ECLI:NL:RBROT:2026:688

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
10.160796.25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervaardigen van seksueel beeldmateriaal met vrijspraak voor afdreiging en verkrachting

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van afdreiging, het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal en verkrachting/aanranding. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de feiten 1 (afdreiging) en 3 (verkrachting/aanranding), omdat de beschuldigingen niet bewezen konden worden. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de wil van de aangeefster ontbrak tijdens de seksuele handelingen die zij verrichtte tijdens een videobellen. De verdachte werd echter wel schuldig bevonden aan feit 2, het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van de aangeefster. De rechtbank legde een taakstraf op van 40 uur, met aftrek van voorarrest, en oordeelde dat er geen meerwaarde was in het opleggen van een voorwaardelijke straf. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die geen eerdere veroordelingen had voor soortgelijke feiten. De uitspraak is gedaan in tegenwoordigheid van de griffier en is openbaar gemaakt op 21 januari 2026.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.160796.25
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Datum zitting: 7 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M.J.R. van Walsem
Officier van justitie: mr. E. Blanken

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van afdreiging (feit 1), het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van seksueel beeldmateriaal (feit 2) en opzet- of schuldverkrachting dan wel opzet- of schuldaanranding (feit 3).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 10 februari 2025 te Rotterdam,
in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim
[slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een filmpje waarop seksuele handelingen zichtbaar waren, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door (via social media) tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij een eerder ontvangen filmpje van haar online zou zetten als zij hem geen andere filmpje met seksuele handelingen zou verstrekken.
2.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 10 februari 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (meermalen) opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer], (een) visuele weergave(n) van seksuele aard, te weten (een) filmpje(s), waarop te zien was dat die [slachtoffer] seksuele handelingen bij zichzelf verrichtte en/of haar ontblote billen toonde, heeft vervaardigd.
3.
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het door haar laten
- brengen/houden van haar vinger(s) in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen, en/of
- betasten van haar schaamstreek,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
subsidiair
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het door haar laten betasten van haar schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

2.Bewijs

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 2 en 3 (subsidiair) en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 3 (primair). Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De beschuldiging van feit 1 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Ook de beschuldiging van feit 3 is niet bewezen. De verdachte wordt ook daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn voor wat betreft het primaire feit tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. Voor wat betreft het onder 3 subsidiair tenlastegelegde nog he volgende.
De verdachte en aangeefster hebben met elkaar contact gehad door te videobellen, waarbij aangeefster bij zichzelf seksuele handelingen heeft verricht. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte wist, of ernstige reden had om te vermoeden, dat de wil van aangeefster ontbrak.
De aangeefster heeft op een eerder moment vrijwillig een video naar de verdachte gestuurd waarop haar billen te zien zijn (de billenvideo). De aangeefster zegt dat de verdachte de billenvideo heeft ingezet als drukmiddel om seksuele handelingen bij haarzelf te verrichten tijdens het videobellen met verdachte. Zij heeft echter bij de politie wisselend verklaard over de wijze van dreiging.
De verdachte ontkent dat hij aangeefster onder druk heeft gezet door middel van de billenvideo. De verdachte heeft verklaard dat de aangeefster tijdens het videobellen aan het lachen was. Dat volgt ook uit het onderzoek van de politie naar de beelden. Van overige contra-indicaties of signalen waardoor hij moest weten, dan wel ernstige reden had om te vermoeden, dat bij aangeefster de wil tot het verrichten van de seksuele handelingen ontbrak, is niet gebleken.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte wist, of ernstige reden had om te vermoeden, dat de wil van aangeefster ontbrak om de seksuele handelingen te verrichten.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
2.
hij op 7 februari 2025 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk van [slachtoffer] een visuele weergave van seksuele aard, te weten een filmpje, waarop te zien was dat die [slachtoffer] seksuele handelingen bij zichzelf verrichtte heeft vervaardigd.
Bewijsmotivering en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
De bekennende verklaring van de verdachte [1]
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] [2]

3.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
2.
opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een visuele weergave van seksuele aard vervaardigen
Strafbaarheid van het feit
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf van 120 uur.
Standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank de verdachte veroordelen en hem een straf opleggen, wordt verzocht hem alleen een voorwaardelijke straf op te leggen met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van aangeefster. Tijdens het videobellen heeft aangeefster seksuele handelingen verricht en de verdachte heeft zonder haar medeweten hiervan een opname gemaakt. De verdachte heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen (lust)gevoelens en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn gedrag voor aangeefster. Slachtoffers van dit soort strafbare feiten ondervinden vaak nog jarenlang last van gevoelens zoals schaamte, onmacht, onveiligheid en wantrouwen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
-
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
-
Rapport van de reclassering
Reclassering Nederland heeft op 24 december 2025 een rapport uitgebracht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport.
Oplegging taakstraf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 40 uur opgelegd met aftrek van voorarrest.
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Daarbij speelt een rol dat de verdachte heeft erkend dat hij zich heeft misdragen en dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 40 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
36 uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
18 dagen.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. A. Boer en N. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 7 januari 2026.
2.Proces-verbaal van aangifte, nummer [proces-verbaalnummer], pagina 1 e.v. van het zaaksdossier.