ECLI:NL:RBROT:2026:6927

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/10/666275 / FA RK 23-7080
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking tot raadsonderzoek en wijziging voorlopige omgangsregeling in familierechtelijke zaak

De rechtbank Rotterdam heeft op 20 mei 2026 een tussenbeschikking gegeven in een familierechtelijke zaak tussen een man en een vrouw over het ouderlijk gezag en de omgang met hun minderjarige kind.

Eerder was een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de man elke zondagmiddag van 15:00 tot 17:00 uur omgang had met het kind bij de vrouw thuis, onder haar begeleiding. Het beoogde SCHIP-traject ter verbetering van de verstandhouding tussen de ouders is niet van de grond gekomen, waardoor de situatie voor het kind zeer belastend blijft. De ouders houden deze situatie ondanks hun wederzijdse verwijten in stand.

De rechtbank acht alle beschikbare hulpverlening uitgeput en beveelt een raadsonderzoek aan naar het gezag en de omgangsregeling. Totdat dit onderzoek is afgerond, wordt de voorlopige omgangsregeling gewijzigd: de omgang vindt onbegeleid en buiten het huis van de vrouw plaats. De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact te stoppen of een dwangsom op te leggen.

De behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 juni 2027, waarna de raad voor de kinderbescherming zal rapporteren en partijen gelegenheid krijgen te reageren. Een definitieve beslissing volgt daarna.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige omgangsregeling en gelast een raadsonderzoek, met aanhouding van de zaak tot 1 juni 2027.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/666275 / FA RK 23-7080
Beschikking van 20 mei 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat voorheen mr. J.M. Bekooij te Den Haag, thans mr. R.G. Jagesar te Den Haag,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. K.H. de Vries te Capelle aan den IJssel.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 14 mei 2025;
  • de herstelbeschikking van 8 juli 2025;
  • het bericht van de man met bijlagen van 29 oktober 2025;
  • het bericht van de vrouw met bijlage van 1 december 2025
  • het bericht van de vrouw met bijlagen van 3 april 2026;
  • het bericht van de man met bijlagen van 3 april 2026;
  • het bericht van de vrouw met bijlage van 7 april 2026.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

