ECLI:NL:RBROT:2026:6939

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/7063
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4 Bijlage I Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 2.5 Bijlage I Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens onvoldoende bewijs geweld en bedreiging

Eiser heeft op 30 april 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op basis van de urgentiegrond 'geweld en bedreiging'. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag bij besluit van 10 juni 2025 af, waarna het bezwaar van eiser eveneens ongegrond werd verklaard op 21 augustus 2025. Eiser stelde dat hij in zijn woonwijk te maken heeft met geweld, bedreiging, discriminatie en stress, en dat de politie corrupt is en zijn meldingen heeft gewist.

De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 behandeld en beoordeelde of het college terecht heeft geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Volgens de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 moet het geweld of de bedreiging aannemelijk worden gemaakt met een schriftelijke verklaring van de politie. De politie verklaarde echter op 6 juni 2025 dat de situatie van eiser niet bij hen bekend is. Eiser leverde geen bewijsstukken aan ter onderbouwing van zijn stellingen.

De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang heeft, maar dat het college terecht heeft geoordeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Ook de door eiser ingeroepen hardheidsclausule was niet van toepassing, omdat de situatie binnen het beleidskader valt. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen schadevergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van geweld en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigden: mrs. Z. Abachi en C.B. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een urgentieverklaring. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft op 30 april 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op basis van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.
2.2.
Bij besluit van 10 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.4.
Eiser heeft aanvullende beroepschriften en stukken ingediend.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring. De urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’ doet zich voor als de aanvrager een zelfstandige woonruimte binnen de regio bewoont en er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, wat tot gevolg heeft dat de aanvrager redelijkerwijs niet langer in zijn huidige woonruimte kan blijven wonen. Dit volgt uit artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (hierna: de Verordening). Uit het derde lid van dit artikel blijkt dat het geweld of de bedreiging met geweld aannemelijk moet worden gemaakt met een schriftelijke verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet meer in de huidige zelfstandige woonruimte kan blijven wonen. De politie heeft het college op 6 juni 2025 laten weten dat de door eiser geschetste situatie niet bij hen bekend is. Eiser heeft ook geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat sprake is van geweld of bedreiging met geweld en dat hij hierdoor zo snel mogelijk dient te verhuizen.
Standpunt eiser
4. Eiser betoogt dat het college zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Hij ervaart in zijn wijk veel geweld en overlast. Bovendien wordt hij daar gediscrimineerd en bedreigd. Eiser heeft hierdoor veel stress en psychische problemen. Door de stress is hij bovendien kaal geworden. Hij heeft meermaals melding gemaakt van zijn ervaringen bij de politie, maar deze meldingen zijn door de politie gewist. De politie staat ook regelmatig bij eiser voor de deur en weet dus af van de situatie waarin hij verkeert. De politie doet hier echter niets aan, omdat de politie corrupt is. Tot slot doet eiser een beroep op de hardheidsclausule van artikel 2.5, eerste lid, van Bijlage I bij de Verordening (hierna: de hardheidsclausule).
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het college eisers aanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Procesbelang
5.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep dient de rechtbank eerst na te gaan of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft, omdat eiser met deze procedure niet kan bereiken wat hem voor ogen staat.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is procesbelang het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat deze persoon voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem of haar van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft iemand die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. [1]
5.3.
De rechtbank stelt vast dat deze procedure ziet op een aanvraag voor een urgentieverklaring voor de regio Rijnmond. Eiser heeft vanaf het moment dat hij de aanvraag deed meermaals aangegeven dat hij wenst te verhuizen naar een andere regio of provincie. Hij wil niks meer te maken hebben met de regio Rijnmond. Dit standpunt heeft eiser in beroep ook herhaald. Toch heeft eiser wel zelf een urgentieverklaring voor de regio Rijnmond aangevraagd. Hij benoemt daarbij dat hij geen landelijke urgentieverklaring zou kunnen krijgen. Ook zou eiser graag in een klein dorpje of een kleine stad wonen in een rustige, het liefst natuurrijke omgeving. Dergelijke plekken zijn er ook in de regio Rijnmond. Gelet op deze omstandigheden, het feit dat eiser het duidelijk niet eens is met de afwijzing van de aangevraagde urgentieverklaring en het feit dat hij ook heeft verzocht om schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat deze procedure voor eiser van feitelijke betekenis is, zodat hij procesbelang heeft bij zijn beroep.
Urgentiegrond geweld en bedreiging
5.4.
De rechtbank begrijpt dat deze procedure voor eiser heel belangrijk is, omdat hij tijdens deze procedure en op de zitting heel duidelijk heeft gemaakt dat hij de wijk waarin hij nu woont ’als de hel ziet’. Eiser heeft in zijn vele e-mails en tijdens de zitting een duidelijk beeld gegeven van wat hij ervaart en welke gevolgen dit voor hem had en nog steeds heeft. Eiser wil heel graag verhuizen. Tegelijkertijd is het in deze procedure aan de rechtbank om te toetsen of het college zich wel of niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.
5.5.
Uit artikel 2.3, derde lid, van Bijlage I bij de verordening blijkt dat het college een aanvraag voor een urgentieverklaring weigert als geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze Bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet.
5.6.
Eiser heeft zijn aanvraag gebaseerd op artikel 5.4 van de Bijlage en daarbij aangegeven dat hij geweld en dreiging ervaart in de vorm van schadelijke traditionele praktijken en seksueel geweld. Om die reden stelt hij in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring.
5.7.
Uit artikel 5.4, derde lid, van de Bijlage blijkt dat het geweld of de bedreiging daarmee aannemelijk gemaakt moet worden met een schriftelijke verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet meer in de huidige zelfstandige woonruimte kan blijven wonen.
5.8.
De rechtbank stelt vast dat de politie op 6 juni 2025 te kennen heeft gegeven dat bij hen niets bekend is over schadelijke traditionele praktijken en/of seksueel geweld richting eiser. Eiser heeft zijn stellingen dat hij geweld ervaart en bedreigd wordt ook niet onderbouwd met stukken. Ook voor zijn stellingen dat de politie corrupt is en zijn meldingen heeft gewist, heeft eiser geen nadere onderbouwing geleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.
Hardheidsclausule
5.9.
Het college heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de hardheidsclausule bedoeld is voor situaties waarmee bij het vaststellen van het beleid geen rekening is gehouden. Eiser stelt dat hij geweld en/of bedreiging daarmee ervaart, terwijl artikel 5.4, derde lid, van de Bijlage voorziet in de mogelijkheid om in zo’n situatie een urgentieverklaring af te geven. De rechtbank constateert dat in dit geval dan ook geen sprake is van een situatie waarmee bij het vaststellen van het beleid geen rekening is gehouden. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Schadevergoeding
6.1.
Eiser verzoekt om hem een schadevergoeding toe te kennen voor alle dreigementen, belagingen en discriminatie die hij heeft ervaren tijdens deze procedure en alle stress en frustratie die hiermee gepaard is gegaan.
6.2.
Eiser heeft zijn stelling dat hij schade heeft geleden niet onderbouwd met stukken. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de besluitvorming van het college schade heeft geleden. De rechtbank zal eisers verzoek tot schadevergoeding daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt eiser geen schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1803.