitgeworpen omdat hij op een fraudelijst stond. Eiser wenst inzage in de zoekresultaten in het Digitaal Archiefsysteem (DAS) en het zogenoemde Heidi-systeem.
5. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. [1]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser terecht afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat eiser een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend, zodat hij reeds om die reden niet in aanmerking komt voor compensatie. De Dienst Toeslagen heeft screenshots overgelegd van de zoekslagen in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) en de kinderopvanginstelling (KOI)-viewer. Hieruit blijkt dat het burgerservicenummer van eiser geen zoekresultaten oplevert. De Dienst Toeslagen heeft verklaard dat in het DAS enkel een aanvraag kinderopvangtoeslag is gevonden van de moeder van het oudste kind van eiser. Hoewel de bewijslast voor het recht op compensatie bij eiser ligt, [2] heeft hij in beroep in het geheel niets verklaard over de feitelijke toedracht van de opvang van zijn kinderen. Bij gebreke van enig feitelijk aanknopingspunt, bestaat in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen nadere inzage zou moeten verschaffen in de zoekresultaten van het DAS of gegevens uit het Heidi-systeem zou moeten overleggen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.