2.De verdere beoordeling

2.1.
Ouderlijk gezag en de omgangsregeling
2.1.1.
Bij beschikking van 14 mei 2025, welke is hersteld bij herstelbeschikking van 8 juli 2025, heeft de rechtbank (voor zover van belang) de behandeling van de zaak ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgang aangehouden in afwachting van het SCHIP-traject wat partijen zouden gaan volgen. De rechtbank heeft daarbij een voorlopige omgangregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige. De man heeft sindsdien elke zondagmiddag van 15:00 uur tot 17:00 uur omgang met de minderjarige bij de vrouw thuis, in het bijzijn van de vrouw.
2.1.2.
Gebleken is dat het SCHIP-traject niet van de grond is gekomen en dat er zelfs geen intake heeft plaatsgevonden. Partijen hebben beiden een andere lezing van de reden hiervan.
2.1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de onderlinge verstandhouding tussen ouders nog steeds erg slecht is en dat als gevolg daarvan nog steeds sprake is van een zeer belastende situatie voor de minderjarige. Deze situatie houden ouders, ook al zijn ze het daar niet mee eens en wijzen zij telkenmale naar elkaar, uiteindelijk nog steeds samen in stand, zoals de rechtbank ook al in de beschikking van 14 mei 2025 constateerde. Ook de raad stelt tijdens de mondelinge behandeling vast dat ondanks de hulpverlenings-poging alsook het tijdsverloop geen enkele vooruitgang is geboekt. De raad adviseert daarom nader onderzoek te doen naar zowel het gezag over de minderjarige als naar de vraag of, en zo ja in welke vorm en frequentie, een omgangsregeling moet worden vastgesteld.
2.1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is het voorgaande met partijen besproken. Namens de man is aangevoerd dat hij zich kan vinden in een raadsonderzoek naar het gezag, maar dat hij wel het liefste zou zien dat zijn verzoek om een omgangsregeling nu al wordt toegewezen. Namens de vrouw is aangevoerd dat een raadsonderzoek geen toegevoegde waarde heeft, omdat volgens de vrouw de situatie vorig jaar nagenoeg gelijk was en de raad toen geen noodzaak zag voor een dergelijk onderzoek.
2.1.5.
De rechtbank is van oordeel dat alle beschikbare vormen van hulpverlening inmiddels zijn uitgeput, althans zijn geprobeerd. Dit is echter door toedoen van partijen zelf op geen enkele manier van de grond gekomen. Zoals de rechtbank ook al in de beschikking van 14 mei 2025 heeft overwogen, zal er dus op een andere manier moeten worden ingegrepen. De rechtbank acht een raadsonderzoek daarvoor op dit moment het meest geschikt. Voordat verder kan worden beslist over het ouderlijk gezag en de omgang tussen de man en de minderjarige acht de rechtbank het daarom noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht hiernaar onderzoek doet en de rechtbank vervolgens adviseert. Om deze reden zal de behandeling op deze punten pro forma worden aangehouden tot 1 juni 2027 en zal de raad worden verzocht nader te rapporteren. De rechtbank nodigt de raad daarbij uitdrukkelijk uit om het onderzoek uit te breiden tot een beschermingsonderzoek indien daar volgens de raad enige aanleiding toe is.
2.2.
Tijdelijke omgangsregeling
2.2.1.
Tijdens de mondelinge is gesproken hoe de omgangsregeling in de tussentijd moet worden vormgegeven. De man verzoekt de door hem verzochte omgangsregeling direct toe te wijzen. Dit mede vanwege de door de raad aangegeven wachttijd van een dergelijk onderzoek. De wachttijd bedraagt inmiddels ongeveer 7 maanden voordat gestart kan worden met het onderzoek. De man vreest dat de vrouw geen uitvoering zal geven aan de door hem verzochte omgangsregeling en verzoekt daarom – tijdens de mondelinge behandeling – hier een dwangsom aan te verbinden. De vrouw verzoekt de omgang geheel stop te zetten omdat dit volgens haar te belastend is voor de minderjarige.
2.2.2.
De rechtbank stelt voorop dat het belangrijk is dat het contact tussen de man en de minderjarige periodiek blijft plaatsvinden, zodat de man en de minderjarige niet van elkaar vervreemden. Op dit moment wordt de omgangsregeling uitgevoerd in de woning van de vrouw, waarbij de vrouw ook aanwezig is. Gelet op de spanningen tussen partijen acht de rechtbank een dergelijke vorm van omgang op dit moment niet in het belang van de minderjarige. Niet is gebleken dat het op dit moment onveilig is voor de minderjarige om onbegeleid contact te hebben met de man. De rechtbank is echter van oordeel dat er voor de door de man verzochte uitgebreide omgangsregeling op dit moment onvoldoende basis is. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding om, zoals de vrouw verzoekt, het contact tussen de man en de minderjarige geheel stop te zetten. De rechtbank zal daarom bepalen dat de omgangsregeling zoals deze nu geldt voorlopig zal worden voortgezet, maar dan zonder begeleiding van de vrouw en niet meer bij de vrouw thuis. De rechtbank merkt op dat de voorwaarden die eerder zijn gesteld door de rechtbank nog steeds gelden, zodat de man ten alle tijden ervoor moet zorgen dat de minderjarige veilig is en dat hij haar alleen in de auto mag vervoeren in een voor haar leeftijd goedgekeurd autostoeltje. Voorgaande maakt dat er een voorlopige zorgregeling zal worden vastgesteld waarbij de minderjarige elke zondag van 15:00 uur tot 17:00 uur met de man zal zijn buiten het huis van de vrouw, met inachtneming van de genoemde voorwaarden. De rechtbank gaat ervanuit dat beide partijen zich aan deze regeling zullen houden en ziet op dit moment onvoldoende aanleiding hier een dwangsom aan te verbinden.
2.3.
Proceskosten
2.3.1.
Omdat ten aanzien van de verzoeken nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over het ouderlijk gezag over de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de omgangsregeling en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
3.2.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop te reageren en hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;
3.3.
bepaalt dat partijen en hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen;
3.4.
stelt vast dat voorlopig de volgende omgangsregeling zal gelden tussen de man en de minderjarige:
- de man heeft elke zondag van 15:00 uur tot 17:00 uur onbegeleide omgang met de minderjarige buiten het huis van de vrouw, met inachtneming van de eerder gemaakte veiligheidsafspraken;
en voordat verder wordt beslist:
3.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 juni 2027 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 20 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.