De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 april 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee om haar bijstandsuitkering met 100% te verlagen voor drie maanden wegens vermeende niet-medewerking aan arbeidsinschakeling.
Verzoekster was niet verschenen op afspraken voor een doelmatigheidsonderzoek en een spreekuur, maar het college had geen stukken overlegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk was uitgenodigd en zonder geldige reden niet was verschenen. Het college had ook niet gereageerd op verzoeken van de rechtbank om stukken te overleggen en was niet verschenen op de zitting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het standpunt van het college onvoldoende was onderbouwd en dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor het besluit tot verlaging van de uitkering werd geschorst en de uitkering vanaf 2 april 2026 moest worden uitbetaald.
Daarnaast werd het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoed. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.