Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6879

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/10/699066 / FA RK 25-3487
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderbijdrage

Partijen zijn gehuwd met huwelijkse voorwaarden en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw verzoekt echtscheiding wegens duurzame ontwrichting, hetgeen door de man niet wordt betwist. De rechtbank accepteert het verzoek ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat het redelijkerwijs niet mogelijk is dit te overleggen.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt vastgesteld bij de vrouw, nadat de man zijn tegenverzoek heeft ingetrokken. Partijen bereiken overeenstemming over een zorgregeling waarbij de kinderen eens in de tien dagen drie dagen bij de man verblijven, met specifieke afspraken over overdrachtstijden en vakanties.

De kinderbijdrage wordt berekend op basis van de draagkracht van partijen en de behoefte van de kinderen, rekening houdend met een zorgkorting van 35%. De man moet €382,50 per maand per kind betalen. Tevens wordt bepaald dat partijen hun huwelijkse voorwaarden zullen afwikkelen bij een notaris. Elk draagt zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats bij vrouw vastgesteld, zorgregeling en kinderbijdrage van €382,50 per maand per kind aan vrouw opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/699066 / FA RK 25-3487
Beschikking van 2 juni 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F. Laros te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 mei 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 24 juli 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van 25 augustus 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 30 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 1 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 5 mei 2026;
  • het bericht van de man met gewijzigd verzoek van 5 mei 2026;
  • het bericht van de vrouw van 7 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI) heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet aanwezig te kunnen zijn en inhoudelijk nog weinig te kunnen toevoegen.
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] na het maken van huwelijkse voorwaarden.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 augustus 2025 over voorlopige voorzieningen zijn de minderjarige toevertrouwd aan de vrouw, is een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de minderjarigen en de man bepaald en is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) betaald van € 439,- per kind per maand.
2.4.
Bij beslissing van deze rechtbank van 17 april 2026, op schrift gesteld op 23 april 2026, zijn de minderjarigen onder meer onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2026 tot 17 oktober 2026.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt zelfstandig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.1.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.1.4.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. Zij heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
3.1.5.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man heeft zijn tegenverzoek om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn, ingetrokken.
3.2.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek van de vrouw, omdat dit verzoek niet langer is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen. De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.2.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen als volgt:
  • de minderjarigen verblijven eens in de tien dagen drie dagen bij man. De man werkt zes dagen en is dan vier dagen vrij. Gedurende de tweede, derde en vierde dag van de vrije periode verblijven de minderjarigen bij de man. Gedurende de zes dagen die de man werkt, zullen de minderjarigen bij de overgang van een ochtend- naar een middagdienst ook bij de man verblijven. De overdracht vindt plaats om 14:00 uur als op een doordeweekse dag wordt gewisseld, om 15:00 uur als de overdracht in het weekend plaatsvindt en om 19:00 uur (na het eten) op de laatste dag van een cyclus. Om de vier cyclussen van tien dagen (elk vijfde weekend) zullen de minderjarigen niet bij de man verblijven.
  • de ouder bij wie de minderjarigen het laatste verblijven, brengt hen naar de andere ouder waarbij:
  • de man de minderjarigen voor de deur van de vrouw afzet, zelf in de auto blijft zitten en niet via het autoraampje of anderszins met de vrouw communiceert en waarbij de vrouw in haar woning blijft, en
  • de vrouw de minderjarigen afzet bij het garagepleintje achter de woning van de man waarna de minderjarigen zelf naar de woning van de man lopen;
  • partijen de overdrachtsmomenten niet filmen of opnemen;
  • gedurende de zomervakantie zijn de minderjarigen drie aaneengesloten weken bij een van partijen. In 2026 zullen de minderjarigen de laatste drie aaneengesloten weken bij de man zijn en in 2027 de eerste drie aaneengesloten weken, en zo zal dat jaarlijks wisselen. In 2026 zijn de minderjarigen de eerste kerstdag en oud en nieuw bij man en de tweede kerstdag bij de vrouw en in 2027 is dat andersom, en zo zal dat jaarlijks wisselen. Op Vader- en Moederdag en op de verjaardag van partijen zijn de minderjarigen bij de betreffende ouder. In 2026 verblijven de minderjarigen op hun verjaardag bij de man en in 2027 bij de vrouw, en zo zal dat jaarlijks wisselen.
3.3.3.
De rechtbank beslist volgens de hiervoor weergegeven overeenstemming van partijen, omdat de rechtbank met de raad van oordeel is dat niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.4.
Onderhoudsbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen kinderbijdrage van € 479,- per maand per kind vast te stellen. De man voert verweer.
3.4.2.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
Ingangsdatum
3.4.3.
Omdat geen ingangsdatum is verzocht, zal de kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.
De behoefte
3.4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) kan worden aangesloten bij de beschikking voorlopige voorzieningen en dat die behoefte na indexering per 2026 € 1.638,- per maand bedraagt.
Draagkrachtberekening
3.4.5.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.6.
Hetgeen de man stelt over zijn huidige bruto jaarinkomen en draagkracht betwist de vrouw niet en staat daarmee vast. Hetgeen de vrouw stelt over haar huidige bruto jaarinkomen en draagkracht betwist de man niet en staat daarmee ook vast. Ook is niet langer is geschil dat de vrouw geen aanspraak kan maken op kindgebonden budget omdat zij samenwoont met een partner. Bij de berekening van ieders aandeel in de kosten van de minderjarigen gaat de rechtbank dan ook uit van een draagkracht van de man van € 1.587,- per maand en een draagkracht van de vrouw van € 356,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.4.7.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.587 / € 1.943 x € 1.638 = € 1.338
het deel van de vrouw bedraagt: € 356 / € 1.943 x € 1.638 = € 300 +
------------
samen € 1.638
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.338,- per maand ofwel € 669,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 300,- per maand ofwel € 150,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.8.
In geschil is de omvang van de zorgkorting. Gelet op de overeengekomen zorgregeling, inclusief de vakantieregeling, zijn de minderjarigen net geen drie dagen per week bij de man. In redelijkheid sluit aan bij een zorgkorting die uitgaat van drie dagen per week en mitsdien van 35%. Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.638,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 573,- per maand.
3.4.9.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 765,- per maand, zijnde
€ 382,50 per maand per kind.
Conclusie
3.4.10.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen kinderbijdrage van de minderjarigen van € 382,50 per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.11.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
3.5.1.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun verzoeken gewijzigd in die zin dat zij verzoeken hun onderlinge regeling, te weten dat zij ten overstaan van een in onderling overleg te benoemen notaris zullen overgaan tot de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden, in de beschikking op te nemen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
4.3.
stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn zoals hiervoor in 3.3.2. is weergegeven;
4.4.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van vandaag als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 382,50 per maand per kind;
4.5.
neemt op de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, te weten dat zij ten overstaan van een in onderling overleg te benoemen notaris zullen overgaan tot de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden;
4.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draag;
4.8.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.S. Jansen, griffier, op 2 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.